Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8058

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-05-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
C/09/586738 / FA RK 20-48
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gezagsuitoefening en zorgregeling. Verzoek moeder om verhuizing (terugkeer) naar Canada (en aanvraag paspoort minderjarige) toegewezen. Aanhechten vaststellingsovereenkomst met afspraken tijdens mediation overeengekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 20-48

Zaaknummer: C/09/586738

Datum beschikking: 25 mei 2020

Gezagsuitoefening

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 2 januari 2020 ingekomen verzoek van:

[Y] ,

de vader,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. M. Groenleer te ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X] ,

de moeder,

wonende te ’ [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. G.B. van de Bunt te ‘s-Gravenhage.

Procedure

Bij beschikking van [datum beschikking] 2020 van deze rechtbank is mevrouw drs. A. van Teijlingen benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige [voornaam minderjarige] en is de behandeling van de verzoeken van de beide ouders pro forma aangehouden tot 15 april 2020.

De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook:

  • -

    het verslag van de bijzondere curator van 12 april 2020;

  • -

    het F9-formulier met bijlage van 27 april 2020 van de zijde van de moeder;

  • -

    het F9-formulier met bijlagen van 28 april 2020 van de zijde van de vader.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikkingen is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Thans ligt aan de rechtbank nog voor:

- de verzoeken van de vader:

I de volgende omgangsregeling tussen hem en [voornaam minderjarige] vast te stellen:
- de moeder is verplicht de vader wekelijks te informeren over het welzijn
van [voornaam minderjarige] , per e-mail met tenminste informatie over ontwikkeling op het
gebied van school, sport, sociale vaardigheden, gezondheid, creativiteit etc.
en met tenminste wat foto’s van [voornaam minderjarige] .
- de moeder is verplicht ervoor te zorgen dat [voornaam minderjarige] de beschikking heeft
over een tablet/ipad met voldoende internetbundel en zorgt voor afdoende
aansluiting/hub/modem in huis met voldoende
bandbreedte/upload/download snelheid zodat de vader en [voornaam minderjarige]
fatsoenlijk kunnen skypen met elkaar, met degelijk beeld en geluid.
- de vader is eens per jaar 20 dagen aaneengesloten of twee maal per jaar 10
dagen aaneengesloten in Canada bij [voornaam minderjarige] tijdens de Canadese
schoolvakanties.
- [voornaam minderjarige] en de vader hebben een Skypecall elke zondag Canadese 09:00 tijd
is 17:00 Nederlandse tijd.

II de moeder te veroordelen voorafgaand aan haar vertrek € 3.800,- op rekening
[rekeningnummer] te storten.

III de moeder te veroordelen elke maand, te beginnen de eerste van de maand
volgende op haar aankomst in Canada, € 300,- te storten op rekening
[rekeningnummer] ;

- de verzoeken van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming, in plaats van de toestemming van de vader, voor de aanvraag van een paspoort voor [voornaam minderjarige] en tot terugkeer naar Canada met [voornaam minderjarige] .

In de door vader overgelegde stukken van 28 april 2020 verzoekt hij aanvullend om vervangende toestemming om [voornaam minderjarige] door een kinderpsycholoog te laten behandelen.

De rechtbank wijst dit verzoek van de vader af wegens strijd met de goede procesorde: niet alleen is het verzoek zonder toestemming van de rechtbank ingediend (er is slechts gelegenheid geboden een reactie te geven op het verslag van de bijzondere curator), ook heeft de moeder niet meer de gelegenheid gehad hierop te reageren.

Vanwege proceseconomische redenen behandelt de rechtbank hierna allereerst de verzoeken van de moeder betreffende vervangende toestemming voor terugkeer naar Canada en aanvraag van een paspoort voor [voornaam minderjarige] .

