Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8081

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
NL20.15300
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring. Gedrag uit 2018 mag worden betrokken. Gronden inherent aan zijn van een asielzoeker, maakt de gronden niet onrechtmatig. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.15300


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J. Hofstede),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).


Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 13 augustus 2020 de maatregel van bewaring opgeheven omdat eiser is overgedragen aan Frankrijk.

Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen.

Eiser heeft op 13 augustus 2020 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 14 augustus 2020 een reactie ingediend. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1981.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser voert tegen het bestreden besluit aan dat hij als Dublinclaimant rechtmatig verblijf heeft tot aan zijn overdracht en hij betwist dat er sprake is van een significant risico op onderduiken. Hij betwist de zware grond 3b en stelt dat zijn vertrek in 2018 hem niet langer kan worden tegengeworpen. Sinds eiser zich opnieuw heeft gemeld op 25 januari 2020 heeft hij zich nimmer aan het toezicht onttrokken. De grond 3e is volgens eiser onterecht omdat zijn naam hooguit op andere wijze is geschreven en de verschillende nationaliteiten zijn te wijten aan een misverstand. Tegen de grond 3k voert eiser aan dat hij de uitspraak op het beroep tegen het overdrachtsbesluit op 30 juli 2020 heeft ontvangen en sindsdien geen vertrekgesprek meer heeft gehad en er ook geen handelingen zijn verricht waaruit kan worden afgeleid dat hij geen medewerking verleent. Ten aanzien van de lichte gronden voert eiser aan dat 4a onvoldoende is gemotiveerd en 4c en 4d inherent zijn aan het zijn van een asielzoeker en niet maken dat er een significant risico op onderduiken is. Eiser heeft zich gehouden aan de meldplicht en is altijd beschikbaar geweest op het asielzoekerscentrum. Samengevat stelt eiser dat het opleggen en voortduren van de maatregel onrechtmatig is nu een onjuiste grondslag is toegepast, althans nu een terugkeerbesluit ontbreekt, althans bij afweging van alle belangen in redelijkheid niet opgelegd/voortgezet had kunnen worden.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. De rechtbank volgt het betoog van eiser wat betreft de gronden 3b, 4c en 4d niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het vertrek van eiser in 2018 mag meenemen. Niet in geschil is dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken op 26 juli 2018 en met zijn vertrek heeft hij zich destijds aan het vreemdelingentoezicht onttrokken. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
2 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1491) worden vreemdelingen die met onbekende bestemming zijn vertrokken, geacht Nederland kennelijk uit eigen beweging te hebben verlaten, zodat hun rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000 is geëindigd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1164) volgt dat er in artikel 62c, vierde lid, van de Vw 2000, noch de wetsgeschiedenis daarvan, aanknopingspunten te vinden zijn dat eenmaal geëindigd rechtmatig verblijf krachtens artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000 herleeft, indien een vreemdeling zich opnieuw meldt bij een asielzoekerscentrum en aldaar opvang ontvangt van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Gelet op het voorgaande maakt de omstandigheid dat eiser zich sinds 25 januari 2020 niet meer aan het toezicht heeft onttrokken niet, dat eiser ten tijde van de inbewaringstelling rechtmatig verblijf had. De grond 3b is om die reden terecht tegengeworpen. De omstandigheid dat de gronden 4c en 4d inherent zijn aan het zijn van een asielzoeker maakt niet dat in dit geval de gronden niet kunnen worden gebruikt als basis voor de bewaring. Inherent aan het toepassingsbereik van de Dublinverordening is dat de vreemdeling een asielverzoek heeft ingediend. De belangen die ertoe kunnen leiden dat een asielzoeker op wie de Dublinverordening van toepassing is in bewaring wordt gesteld, zijn reeds vervat in artikel 59a van de Vw dat (deels) uitvoering geeft aan de Dublinverordening.

6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden 3a en 3m die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze onbestreden gronden in samenhang met de gronden 3b, 4c en 4d en de daarbij gegeven motivering in onderlinge samenhang bezien reeds voldoende om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich zal onttrekken aan het vreemdelingentoezicht en deze gronden kunnen de maatregel dan ook dragen.

7. Voor zover eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat verweerder een lichter middel dan de inbewaringstelling had moeten toepassen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, de omstandigheid dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken om zijn overdracht te frustreren en gegeven de aanstaande overdrachtsdatum, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De enkele omstandigheid dat eiser zich ter beschikking heeft gesteld in een asielzoekerscentrum en zich heeft gehouden aan de meldplicht, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op het significante risico op onttrekking aan het toezicht heeft verweerder niet het risico hoeven nemen dat eiser zich niet meldt als de overdracht in zicht komt.

8. Voor zover eiser betoogt dat de maatregel van bewaring berust op de verkeerde grondslag en een terugkeerbesluit ontbreekt, volgt de rechtbank het betoog niet. Niet is betwist dat een claim is gelegd bij Frankrijk en deze door Frankrijk is geaccepteerd. Verweerder heeft daarom terecht de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd. Het nemen van een terugkeerbesluit is dan niet noodzakelijk.

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is gedaan op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.