Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8080

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
NL20.15169
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring. Geen verkapt vreemdelingenrechtelijke staandehouding. Gronden zijn juist en daaruit volgt risico op onttrekken toezicht. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.15169


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. G.A.J. Purperhart),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Berk).


Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen.

Eiser heeft op 12 augustus 2020 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 14 augustus 2020 een reactie ingediend. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Surinaamse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1965.

Staandehouding

2. Eiser stelt dat de staandehouding een verkapte staandehouding is in de zin van artikel 50 van de Vw en dat deze onrechtmatig is. Er ontbreekt volgens eiser een redelijk vermoeden van illegaal verblijf ten tijde van de staandehouding. De verbalisant is tevens niet belast met de grensbewaking of toezicht op vreemdelingen. Er is ook geen proces-verbaal van staandehouding van het model M105. De opvolgende ophouding en maatregel van bewaring zijn daarmee onrechtmatig.

3. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van aanhouding verdachte blijkt dat eiser is aangehouden op grond van artikel 447e van het wetboek van Strafrecht. Zoals uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (vgl. uitspraak van 18 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3074) volgt, is in de bij de Wet op de uitgebreide identificatieplicht gegeven uiteenzetting omtrent de verhouding tussen de uitgebreide identificatieplicht en het vreemdelingentoezicht, benadrukt dat uit een proces-verbaal duidelijk dient te blijken in welk kader de controle heeft plaatsgevonden, onder welke omstandigheden de betrokkene is aangetroffen en onder welke omstandigheden de staandehouding heeft plaatsgevonden. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 4 augustus 2020 zagen de verbalisanten dat eiser met een doorzichtige tas waarin bier lag het Park 1943 inreed en stopte bij een bankje waarop al een persoon zat. Vervolgens zagen zij dat eiser bier dronk en via een telefoon en een mobiele speaker naar luide muziek luisterde. Tevens blijkt uit het proces-verbaal dat het nuttigen van alcohol op aangewezen gebieden volgens de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Rotterdam is verboden en dat aan eiser daaromtrent een bekeuring is aangezegd. Gelet hierop volgt de rechtbank het betoog van verweerder dat de verbalisanten het identiteitsdocument van eiser hebben gevorderd op grond van algemene politietaken en er van verkapt vreemdelingrechtelijke toezicht geen sprake was. De rechtmatigheid van de strafrechtelijke aanhouding ligt niet ter toetsing aan de bewaringsrechter voor. Het daaropvolgende betoog dat de ophouding onrechtmatig is, kan dan ook niet slagen. Tot slot heeft verweerder terecht in het verweerschrift opgemerkt dat, nu eiser strafrechtelijk is aangehouden, het proces-verbaal van aanhouding niet met gebruikmaking van M105 opgemaakt hoeft te worden.

Zware en lichte gronden

4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. Eiser betwist de zware gronden 3b en 3c omdat het gestelde terugkeerbesluit uit 2017 niet aan het dossier is toegevoegd. De zware grond 3i is volgens hem onterecht omdat hij nooit te kennen heeft gegeven niet terug te keren naar Suriname. Hij heeft louter aangegeven niet terug te kunnen wegens het coronavirus en omdat hij niet in bezit was van een geldig paspoort. Ten aanzien van de lichte gronden voert eiser aan dat voor 4a niet is gemotiveerd op welke wijze of redenen hij zich niet aan de verplichtingen heeft gehouden. Voor de lichte gronden 4c en 4d stelt eiser dat hij verblijft op meerdere plaatsen en duidelijkheid kan geven over de verscheidene adressen waar hij kan verblijven. Hij kan verblijven bij vrienden die hem financieel kunnen bijstaan.

6. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3b, 3c, 4c en 4d terecht ten grondslag aan de maatregel van bewaring zijn gelegd.

7. Eiser verblijft enkele jaren onafgebroken in Nederland en heeft zich nimmer bij de korpschef gemeld. Aan eiser mag daarom worden tegengeworpen dat hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ9018).

8. Verweerder heeft tezamen met zijn verweerschrift het besluit van 2 maart 2017 overgelegd waarin een terugkeerbesluit en inreisverbod aan eiser zijn opgelegd. Uit het terugkeerbesluit volgt de plicht voor eiser om onmiddellijk te vertrekken. Het is vervolgens aan hem om uit eigen beweging te vertrekken. Eiser heeft echter geen stappen ondernomen om zijn vertrek te realiseren, waardoor de grond 3c feitelijk juist is. Dit geeft volgens vaste rechtspraak, zoals de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ5557), in beginsel voldoende grond om aan te nemen dat eiser de voorbereiding van de terugkeer of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

9. Het betoog van eiser omtrent de grond 4c dat hij (of een vriend) duidelijkheid zou kunnen verschaffen over de verschillende adressen waar hij verblijft, volgt de rechtbank niet. Daargelaten dat in het gehoor voorafgaand de maatregel noch in beroep adressen zijn gedeeld, overweegt de rechtbank dat met de verklaring dat eiser verschillende verblijfadressen heeft, hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Vervolgens volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP9284) dat een vreemdeling met het regelmatig wisselen van adres de voorbereiding van de terugkeer of de verwijdering ontwijkt en belemmert.

10. Het betoog dat de grond 4d niet ten grondslag kan worden gelegd aan de maatregel van bewaring faalt. Het inkomen waarover de vreemdeling zelfstandig beschikt is bepalend. Eiser heeft verklaard dat hij beschikt over € 32,65, eten krijgt waar hij verblijft en geen uitkering ontvangt. Hiermee beschikt eiser niet over voldoende middelen van bestaan en is het onwaarschijnlijk dat hij zijn uitreis zelf kan bekostigen en is het aannemelijker dat hij zich zal onttrekken aan het toezicht. Het eventueel kunnen krijgen van geld via familie of vrienden kan niet worden aangemerkt als voldoende middelen van bestaan, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2160).

11. Voornoemde zware en lichte gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en uit de gronden en de motivering daarvan volgt een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Lichter middel en belangenafweging

12. Eiser stelt dat de motivering ten aanzien van het lichter middel niet conform Afdelingsjurisprudentie is. Het is de rechtbank onduidelijk op welke gronden de motivering tekortschiet en het betoog leidt om die reden niet tot het oordeel dat verweerder aan eiser een lichter middel dan de inbewaringstelling had dienen op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.

Conclusie

13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is gedaan op

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.