Terugkeer (verhuizing) naar Canada en aanvraag paspoort

Rechtsmacht

De eerste vraag die ter beantwoording voorligt is of de Nederlandse rechter bevoegd is van de verschillende verzoeken kennis te nemen. Op grond van artikel 8 Verordening (EG) nr. 2201/2003, van 27 november 2003, betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II bis), zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

Het begrip “gewone verblijfplaats” in artikel 8 lid 1 Brussel II-bis moet volgens het Hof van Justitie van de EU aldus worden uitgelegd dat het de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet worden bepaald aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. De bedoeling van de ouders om zich met het kind in een andere lidstaat te vestigen, waaraan uiting is gegeven door bepaalde tastbare maatregelen zoals de koop of de huur van een woning of de aanvraag voor een sociale woning in de lidstaat van ontvangst, kan een aanwijzing zijn voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats. Voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats naar de lidstaat van ontvangst geldt vooral de wens van betrokkene om daar het permanente of gewone centrum van zijn belangen te vestigen met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen. De duur van het verblijf kan bij de beoordeling van de bestendigheid van de verblijfplaats dus slechts een aanwijzing vormen. Bovendien kan de leeftijd van het kind van bijzonder belang zijn. Doorgaans is de omgeving van een jong kind in wezen een familiale omgeving. Voor deze omgeving is of zijn bepalend de persoon of personen bij wie het kind woont, die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen. (Zie ECLI:NL:XX:2009:BI0835 Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 2 april 2009, zaak C-523/07 en ECLI:NL:XX:2010:BP0411 Hof van Justitie van de Europese Unie, 22 december 2010, zaak C497/10PPU).

De rechtbank acht bij deze beoordeling van belang dat [voornaam minderjarige] in Nederland is geboren, in Nederland het overgrote deel van haar leven woonachtig is geweest en de Nederlandse taal spreekt. Haar familie van vaderszijde en van moederszijde zijn in Nederland woonachtig. De moeder is met het gezin bijna 1,5 jaar geleden naar Nederland gekomen en sinds 16 april 2019 staat het gezin in Nederland ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Dat het initiële doel van het verblijf een kortdurend familiebezoek is geweest doet aan het vorenstaande niet af. Immers sinds juni 2019 volgt [voornaam minderjarige] ook onderwijs in Nederland en mede door de inzet van de moeder is zij voor het huidige schooljaar toegelaten tot de zogenoemde [topklas] . De rechtbank is dan ook van oordeel dat gezien deze feiten en omstandigheden [voornaam minderjarige] haar gewone verblijfplaats op het tijdstip van indiening van het inleidend verzoek in Nederland was en dat de rechtbank bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.

Inhoudelijk

De moeder heeft aangegeven dat zij graag met [voornaam minderjarige] en de rest van haar gezin wil terugkeren naar hun leven, huis en familie in Canada, nadat zij inmiddels - ongewild, vanwege gezondheidsproblemen van de moeder - al bijna 1,5 jaar in Nederland verblijven. Door financiële problemen verblijft het gezin telkens in verschillende tijdelijke vakantie- en huurwoningen in (de omgeving van) [plaats] . Volgens de moeder is altijd duidelijk aan de vader gecommuniceerd dat het de bedoeling is om met [voornaam minderjarige] naar Canada terug te keren. De terugkeer naar Canada wordt volgens de moeder bemoeilijkt doordat [voornaam minderjarige] niet meer beschikt over een geldig paspoort, aangezien de vader zijn toestemming voor afgifte van het Nederlandse paspoort van [voornaam minderjarige] omstreeks eind november 2019 heeft ingetrokken.

