Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8098

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
Awb 20/226 en Awb 20/227
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verblijfsdocument EU. Paar tegenstrijdigheden en/of onvolledigheden onvoldoende om ervan uit te gaan dat sprake is van een schijnrelatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/226 (beroep) en AWB 20/227 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 20 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] , van Ghanese nationaliteit,

V-nummer [#] ,

eiseres,

(gemachtigde: mr. S.S. Jangali),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.

Bij besluit van 12 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft op 12 juni 2020 een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft op 15 juni 2020 gereageerd. Verweerder heeft hierop op 22 juni 2020 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen K. Mensah. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ten aanzien van het verzoek om vrijstelling van het griffierecht

1. Eiseres heeft zowel voor het beroep als voor het verzoek om een voorlopige voorziening verzocht om te worden vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van griffierecht. Eiseres heeft daartoe een verklaring omtrent inkomen en vermogen overgelegd. Omdat de rechtbank op grond van de stukken aannemelijk acht dat eiseres geen inkomsten of vermogen heeft, is aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat is het verschuldigde griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt en eiseres wordt vrijgesteld van de verplichting griffierecht te betalen.

Ten aanzien van het beroep

2. Op 23 mei 2018 heeft eiseres gevraagd om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER (Europese Unie/Europese Economische Ruimte). Eiseres wenst verblijf bij referent de heer [referent] (referent), haar gestelde partner van Britse nationaliteit. Eiseres en referent stellen dat zij sinds juni 2011 een duurzame relatie onderhouden, een gemeenschappelijke huishouding voeren en sinds 1 februari 2017 samenwonen op het adres [adres] te Amsterdam. Eiseres heeft eerder in april 2012 een zelfde soort aanvraag gedaan die in de beslissing op bezwaar van 16 januari 2013 is toegewezen. Verweerder is toen uitgegaan van een duurzame relatie tussen eiseres en referent. Op 7 maart 2017 heeft eiseres een aanvraag voor duurzaam verblijf ingediend, die onherroepelijk is afgewezen nadat eiseres het beroep tegen dat afwijzende besluit heeft ingetrokken.

3. Naar aanleiding van de huidige aanvraag heeft verweerder eiseres en referent op 11 april 2019 onafhankelijk van elkaar gehoord over de door hun gestelde relatie.

4. Bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen en hieraan ten grondslag gelegd dat sprake is van een schijnrelatie die is aangegaan met als enig doel het in de Richtlijn 2004/38/EG (hierna: de Verblijfsrichtlijn) neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten, waarop anders geen aanspraak zou kunnen worden gemaakt. Volgens verweerder waren er in dit geval algemene en individuele indicatoren die onafhankelijk van elkaar en in samenhang bezien een onderzoek rechtvaardigen naar de vraag of sprake is van misbruik van de Verblijfsrichtlijn . Zo is het verweerder gebleken dat een forse stijging valt waar te nemen in het aantal aanvragen om toetsing aan het gemeenschapsrecht van Ghanese derdelanders die willen verblijven bij burgers van de Unie van Ghanese afkomst. Uit eerdere ervaringen en analyses is gebleken dat wanneer sprake is van een schijnhuwelijk of een schijnrelatie, de vreemdeling(e) en referent(e) vaak woonachtig zijn in Amsterdam Zuidoost. Uit gegevens uit de Basisregistratie Personen (Brp) is gebleken dat eiseres en referent op diverse adressen in Amsterdam Zuidoost ingeschreven hebben gestaan.

Naast deze algemene indicatoren zijn volgens verweerder ook een aantal individuele indicatoren op eiseres en referent van toepassing:

- uit strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat een voormalig werkgever van referent ( [werkgever] ) documenten zoals werkgeversverklaringen, loonstroken en arbeidsovereenkomsten heeft verstrekt zonder dat door referent feitelijk is gewerkt. Indien deze gegevens toen bekend waren geweest, was de aanvraag uit april 2012 afgewezen;

- gebleken is dat referent getrouwd is met [echtgenoot] . Niet duidelijk is of referent gescheiden is van [echtgenoot] die twee kinderen heeft die in 2003 verblijf bij referent in Engeland hebben gekregen;

