Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8004

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
24-08-2020
Zaaknummer
09/852075-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor een verkrachting en een aanranding van twee vrouwen in de woning van de veroordeelde tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden en een vrijheidsbeperkende maatregel. Verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/852075-19

Datum uitspraak: 21 augustus 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1967 te [geboorteplaats 1] ,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 7 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. van Diemen en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman mr. P.F.D.P. de Milliano naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 maart 2019 te Rijnsburg, gemeente Katwijk,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid, te weten (door) te zeggen "jij gaat niet weg" en/of "als

jij gaat gillen ga ik je slaan" en/of door te worstelen en/of op het lichaam

te liggen/zitten en/of de hals vast te pakken en/of in de hals te knijpen

en/of te zeggen "ik ga een mes pakken" en/of (daarbij) richting de keuken te

lopen, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer

handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] ,

te weten het duwen/brengen en/of op en neer bewegen van zijn, verdachtes,

vinger(s) in de anus en/of de vagina van [slachtoffer 1] ;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 maart 2019 te Rijnsburg, gemeente Katwijk,

[slachtoffer 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door te zeggen "jij gaat niet weg" en/of op het lichaam [slachtoffer 1] te

zitten/liggen en/of de keel vast te pakken/vast te houden en/of te zeggen "als

je nog een keer gaat gillen, ga ik je slaan" en/of zeggen "ik ga een mes

pakken" en/of (daarbij) richting de keuken te lopen;

2.

hij op of omstreeks 04 februari 2019 te Rijnsburg, gemeente Katwijk,,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid, te weten het zeggen "je bent een bloedgeil wijf" en/of

"je windt me op" en/of het duwen tegen de schouders en/of het bovenop het

lichaam gaat zitten en/of het onverhoeds de hand onder de kleding brengen

en/of het brengen van zijn mond naar haar mond en/of het knijpen in de

hals/keel en/of het zeggen "ik maak je af en ik weet een plekje waar in je kan

dumpen" en/of "je weet niet met wie je te maken hebt" en/of "je moet niet

denken dat ik bang ben voor de politie, want ik schiet ze neer, ik heb een

pistool, moet ik hem pakken",

[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer

ontuchtige handelingen, te weten het zoenen op de mond en/of het vastpakken

en/of betasten van de borst(en);

3.

hij op of omstreeks 04 februari 2019 te Rijnsburg, gemeente Katwijk,

[slachtoffer 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door het knijpen in de hals/keel en/of het zeggen "ik maak je af en ik weet

een plekje waar in je kan dumpen" en/of "je weet niet met wie je te maken

hebt" en/of "je moet niet denken dat ik bang ben voor de politie, want ik

schiet ze neer, ik heb een pistool, moet ik hem pakken";

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde, behoudens de onder feit 2 genoemde bedreigingen. Van dit gedeelte van de tenlastelegging heeft zij vrijspraak gevorderd.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Op de specifieke (bewijs)verweren van de verdediging zal de rechtbank – voor zover relevant – hierna ingaan.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.3.1