De vader stemt niet in met de verhuizing van [voornaam minderjarige] naar Canada en betwist in dit verband dat de moeder een noodzaak heeft om te verhuizen. Daarnaast stelt de vader dat de moeder de verhuizing onvoldoende, en zonder zijn toestemming, heeft voorbereid. Volgens de vader biedt de moeder hem onvoldoende waarborgen die ervoor zorgen dat hij, ingeval [voornaam minderjarige] terugkeert naar Canada, het door hem gewenste contact met [voornaam minderjarige] zal hebben waar hij ook recht op heeft. De vader vreest dat hij zijn dochter dan (definitief) kwijtraakt. Contactherstel op afstand is volgens de vader vrijwel onmogelijk, waardoor [voornaam minderjarige] zal opgroeien zonder (biologische) vader en waarschijnlijk met een negatief vaderbeeld. Volgens de vader is de gewenste terugverhuizing niet in het belang van [voornaam minderjarige] ’s ontwikkeling en ‘worteling’. [voornaam minderjarige] is in haar leven immers al veelvuldig verhuisd en van school gewisseld. Op dit moment woont ze dichtbij haar opa en oma (moederszijde) en zit ze op een school die al veel energie in [voornaam minderjarige] heeft gestoken. Vanwege de angst voor ontvoering weigert de vader tenslotte toestemming te geven voor de aanvraag van een nieuw paspoort voor [voornaam minderjarige] .

De rechtbank stelt op basis van de dossierstukken en wat ter zitting is besproken vast dat partijen in december 2014 zijn overeengekomen dat de moeder met [voornaam minderjarige] naar Canada mocht verhuizen en dat zij om die reden op 30 december 2014 het eerdere, bij de echtscheiding overeengekomen ouderschapsplan hebben herzien. In april 2015 zijn de moeder, haar Canadese echtgenoot, [voornaam minderjarige] en haar halfzusje [halfzusje 1] naar Canada verhuisd en hebben zij daar een appartement gehuurd. [voornaam minderjarige] is op school ingestroomd in ‘grade 1’, de klas na de ‘kindergarten’, en heeft vervolgens grade 2, 3 en 4 in Canada gevolgd. In de jaren 2015-2017 verbleven de moeder en [voornaam minderjarige] in Canada op basis van een toeristenvisum en in de zomer van 2017 is gestart met de immigratieprocedure voor het verkrijgen van een permanente verblijfsvergunning. De vader heeft op 30 maart 2018 schriftelijk toestemming verleend voor het starten van deze procedure van [voornaam minderjarige] in Canada.

In augustus 2015 is in Canada het tweede halfzusje van [voornaam minderjarige] , [halfzusje 2] , geboren. De moeder ontvangt in Canada ‘child support’ (kinderbijslag) voor de drie minderjarige kinderen.

Op de zitting van 7 februari 2020 heeft de moeder verklaard dat zij in Canada een eigen coaching praktijk wil starten. Vanwege haar gezondheidsproblemen (astma) is het volgens de moeder niet haalbaar voor haar om in een reguliere functie en werkritme te functioneren. Verder heeft de moeder verklaard dat haar echtgenoot, die tot een paar jaar terug partner van een verzekeringsmaatschappij was, enige tijd geleden arbeidsongeschikt is geraakt en op deze grond een Canadese invaliditeitsuitkering ontvangt. Volgens de moeder is deze uitkering niet exporteerbaar en heeft het gezin bij emigratie naar Nederland dan ook geen recht op deze uitkering. De uitkeringsverstrekkende instantie is op de hoogte van de huidige situatie van het gezin.

In december 2018 is de moeder met het gezin naar Nederland gekomen voor familiebezoek/vakantie. Hoewel de planning was dat ze op 7 februari 2019 weer naar Canada zouden terugvliegen, stelt de moeder dat zij op de geplande retourdatum niet konden vliegen vanwege haar hevige astmaklachten. Nu zij noodgedwongen langer in Nederland moesten blijven is [voornaam minderjarige] op 16 april 2019 ingeschreven in de BRP. Vanwege de leerplicht zit [voornaam minderjarige] sinds juni 2019 in Nederland op de [naam school] en ze is inmiddels ook toegelaten tot de ‘ [topklas] ’. De vader had vanaf december 2018 op regelmatige basis contact met [voornaam minderjarige] . Hier is verandering in gekomen na een incident bij de vader thuis. Vanaf dat moment verliep de omgang stroef; in november 2019 is de omgang geheel gestopt.

