Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8076

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
NL20.15104
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring. Eiser is in Italië en Duitsland geweest. Verweerder mag onderzoek of hij kan worden overgedragen. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.15104


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. C.G. Matze),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Berk).


Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2020. Eiser is door middel van telehoren gehoord. Ter zitting is hij bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F.J. Klunder.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1988.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

Ter zitting heeft verweerder de grond 3i laten vallen.

3. Eiser voert aan dat hij een asielverzoek heeft ingediend en ten onrechte als Dublinclaimant in bewaring is gesteld. Eiser is sinds 2015 in Europa en het is onbekend waar hij heeft verbleven. Hij is ten minste vier jaar niet meer in Italië geweest en ook uit de stukken blijkt dat hij geen Dublinclaimant meer is.

4. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat de vreemdeling valt onder de Dublinverordening en hij op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring kon worden gesteld. Verweerder heeft terecht gesteld dat blijkens Eurodac-gegevens eiser zich heeft gemeld in Italië op 28 oktober 2015 en in Duitsland op 11 augustus 2016, zodat Italië als eerste verantwoordelijk is over zijn eventuele verblijfsrecht. Tevens heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring verklaard in Italië een negatieve beslissing te hebben ontvangen. Dat de Eurodac-hit uit 2015 is, doet geen afbreuk aan het concrete aanknopingspunt. Bovendien is niet gebleken dat eiser de Europese Unie heeft verlaten. Verweerder mag aan de hand van de concrete aanknopingspunten de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opleggen en hem mag tijd worden gegund om te onderzoeken of eiser kan worden overgedragen aan Italië. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat verweerder op 6 augustus 2020 een claimverzoek bij de Italiaanse autoriteiten heeft ingediend.

5. Verweerder heeft de bewaring terecht gebaseerd en ook laten voortduren op grond van artikel 59a van de Vw. Dat eiser een asielverzoek heeft ingediend, doet daaraan niet af. Bij een samenloop van mogelijke bewaringsgrondslagen gaat artikel 59a van de Vw voor, zoals ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld in de uitspraak van 28 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2162).

6. Tegen de gronden van de maatregel van bewaring voert eiser aan dat de gronden 3a en 3d onterecht zijn. Eiser komt uit strafrechtelijke detentie en wil asiel aanvragen. Hij heeft nimmer documenten gehad en stelt dat op basis van zijn vingerafdrukken zijn identiteit voldoende duidelijk is geworden. Ten aanzien van de lichte gronden betoogt eiser dat hij in detentie zit (eerst strafrechtelijk en thans vreemdelingrechtelijk) en niet kan beschikken over geld of een vaste woon- of verblijfplaats.

7. Niet is betwist dat eiser in 2015 via Libië illegaal met de boot naar Italië is gegaan en hij zonder geldige identiteitsdocumenten Nederland is binnengekomen. Hiermee is hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen waarmee de grond 3a hem terecht is tegengeworpen. Ook is eiser blijkens Justitiële Documentatie door de politierechter veroordeeld voor het opzettelijk gebruik maken van een vals/vervalst geschrift. Ook de gronden 3g en 4e zijn hem gelet hierop terecht tegengeworpen.

8. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor besproken gronden reeds voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en aan te nemen dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan de overdracht zal onttrekken. De rechtbank overweegt daarbij dat er zeer weinig bekend is over waar eiser de afgelopen vier jaar heeft verbleven en hij zich hiermee heeft onttrokken aan het vreemdelingentoezicht van de lidstaten van de Europese Unie.

9. De grond die eiser heeft aangevoerd tegen de (on)volledigheid van het terugnameverzoek, dient hij aan te voeren in een procedure met betrekking tot de overdracht. Hetgeen eiser aanvoert, kan niet leiden tot de onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring.

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is gedaan op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.