- eiseres heeft voorafgaand aan de onderhavige en eerdere aanvragen een ruime periode illegaal in Nederland verbleven. Het paspoort van eiseres is op 7 juli 2020 afgegeven in Den Haag;

- er is discrepantie in de relatieverklaringen en de gegevens in het Brp inzake de ingangsdatum van de gemeenschappelijke huishouding;

- de getuigenverklaringen van diverse personen van (West-)Afrikaanse afkomst zijn niet objectief en van ver voor de datum van de onderhavige aanvraag;

- gebleken is dat op het adres [adres] iemand anders met de Nederlandse nationaliteit staat ingeschreven; en

- er bestaan vragen over een PGB-zorgovereenkomst (persoonsgebonden budget) die referent heeft gesloten met een Ghanese mevrouw genaamd [naam] .

Dat sprake is van een schijnrelatie wordt vervolgens gebaseerd op de volgens verweerder ongeloofwaardige dan wel tegenstrijdige of vage verklaringen die eiseres en referent op 11 april 2019 hebben afgelegd over essentiële onderdelen van hun relaas. Zo is er volgens verweerder tegenstrijdig en vaag verklaard over het jaar waarin eiseres naar Nederland is gekomen, de periode voor de gestelde samenwoning met elkaar, de getuigenverklaringen, eerdere huwelijken van referent, de verjaardag van referent, kerst 2018, jaarwisseling 2018/2019, het reizen naar de kerk, het werk van referent en eiseres en het samen eten in de dagen voorafgaand aan de hoorzitting.

De ongeloofwaardige, tegenstrijdige en bevreemdingwekkende verklaringen doen volgens verweerder ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van het relaas, zeker omdat de onderwerpen een grote impact op het leven van eiseres en referent hebben en recent zijn.

5. De vraag of de beroepsgronden van 15 juni 2020 te laat naar voren zijn gebracht en daarom buiten beschouwing gelaten moeten worden, moet eerst beantwoord worden. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgronden waarin eiseres ingaat op de door verweerder tegengeworpen tegenstrijdigheden kunnen worden aangemerkt als een nadere onderbouwing van het eerder ingenomen standpunt van eiseres dat zij en referent op bepaalde punten niet tegenstrijdig hebben verklaard, en de stelling dat de eventuele tegenstrijdigheden haar niet kunnen worden tegengeworpen. Verweerder heeft bovendien voor de zitting op 22 juni 2020 op de aanvullende beroepsgronden gereageerd. De aanvullende beroepsgronden van 15 juli 2020 worden daarom door de rechtbank bij de beoordeling betrokken.

6. De rechtbank stelt vast dat de door verweerder tegengeworpen algemene en individuele indicatoren niet in geschil zijn. In geschil is of de verklaringen van eiseres en referent met betrekking tot hun relatie geloofwaardig zijn.

6.1

Eiseres voert in beroep allereerst aan dat verweerder aan haar en referent de tegenstrijdigheden, voor zover daarvan sprake is, niet mag tegenwerpen.