De moeder was voornemens om op 11 december 2019 met het gezin (permanent) terug te vliegen naar Canada en zij stelt de vader hierover te hebben geïnformeerd. De vader stelt echter dat hij op 18 november 2019 telefonisch van de moeder te horen kreeg dat zij en haar gezin voor een periode van zes tot acht maanden naar Canada wilden vertrekken, waarbij zij verschillende vertrekdata zou hebben genoemd. De vader heeft vervolgens zijn toestemming voor afgifte van het Nederlandse paspoort van [voornaam minderjarige] ingetrokken, waarmee het paspoort van [voornaam minderjarige] van rechtswege ongeldig is geworden. Op 10 december 2019, de dag voor het geplande vertrek naar Canada, is de vader naar de woning van de moeder en [voornaam minderjarige] gegaan. Dit bezoek liep uit de hand en de hulp van de politie moest worden ingeroepen om escalatie te voorkomen. De vader en [voornaam minderjarige] hebben elkaar toen voor het laatst gezien.

Nu de vader geen toestemming verleent voor de verhuizing/terugkeer naar Canada, dient de rechtbank, gelet op artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (BW), een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarige [voornaam minderjarige] wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie (onder meer HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901) volgt dat bij de beslissing over vervangende toestemming voor verhuizing van een kind alle omstandigheden van het geval in acht moeten worden genomen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen.

Op grond van de stukken, wat ter zitting is besproken, hetgeen [voornaam minderjarige] in raadkamer aan de rechters heeft verteld, het verslag van de bijzondere curator en de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing met de minderjarige dient te worden toegewezen.

Gelet op de verklaringen van zowel de moeder als [voornaam minderjarige] , het feit dat de moeder en haar echtgenoot in Canada hun huurwoning hebben aangehouden, hun afhankelijkheid van Canadese (sociale uitkering) inkomsten en de omstandigheid dat [voornaam minderjarige] vanaf 5 maart 2019 middels ‘online scholing’ haar Canadese schooljaar 2018-2019 van ‘grade 5’ heeft doorlopen, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de moeder en het gezin altijd de intentie hadden tot terugkeer naar Canada. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder daarbij voldoende gemotiveerd aangevoerd dat het voor haarzelf en [voornaam minderjarige] ook noodzakelijk is om terug te keren naar Canada: zij hebben daar een woning/een thuis, inkomen, school, sport, vrienden, (schoon)familie. In Nederland beschikt het gezin niet over een permante woning en evenmin over werk of een andere inkomensbron. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering die de partner van de moeder ontvangt niet langer uitbetaald wordt als het gezin zich definitief in Nederland vestigt. Verder acht de rechtbank van belang dat [voornaam minderjarige] zelf nadrukkelijk heeft aangegeven, zowel in raadkamer als in gesprek met de bijzondere curator, dat zij (heel) graag terug wil naar Canada.

Bij de afweging van alle betrokken belangen neemt de rechtbank tevens in aanmerking het recht en de wens van de vader op contact met en zorg voor zijn dochter [voornaam minderjarige] . Op dit moment verloopt dat contact al geruime tijd moeizaam en het door de bijzondere curator georganiseerde ‘herstelgesprek’ was voor de vader erg teleurstellend, zo begrijpt de rechtbank uit de schriftelijke reactie van de vader. De vader bestempelt het contact met zijn dochter tijdens dat gesprek als ‘vijandig’. De vader voelt zich als ouder van [voornaam minderjarige] verstoten en zou graag zien dat [voornaam minderjarige] in Nederland blijft, omdat hij haar anders kwijtraakt. Ondanks deze problematiek is de rechtbank van oordeel dat het belang van moeder om met het gezin terug te keren naar Canada en tevens de wens van [voornaam minderjarige] om terug te keren naar haar leven in Canada zwaarder moeten wegen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat herstel van de relatie en het contact met [voornaam minderjarige] ook kan worden vormgegeven op afstand, bijvoorbeeld door communicatie via e-mail, WhatsApp en (beeld)bellen. Deze wijze van communicatie hebben de beide ouders zelf ook voor ogen, zo blijkt uit de door hen in april 2020 bij de bijzondere curator overeengekomen vaststellingsovereenkomst. Daarnaast kan de vader periodiek naar Canada reizen om tijd met zijn dochter door te brengen, of kan [voornaam minderjarige] naar Nederland toe komen om bij haar vader te zijn. De vader kan op afstand (door de moeder) betrokken worden bij de zorg voor [voornaam minderjarige] en het nemen van gezagsbeslissingen.

