Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8096

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
AWB 19/9334 en 19/8454
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Arbeid als zelfstandige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/9334 (beroep) en 19/8454 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en voorzieningenrechter van 20 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Turkse nationaliteit,

V-nummer: [#]

eiser, verzoeker, hierna te noemen: eiser,

(gemachtigde: mr. L.K. Matpanözer),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor het doel “arbeid als zelfstandige bij [eiser] Haarverzorging” afgewezen.

Bij besluit van 29 november 2019 en aanvullend besluit van 5 december 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarnaast is hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft 4 mei 2020 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft partijen bericht dat een zitting achterwege zal worden gehouden tenzij een van de partijen aangeeft dat zij op zitting gehoord wenst te worden. Partijen hebben schriftelijk aangegeven dat zij niet op een zitting gehoord wensen te worden. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

  1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. De aanvraag die thans ter beoordeling voor ligt is eisers derde aanvraag die hij op 15 augustus 2019 heeft ingediend. Zijn eerste aanvraag zag betrof een aanvraag om ‘arbeid als zelfstandige’ bij “ [eiser] kapsalon”. Deze aanvraag is bij besluit van 19 januari 2016 afgewezen, omdat eiser geen voldoende onderbouwd ondernemingsplan had overgelegd. Het hiertegen ingestelde bezwaar is door verweerder op 19 mei 2017 ongegrond verklaard. Op 28 november 2016 heeft eiser een tweede keer een aanvraag om ‘arbeid als zelfstandige ingediend’. Ditmaal bij [eiser] Haarverzorging. Ook deze aanvraag is door verweerder afgewezen.

  2. Op 15 augustus 2019 heeft verweerder onderhavige aanvraag ingediend. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor verblijf als zelfstandig ondernemer. Daarom heeft verweerder eiser niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

  3. Eiser voert, samengevat, aan dat hem herstelverzuim had moeten worden geboden voordat de aanvraag werd afgewezen. Eiser wijst in dit verband op een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 1 september 2016 (AWB 15/8078). Het bestreden besluit is niet zorgvuldig tot stand gekomen nu er geen herstelverzuim is geboden en eiser in bezwaar ten onrechte niet is gehoord. De documentatie-eis die verweerder stelt is verscherpt de afgelopen jaren en het is de vraag of verweerder met deze gewijzigde uitvoeringspraktijk niet in strijd handelt met het beginsel van gemeenschapstrouw.

  4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder aan hem herstelverzuim had moeten bieden. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat eiser de gegevens en bescheiden ter onderbouwing van zijn aanvraag, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb en artikel 3.102, eerste lid, van het Vb, al in de aanvraagfase en uiterlijk in de bezwaarfase had moeten overleggen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:410). De in beroep ingediende stukken zijn dan ook terecht door verweerder buiten beschouwing gehouden.

  5. Verder overweegt de rechtbank dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 29 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1001) blijkt dat het documentatievereiste niet in strijd is met de standstill-bepaling. Ook is niet gebleken dat sprake is van een verscherping van het documentatievereiste. Eiser heeft zijn standpunt dat dit wel zo zou zijn onvoldoende onderbouwd. Voor zover eiser doelt op wijzigingen in het beleid van verweerder in de Vreemdelingencirculaire 2000 heeft eiser niet aangegeven om welke wijzigingen het gaat. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 1 september 2016 treft geen doel, nu geen sprake is van een gelijk geval. Daar was de zaak wel voorgelegd aan de RvO en lag de toetsing van de RvO voor. Daarnaast heeft de Afdeling deze uitspraak op 4 april 2017 vernietigd (ECLI:NL:RVS:2017:977). Het beroep op strijdigheid met gemeenschapstrouw faalt omdat dit verder niet onderbouwd of geconcretiseerd is.

  6. Eiser voert verder aan dat het inreisverbod disproportioneel is en in strijd is met artikel 41 van het aanvullend Protocol en artikel 9 van de Turkse Associatieovereenkomst.

  7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen concrete individuele omstandigheden zijn aangevoerd waarom zou moeten worden afgezien van een inreisverbod dan wel dat die een kortere duur zou moeten hebben. Niet valt in te zien waarom het inreisverbod van twee jaar disproportioneel is (ECLI:NL:RVS:2018:3922 en ECLI:NL:RVS:2016:2121).

  8. Voorts is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van de hoorplicht. Verweerder mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb van het horen afzien indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de inhoud van het primaire besluit en wat daartegen door eiser is aangevoerd, doet een dergelijke situatie zich hier voor en heeft verweerder kunnen afzien van horen.

  9. Het beroep is ongegrond.

  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Verzoek om een voorlopige voorziening

11. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

11. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, griffier. De beslissing is gedaan op 20 augustus 2020.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.