Als twee personen worden gehoord over dezelfde feiten en omstandigheden is het onmogelijk dat er 100% gelijkenis is in hun antwoorden. Het is normaal dat verschillende personen zich sommige feiten verschillend herinneren en een andere invulling eraan geven. Daarbij is van belang dat zowel eiseres als referent op leeftijd zijn en dat zij lichamelijke en psychische klachten hebben. Zij hebben last van onder andere depressie en stress. Dit is ook kenbaar gemaakt in het gehoor. Daarnaast speelt ook moeheid een belangrijke rol bij het zich kunnen herinneren van feiten. Eiseres verwijst op dit punt naar een artikel “Het episodisch geheugen en getuigengehoor. Wat weten politieverhoorders hiervan?”. Hieruit blijkt dat de Nederlandse politieverhoorders onvoldoende kennis hebben van het episodisch geheugen en bijkomende verhoorkwesties. Ook wordt gewezen op het boek “Reizen met mijn rechter”, over de werking van het geheugen en het ophalen van herinneringen. Anders dan verweerder stelt, kan een mens zich niet alles herinneren. Dat zij dat ook niet kunnen hebben eiseres en referent in de gehoren ook aangegeven. Daarbij speelt ook mee dat tijdens de gehoren vragen zijn gesteld over details van gebeurtenissen die lang geleden hebben plaatsgevonden. Het is voor immigranten in het algemeen lastig om zich dingen te herinneren over bijvoorbeeld een verhuizing, omdat zij vele malen in hun leven in verschillende landen op kamers hebben gewoond. Verweerder heeft ook geen rekening gehouden met de culturele aspecten en omgangsvormen van Ghanese mensen. Het is belangrijk om het verschil tussen de verschillende mensen afhankelijk van hun achtergrond, leeftijd, opleiding en cultuur te erkennen en herkennen, omdat die kennis bijdraagt tot het beter beoordelen van de antwoorden. De manier waarop zij met elkaar praten en wat zij belangrijk vinden is anders dan in de Nederlandse cultuur. Concreet heeft het voorgaande ervoor gezorgd dat eiseres vanwege de spanning, stress en moeheid stellig ervan overtuigd was dat zij met nieuwjaar naar haar vriendin [vriendin] was geweest maar dit was op oudejaarsdag, zo blijkt ook uit overgelegde foto’s.

Ook specifiek woordgebruik kan invloed hebben op de antwoorden die gegeven worden. Zo spreekt eiseres in ‘we’ vorm als zij het heeft over [naam vriend] . Feit is dat eiseres en referent [naam vriend] van de kerk kennen. Meer dan dat hebben zij niet willen verklaren. Verweerder heeft hierover niet doorgevraagd. Het is ook niet onbegrijpelijk dat eiseres zegt dat zij referent geen cadeau heeft gegeven voor zijn verjaardag omdat zij alleen bloemen had gekocht. Zij koopt wel vaker bloemen en zag dit niet als cadeau voor haar mannelijke partner. Op de vraag aan referent of hij een cadeau heeft gekregen denkt hij aan de bloemen die zij die dag had meegenomen en beschouwt dat als cadeau. Dit illustreert dat het normaal is dat verschillende mensen andere waardering geven aan dezelfde feiten. Ook het wordt ‘vieren’ is door eiseres en referent verschillend geïnterpreteerd. Eiseres vindt dat zij kerst viert, omdat zij wat tijd heeft doorgebracht met de medebewoners van het huis. Referent vindt dat geen kersviering en geeft ook aan dat die bewoners weg gingen. Op geen enkele wijze heeft hij daarmee gezegd of willen bedoelen dat zij helemaal niet thuis waren die dagen en ook niet dat zij helemaal geen tijd met elkaar hebben doorgebracht. Ook hier is niet over doorgevraagd tijdens het gehoor. Ook de discrepantie in de geboortedatum van referent ( [geboortedatum] ), komt doordat eiseres zich de datum spontaan herinnerde. Ten aanzien van het reizen naar de kerk en het werk en het samen eten voor het gehoor, hebben zij niet tegenstrijdig verklaard. Over de reis naar de kerk verklaart eiseres over hoe zij dacht dat referent reisde. Dat is gezien hun culturele achtergrond en de wijze waarop zij met elkaar omgaan meer dan voldoende. Ten aanzien van het eten voor het gehoor doelden eiseres en referent op het avondeten, zodat zij niet verklaarden dat zij ook in de middag hebben gegeten. Tot slot voert eiseres aan dat zij gedurende vijf jaar over een verblijfsdocument heeft beschikt, omdat verweerder eerder wel ervan is uitgegaan dat sprake is van een duurzame relatie. Daarom zijn de paar tegenstrijdigheden en/of onvolledigheden die haar worden tegengeworpen onvoldoende om ervan uit te gaan dat sprake is van een schijnrelatie. Gelet op al het voorgaande is eiseres ten onrechte niet in bezwaar gehoord.