Bij dit alles geldt echter, zoals ook de bijzondere curator heeft gesteld, dat het noodzakelijk is dat de beide ouders gezamenlijk gaan werken aan het onderliggende probleem van de verstoorde relatie tussen de vader en [voornaam minderjarige] enerzijds en het gebrek aan communicatie, wederzijds begrip en vertrouwen tussen beide ouders anderzijds. Zodra hierin verbetering optreedt (en de moeder dit ook uitdraagt naar [voornaam minderjarige] ), verwacht de rechtbank dat dit een positieve uitwerking zal hebben op de relatie tussen de vader en [voornaam minderjarige] . Zolang de ouders niet aan de slag gaan met hun onderliggende problematiek zal het contact tussen de vader en [voornaam minderjarige] hoogstwaarschijnlijk niet verbeteren. De rechtbank is van oordeel dat het geen wezenlijk verschil behoeft uit te maken of de moeder met [voornaam minderjarige] in Nederland woont of in Canada, waardoor de rechtbank het door de vader gesteld belang in het licht van de overige belangen niet dusdanig zwaarwegend acht om de verzochte toestemming voor de verhuizing van [voornaam minderjarige] af te wijzen.

Aangezien de rechtbank het verzoek om vervangende toestemming om te verhuizen zal toewijzen, zal zij op grond van artikel 34 van de Paspoortwet ook het verzoek om vervangende toestemming om een paspoort voor [voornaam minderjarige] toewijzen. Een paspoort is immers in het belang van [voornaam minderjarige] vanwege haar terugkeer naar Canada.

De rechtbank zal de vervangende toestemming voor de verhuizing en het paspoort uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Het is echter afhankelijk van de geldende maatregelen rond de Coronacrisis (in zowel Nederland als Canada) op welk moment de moeder en [voornaam minderjarige] daadwerkelijk naar Canada kunnen terugvliegen. De rechtbank gaat in dit kader voorbij aan de wens van de vader om de vervangende toestemming pas over drie maanden te laten ingaan, omdat de rechtbank het in het belang van [voornaam minderjarige] en het gezin acht dat zij zo snel mogelijk kunnen terugkeren naar Canada, te meer nu zij al geruime tijd in onzekerheid verkeren over hun toekomst en de rechtbank ook zelf in het gesprek met [voornaam minderjarige] heeft ervaren dat zij daarvan zeer veel last heeft.

Zorg- contact- en informatieregeling

Uit het rapport van de bijzondere curator komt naar voren dat [voornaam minderjarige] nog steeds erg boos is op haar vader en geen behoefte heeft aan contact met hem. Dit heeft [voornaam minderjarige] - onder begeleiding van de bijzondere curator - ook tegen haar vader verteld tijdens een gesprek met hem, waardoor er geen ruimte was om te werken aan herstel van de onderlinge relatie. Daarnaast is uit de gesprekken van de bijzondere curator met zowel de vader als de moeder en haar echtgenoot alsmede vier mediationgesprekken (met een externe mediator) gebleken dat het onderling vertrouwen tussen de beide ouders ontbreekt. Desondanks zijn partijen erin geslaagd om in een vaststellingsovereenkomst afspraken te maken over de onderlinge communicatie en de wijze waarop contact tussen de vader en [voornaam minderjarige] zou moeten plaatsvinden. Voor een goede uitvoering van de vaststellingsovereenkomst pleit de bijzondere curator ervoor dat partijen hulp gaan zoeken bij het herstel van het onderling vertrouwen en het contact tussen de vader en [voornaam minderjarige] . Volledig commitment van de beide ouders is hiervoor wel vereist.

