Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8090

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
NL20.15172 en NL20.15255
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring en inreisverbod. Albanese inklimmer. Geen vrije termijn. Niet gebleken van een beschermingswaardig familieleven. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.15172 en NL20.15255


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. G.A.J. Purperhart),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Berk).


Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2020 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen.

Eiser heeft op 13 augustus 2020 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 14 augustus 2020 een reactie ingediend. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Albanese nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1996.

Over bestreden besluit 1

2. In het terugkeerbesluit heeft verweerder hierover vermeld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser wijst erop in het bezit te zijn van een Albanees paspoort en betwist dat hij een ernstig gevaar is voor de openbare orde. Bovendien heeft verweerder het bestreden besluit 1 in strijd met artikel 8 van het EVRM opgelegd, nu eiser geen visum kort verblijf zal kunnen krijgen om zijn familie in het Verenigd Koninkrijk en zijn tante in Italië te kunnen bezoeken. Tot slot blijkt uit het bestreden besluit 1 niet waarom verweerder niet heeft afgezien van een inreisverbod voor twee jaar of waarom deze niet is verkort.

De rechtbank overweegt dat uit het terugkeerbesluit blijkt dat als grondslag is gekozen voor artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, namelijk dat in eisers geval sprake is van onttrekkingsgevaar, en niet het bepaalde onder c van voornoemd artikel, te weten dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. Dat sprake is van onttrekkingsgevaar heeft eiser niet betwist. Dat eiser een Albanees paspoort heeft, laat het voorgaande onverlet.

4. Uit het proces-verbaal van gehoor over het inreisverbod van 5 augustus 2020 blijkt dat verweerder aan eiser heeft uitgelegd dat op grond van individuele omstandigheden kan worden afgezien van het opleggen van het inreisverbod dan wel dat de duur daarvan kan worden verkort. Ook heeft verweerder uitgelegd dat het aan eiser is om deze omstandigheden aan te geven. Verder blijkt dat verweerder eiser heeft gevraagd naar familieleden in de Europese Unie. Eiser heeft verklaard dat hij familie in Engeland heeft en een tante in Bolzano, Italië. Verweerder heeft gevraagd hoe vaak eiser zijn familie bezocht waarop eiser heeft verklaard nooit zijn tante te hebben bezocht. Ook heeft eiser verklaard nooit eerder in het Verenigd Koninkrijk te zijn geweest. Hiermee is niet gebleken dat de familie van eiser een bezwaar vormt voor het opleggen van het inreisverbod. Zo is niet gebleken dat eiser de wens heeft om zijn familie te bezoeken. Gelet op het voorgaande heeft verweerder met de motivering dat er niet is gebleken dat zou moeten worden afgezien van het opleggen van het inreisverbod, voldoende gemotiveerd waarom hij een inreisverbod voor de duur van twee jaar heeft uitgevaardigd. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:57). In de wens van eiser om te werken in Engeland heeft verweerder ook geen aanleiding hoeven zien om geen inreisverbod op te leggen.

Over bestreden besluit 2

5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. In de maatregel heeft verweerder dezelfde gronden gehanteerd als die hierboven zijn genoemd bij het terugkeerbesluit.

6. Eiser stelt dat hij niet visumplichtig is en de zware grond 3a ten onrechte is tegengeworpen. Ook de lichte gronden zijn volgens eiser onterecht tegengeworpen, dan wel onvoldoende gemotiveerd. Voorts had verweerder volgens eiser een lichter middel moeten toepassen en is de motivering daaromtrent in het bestreden besluit 2 in strijd met Afdelingsjurisprudentie. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat de voortzetting van de maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

7. De rechtbank stelt vast dat eiser is aangetroffen in een trailer op het afgesloten haventerrein te Botlek-Rotterdam tijdens zijn poging tot illegale uitreis naar Groot-Brittannië. Eiser heeft zich bij zijn uitreis dan ook niet overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de Schengengrenscode begeven langs een doorlaatpost en had hiervoor ook niet de intentie.

Met deze poging tot illegale uitreis heeft hij zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 108 van de Vw en voldeed hij niet meer aan artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit betekent dat eiser niet voldeed aan de toegangsvoorwaarden van de Schengengrenscode en eiser geen vrije termijn had. Dat eiser stelt dat hij nog in zijn vrije termijn zat volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank is van oordeel dat de zware grond 3a daarom terecht aan eiser is tegengeworpen.

8. De zware grond 3a en de niet-betwiste grond 3b, verweerders motivering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende om aan te nemen dat ten aanzien van eiser het risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht aanwezig is. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet verplicht was eiser een termijn voor vrijwillig vertrek te bieden. Dat eiser voldoende middelen heeft of in staat zou zijn om deze rechtmatig te verwerven om zijn terugkeer te realiseren, doet daaraan niet af. Uit het voorgaande volgt een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de terugkeer naar Albanië is niet aannemelijk gelet op de omstandigheden waaronder eiser in Nederland is aangetroffen en zijn verklaring dat hij naar Groot-Brittannië wilde reizen.

9. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.

Over de beroepen

10. Het beroep tegen de bestreden besluiten is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af..

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is gedaan op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.