Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8091

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
NL20.15170 en NL20.15252
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring en inreisverbod. Albanese inklimmer. Geen vrije termijn. Niet gebleken van een beschermingswaardig familieleven. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.15170 en NL20.15252


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. G.A.J. Purperhart),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Berk).


Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2020 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen.

Eiser heeft op 13 augustus 2020 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 14 augustus 2020 een reactie ingediend. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Albanese nationaliteit en is geboren op 3 januari 1993.

Over bestreden besluit 1: terugkeerbesluit en inreisverbod

2. In het terugkeerbesluit heeft verweerder vermeld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser wijst erop in het bezit te zijn van een Albanees paspoort en betwist dat hij een ernstig gevaar is voor de openbare orde. Bovendien heeft verweerder het bestreden besluit 1 in strijd met artikel 8 van het EVRM opgelegd, nu eiser geen visum kort verblijf zal kunnen krijgen om zijn broer in Italië te kunnen bezoeken. Tot slot blijkt uit het bestreden besluit 1 niet waarom verweerder niet heeft afgezien van een inreisverbod voor twee jaar of waarom deze niet is verkort.

4. De rechtbank overweegt dat uit het terugkeerbesluit blijkt dat als grondslag is gekozen voor artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, namelijk dat in eisers geval sprake is van onttrekkingsgevaar, en niet het bepaalde onder c van voornoemd artikel, te weten dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. Dat sprake is van onttrekkingsgevaar heeft eiser niet betwist. Dat eiser een Albanees paspoort heeft, laat het voorgaande onverlet.

5. Uit het proces-verbaal van gehoor over het inreisverbod van 5 augustus 2020 blijkt dat verweerder aan eiser heeft uitgelegd dat op grond van individuele omstandigheden kan worden afgezien van het opleggen van het inreisverbod dan wel dat de duur daarvan kan worden verkort. Ook heeft verweerder uitgelegd dat het aan eiser is om deze omstandigheden aan te geven. Verder blijkt dat verweerder eiser heeft gevraagd naar familieleden in de Europese Unie. Eiser heeft verklaard dat hij een broer in Italië heeft. Verweerder heeft gevraagd wat voor contact eiser heeft met zijn broer waarop eiser heeft verklaard hem zo en af en toe te bezoeken maar hij ook met hem kan bellen. Hiermee is niet gebleken dat de familie van eiser een bezwaar vormt voor het opleggen van het inreisverbod. Zo is bij gebrek aan nadere onderbouwing van de inhoud van de relatie met de broer niet gebleken dat eiser een beschermenswaardig gezins-/familieleven heeft met zijn broer, noch dat zijn broer eiser niet kan bezoeken in Albanië of in een ander land. Gelet op het voorgaande heeft verweerder met de motivering dat het bezoek aan eisers broer niet van levensbelang is, voldoende gemotiveerd dat de door eiser gestelde omstandigheden geen aanleiding geven om af te zien van het opleggen van een inreisverbod dan wel de duur daarvan te verkorten. In de wens van eiser om te werken in Engeland heeft verweerder ook geen aanleiding hoeven zien om geen of een korter inreisverbod op te leggen.

6. Met hetgeen verweerder op pagina 2 van het terugkeerbesluit heeft overwogen ten aanzien van het inreisverbod, heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom hij in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht niet heeft afgezien van het opleggen van een inreisverbod voor de duur van twee jaar of waarom deze niet is verkort.

Over bestreden besluit 2: maatregel van bewaring

7. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft verweerder dezelfde gronden gehanteerd als die hierboven zijn genoemd bij het bestreden besluit 1.

8. Eiser stelt dat hij niet visumplichtig is en de zware grond 3a ten onrechte is tegengeworpen. Ook de lichte gronden zijn volgens eiser onterecht tegengeworpen, dan wel onvoldoende gemotiveerd. Voorts had verweerder volgens eiser een lichter middel moeten toepassen en is de motivering daaromtrent in het bestreden besluit 2 in strijd met Afdelingsjurisprudentie. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat de voortzetting van de maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

9. De rechtbank stelt vast dat eiser is aangetroffen in een trailer op het afgesloten haventerrein te Botlek-Rotterdam tijdens zijn poging tot illegale uitreis naar Groot-Brittannië. Eiser heeft zich bij zijn uitreis dan ook niet overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de Schengengrenscode begeven langs een doorlaatpost en had hiervoor ook niet de intentie.

10. Met deze poging tot illegale uitreis heeft hij zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 108 van de Vw en voldeed hij niet meer aan artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit betekent dat eiser niet voldeed aan de toegangsvoorwaarden van de Schengengrenscode en eiser geen vrije termijn had. Dat eiser stelt dat hij nog in zijn visumvrije termijn zat, volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank is van oordeel dat de zware grond 3a daarom terecht aan eiser is tegengeworpen.

11. De zware grond 3a en de niet-betwiste grond 3b, verweerders motivering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende om aan te nemen dat ten aanzien van eiser het risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht aanwezig is. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet verplicht was eiser een termijn voor vrijwillig vertrek te bieden. Dat eiser voldoende middelen heeft of in staat zou zijn om deze rechtmatig te verwerven om zijn terugkeer te realiseren, doet daaraan niet af. Uit het voorgaande volgt een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de terugkeer naar Albanië is niet aannemelijk gelet op de omstandigheden waaronder eiser in Nederland is aangetroffen en zijn verklaring dat hij naar Groot-Brittannië wilde reizen.

12. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.

Over de beroepen

13. Het beroep tegen de bestreden besluiten is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is gedaan op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.