De rechtbank constateert dat partijen in december 2014 - met het oog op de emigratie van de moeder met [voornaam minderjarige] naar Canada - een gewijzigd ouderschapsplan zijn overeengekomen, waarin onder meer afspraken zijn gemaakt over een internationale omgangsregeling, de kostenverdeling (reisbudget te reserveren door de moeder) en een informatie-, consultatie- en communicatieregeling.

In aanvulling op het ouderschapsplan hebben partijen in de vaststellingsovereenkomst concrete invulling gegeven aan de communicatie-, informatie- en consulatieverplichtingen, waaronder afspraken over wekelijks (beeld)belcontact tussen de vader en [voornaam minderjarige] .

Nu de rechtbank van oordeel is dat hetgeen partijen zijn overeengekomen niet in strijd is met de belangen van [voornaam minderjarige] zal zij de vaststellingsovereenkomst in de beschikking opnemen.

De rechtbank ziet in hetgeen partijen in de procedure nader hebben verzocht geen aanleiding om het ouderschapsplan zoals partijen die in 2014 met het oog op de verhuizing naar Canada zijn overeengekomen ook anderszins (verdergaand dan de tussen partijen overeengekomen vaststellingsovereenkomst) te wijzigen. Naar het oordeel van de rechtbank wordt met de afspraken in het ouderschapsplan en de vaststellingsovereenkomst al voorzien in hetgeen de vader verzoekt, zodat de rechtbank de verzoeken van de vader zal afwijzen. Het is aan de beide ouders om het ouderschapsplan en de vaststellingsovereenkomst na te komen. Hieruit vloeit onder meer voort dat de moeder, in het licht van de gemaakte afspraken, in Canada zal moeten zorgdragen voor afdoende apparatuur en een goede internetverbinding (zodat de vader en [voornaam minderjarige] probleemloos contact met elkaar kunnen houden) en dat zij, afhankelijk van haar inkomen, reisbudget voor de vader reserveert.

Het is in het belang van [voornaam minderjarige] dat, ondanks haar weerstand hiertegen, het contact met haar vader wordt hersteld en dat zij elkaar ook af en toe gaan zien. De rechtbank spreekt dan ook de hoop uit dat partijen het dringende advies van de bijzondere curator gaan opvolgen en hulpverlening gaan inschakelen om, in het belang van [voornaam minderjarige] , te gaan werken aan verbetering van de onderlinge relatie en het contact tussen de vader en zijn dochter.

Bijzondere curator

Uit het voorgaande volgt dat vertegenwoordiging van [voornaam minderjarige] door de bijzondere curator niet meer nodig is. De rechtbank zal de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure beëindigen.

Beslissing

De rechtbank:

*

verleent aan de moeder toestemming, die de toestemming van de vader vervangt, om met de

minderjarige [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , naar

Canada te verhuizen/terug te keren;

*

verleent aan de moeder toestemming, die de toestemming van de vader vervangt, voor het aanvragen van een paspoort voor [voornaam minderjarige] ;

*

bepaalt dat de tussen partijen gemaakte afspraken, neergelegd in de (in fotokopie) aan deze beschikking gehechte vaststellingsovereenkomst, deel uitmaken van deze beschikking;

*

beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;

*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. Sluymer, mr. L. Koper, mr. Y.C. Bours, kinderrechters, bijgestaan door mr. M.G.J. Konings als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 mei 2020.