Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8082

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
NL20.15105
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring. Handeling zevende dag is voldoende voortvarend. Niet verplicht om te rappelleren. Zicht op uitzetting aanwezig, ondanks corona.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.15105


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. C.G. Matze),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Berk).


Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2020. Eiser is door middel van telehoren gehoord. Ter zitting is hij bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Cheiboukh.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 2000.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

3. Eiser heeft de gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel van bewaring niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden reeds voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en aan te nemen dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

4. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht omdat het claimverzoek aan de Sloveense autoriteiten op 6 augustus 2020 is ingediend, terwijl eiser sinds 31 juli 2020 in bewaring zit. Ook is er sindsdien geen reactie ontvangen van de Sloveense autoriteiten noch heeft verweerder gerappelleerd. Verder voert eiser aan dat er geen redelijk vooruitzicht op overdracht is nu Slovenië volgens de Belgische autoriteiten een risicogebied is in het kader van het coronavirus. Er geldt een code oranje in een groot deel van Slovenië.

5. Met het vertrekgesprek en de Dublinclaim op 6 augustus 2020 heeft verweerder op de zevende dag na de inbewaringstelling twee handelingen verricht ter voorbereiding van de overdracht. Ook uit de overplaatsing van eiser naar het detentiecentrum Rotterdam op 3 augustus 2020 valt af te leiden dat het proces van ambtelijke voorbereiding in werking is gezet en gaande is geweest. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie de uitspraak van 29 oktober 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BK2270), blijkt dat het starten met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting op de zevende dag van de bewaring voldoende voortvarend is. Nu in dit geval het niet gaat om een geplande inbewaringstelling – eiser is in een strafrechtelijk traject staandegehouden op station Breda – is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld aan de overdracht van eiser. De rechtbank overweegt dat verweerder, gegeven de administratieve verwerking van het claimverzoek en de inhoudelijke beoordeling daarvan, enige tijd mag worden gegund.

6. Dat eiser in het verleden reeds door de Nederlandse autoriteiten is overgedragen aan Slovenië, maakt niet dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Immers moet opnieuw zorgvuldig een claimverzoek worden opgesteld en ingediend en de reactie van de Sloveense autoriteiten worden afgewacht.

7. Ook in de omstandigheid dat verweerder nog geen reactie heeft ontvangen van de Sloveense autoriteiten noch aan zijn verzoek heeft gerappelleerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De Sloveense autoriteiten hebben conform artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening twee weken om te reageren op het verzoek. Het is vervolgens aan verweerder om te bepalen welke handelingen, zoals rappelleren, noodzakelijk zijn en het is niet aan de rechtbank om te bepalen dat verweerder had moeten rappelleren, zoals de Afdeling overweegt in de uitspraak van 4 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2415). Nu de twee weken nog niet zijn verlopen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet hoeven handelen. Het verlopen van de tweewekentermijn leidt tot een fictief akkoord, waarna verweerder ook de overdracht kan realiseren.

8. De rechtbank volgt verweerder in zijn betoog dat er geen reden is om aan te nemen dat er geen zicht op overdracht op korte termijn naar Slovenië is. De rechtbank overweegt dat het Belgische reisadvies waarop eiser heeft gewezen, in deze niet leidend is en dat verweerder heeft betoogd dat in het geval dat alleen noodzakelijke reizen mogelijk zijn, dit geen belemmering is nu verweerder de overdracht van eiser noodzakelijk acht. Niet is gebleken dat het luchtruim van Slovenië is gesloten of dat de Sloveense autoriteiten Dublinoverdrachten binnen afzienbare tijd zullen opschorten. Zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt vooralsnog niet.

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is gedaan op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.