6.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat van eiseres en referent verwacht mag worden dat zij eensluidend en consistent kunnen verklaren. De lichamelijke en psychische klachten of andere factoren die van invloed zouden zijn op de mogelijkheid om te verklaren, zijn niet met (medische) stukken onderbouwd. Aan referent is aan het begin van het gehoor uitdrukkelijk gevraagd of hij lichamelijk en geestelijk in staat was het gehoor te laten plaatsvinden, waarop hij bevestigend heeft geantwoord. Uit het gehoorverslag blijkt niet dat referent vanwege zijn vergeetachtigheid niet in staat was de vragen te beantwoorden. Zijn antwoorden zijn samenhangend en duiden erop dat hij de vragen goed heeft begrepen. Eiseres en referent zijn bij het gehoor door een tolk bijgestaan, zodat de vragen begrijpelijk en in hun eigen taal zijn gesteld. Niet gebleken is dat eiseres en referent zich niet voldoende hebben kunnen uiten of de vragen niet goed hebben kunnen begrijpen. Van hen wordt ook niet verwacht dat ze over alles hetzelfde verklaren. In dit geval zijn echter zoveel tegenstrijdige en bevreemdingwekkende verklaringen afgelegd, dat hier niet aan voorbij gegaan kan worden. Van eiseres en referent wordt (slechts) verwacht dat zij eensluidend en consistent kunnen verklaren over hun relatie, gebeurtenissen die een impact hebben (gehad) op hun levens en over recente gebeurtenissen. Eiseres heeft niet nader geconcretiseerd hoe het artikel en het boek zich verhouden met hun situatie. De verklaringen van eiseres ten aanzien van de tegenstrijdigheden, zijn onvoldoende om de tegenstrijdigheden weg te nemen. Het feit dat in 2013 wel is uitgegaan van een relatie, doet hier niet aan af. De geldigheidsduur van dat verblijfsdocument is reeds verlopen en verweerder heeft de bevoegdheid om bij nieuwe aanwijzingen iets anders te vinden.

6.3

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel eiseres en referent op sommige onderdelen inderdaad afwijkend van elkaar hebben verklaard, hebben zij op veel essentiële punten wel overeenkomstig verklaard. Zo hebben zij hetzelfde verklaard over hun ontmoetingsjaar (2001), het moment waarop hun relatie is ontstaan, het jaar waarin referent in Nederland is gekomen (2009), het eerste adres waar zij samenwoonden (zowel over de huiseigenaar als de periode), hun tweede adres (over de huiseigenaar, de periode en huurbetaling) en hun derde adres (de verhuizing, de personen waarmee zij samenwoonden en de huurbetaling). Tevens verklaren zij met gelijke strekking over de drie kinderen uit een eerder huwelijk van eiseres, over de manier waarop eiseres contact met hen onderhoudt, dat zij haar kinderen voor het laatst in 2015 in Ghana heeft gezien, over de reis van referent naar het Verenigd Koninkrijk en over de kerk waar de ander naar toegaat. Zij hebben ook gelijkluidend verklaard over het werk van referent (de naam van zijn werkgever, de werkdagen, zijn salaris en dat hij in het verleden in een hotel heeft gewerkt), het werk en salaris van eiseres, wie boodschappen doet en over het globale verloop van de op dat moment vorige zaterdag en zondag. Verweerder heeft dit ook niet betwist. Verder staat vast dat de tegengeworpen tegenstijdigheden met betrekking tot bepaalde gebeurtenissen zoals de verhuizing in 2011, de verjaardag van referent, kerst en oudejaarsdag lang of wat langer geleden hebben plaatsgevonden. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in dit geval onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat op grond van de door hem aan eiseres en referent tegengeworpen tegenstrijdigheden aannemelijk is geworden dat tussen eiseres en referent sprake is van een schijnrelatie.

7. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen wegens strijd met de artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien, nu het geconstateerde gebrek tot gevolg heeft dat verweerder het bestreden besluit volledig dient te heroverwegen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

8. Gelet op het bovenstaande had verweerder ook niet op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mogen afzien van het horen van eiseres in bezwaar.

9. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eisers hebben gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.050,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, met een waarde van € 525,- per punt en een wegingsfactor 1).

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

10.. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank vandaag op het beroep heeft beslist.

11. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 525,- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak

een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier. De beslissing is gedaan op 20 augustus 2020.

griffier (voorzieningen)rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.