Feit 1

Verklaring aangeefster

[slachtoffer 1] heeft het volgende verklaard. Op 14 maart 2019 had zij een date met [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) in zijn woning in Rijnsburg. De bedoeling was een kopje thee drinken en een massage. Ze gingen naar de slaapkamer. [slachtoffer 1] trok haar kleding uit en hield haar lingerie, bestaand uit een bh en een bodystocking, aan. De verdachte vroeg haar of hij de bh en de bodystocking bij haar rug los mochten, en toen begon de massage. De verdachte zei tegen [slachtoffer 1] dat hij haar billen en haar voorkant ook wilde masseren, waarop [slachtoffer 1] hem vroeg of dat voor hem oké was, en of hij het nog onder controle had. Zij vroeg hem dit, omdat ze bij een vorige afspraak met de verdachte had gemerkt dat hij zijn emoties niet onder controle had. [slachtoffer 1] heeft zich vervolgens omgedraaid en de verdachte deed haar bodystocking en bh uit, wat zij toeliet. De verdachte heeft vervolgens verschillende handelingen bij haar verricht, zoals het kussen van haar borsten, het oraal bevredigen en kussen op de mond. Dit heeft [slachtoffer 1] , ondanks dat dit niet de afspraak was, laten gebeuren. [slachtoffer 1] wilde zich vervolgens aankleden om weg te gaan. De verdachte zei hierop tegen haar: ‘jij gaat niet weg’. Hij vroeg haar of hij haar weer mocht beffen, waarop [slachtoffer 1] zei dat ze dat niet wilde. De verdachte stond op en deed de deur van de slaapkamer dicht. [slachtoffer 1] heeft vervolgens een flesje parfum van het nachtkastje gepakt en richtte het op hem alsof ze zou gaan sprayen. De verdachte pakte een flesje deodorant en zo stonden ze tegenover elkaar. Hij legde de deo weer weg, [slachtoffer 1] pakte die op en sprayde daarmee in zijn ogen. [slachtoffer 1] belandde weer op bed met de verdachte op haar en heeft geprobeerd de verdachte met haar voeten van zich af te duwen. De verdachte had haar keel vast, hij had haar vastgepind op het bed en er ontstond een worsteling. [slachtoffer 1] begon te schreeuwen, waarop de verdachte zei dat als zij nog een keer zou schreeuwen, hij haar zou slaan. De broek van de verdachte was inmiddels los. [slachtoffer 1] bleef worstelen en wilde hem van haar afduwen, maar het lukte niet. Op een gegeven moment heeft ze zijn penis vastgepakt om erin te knijpen. De verdachte zat vervolgens met zijn vingers in haar kont en in haar vagina te duwen. De verdachte zei tegen haar: ‘laat mij jou alleen dan zien’ en vroeg haar of zij haar benen open wilde doen. De verdachte heeft zich vervolgens afgetrokken en is klaargekomen. Hij zat op dat moment geknield voor [slachtoffer 1] , met zijn lichaam aan haar linkerbeen. [slachtoffer 1] zei tegen de verdachte dat hij haar pijn had gedaan. Hierna zei de verdachte tegen haar dat hij haar wilde terugpakken en dat hij een mes ging pakken. Hij stond op en liep richting de keuken. [slachtoffer 1] zag toen haar kans om te vluchten en is naakt het huis uitgerend en heeft bij een buurvrouw 112 gebeld.2

Verklaring buurvrouw

[naam 1] heeft verklaard dat iemand in de middag van 14 maart 2019 naakt voor haar voordeur stond, op de deur klopte en aan haar vroeg of ze de politie mocht bellen. Deze vrouw vertelde dat ze op het adres met nummer 18 was geweest, hier woont de verdachte. De vrouw kwam op [naam 1] over als een beetje in paniek. Ze deed heel zenuwachtig en was een beetje aan het trillen.3

Bevindingen politieambtenaar op 14 maart 2019

Op 14 maart 2019 zijn politieambtenaren naar aanleiding van een melding bij de centrale meldkamer naar het adres van [naam 1] en het adres van de verdachte gegaan. In de woning van [naam 1] trof een politieambtenaar een vrouw aan die vertelde dat zij voor de tweede keer een afspraak had met de meneer op nummer 18 via datingsite ‘ [naam 2] ’, dat zij nu een tweede date hadden en dat zij op bed gemasseerd werd door hem. Het masseren ging over in beffen en de man wilde meer. Toen zij aangaf dat zij dat niet wilde, kreeg hij een rare blik in zijn ogen en wilde hij haar verkrachten. De vrouw heeft zich vervolgens verweerd en geprobeerd zich los te worstelen. Zij heeft hem daarbij in zijn ballen geknepen en heeft geprobeerd met deodorant in zijn ogen te spuiten.4

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij voor de tweede keer met [slachtoffer 1] had afgesproken, via datingwebsite [naam 2] . [slachtoffer 1] had last van spierpijn en wilde gemasseerd worden. Ze zijn naar de slaapkamer gegaan, ze heeft zich uitgekleed tot haar lingerie en de verdachte heeft haar schouders gemasseerd. Hij heeft daarna haar borsten gemasseerd en zij liet zich door hem oraal bevredigen. Toen hij klaar was met masseren, zei ze dat ze naar huis moest. Hij vroeg haar of ze nog even bij elkaar konden liggen. Zij zei hem dat ze een beangstigend gevoel kreeg van zijn ogen, pakte een fles Dove uit de kast en liet merken dat ze het niet wilde en dat ze bang van hem was. Ze stond met de bus deo in haar hand alsof ze in zijn ogen ging spuiten. De verdachte heeft verklaard dat hij haar toen hardhandig heeft aangepakt en op bed heeft gegooid. Ze hebben een kleine worsteling op bed gehad, waarbij [slachtoffer 1] hem in zijn kruis heeft gepakt, en waarna hij zichzelf heeft bevredigd. Hij heeft haar gezegd dat ze hem zo gek had gemaakt en vroeg haar om naar hem te kijken tijdens het aftrekken. De spanning was volgens de verdachte door alle dingen nogal opgelopen.5

Verschillende lezingen

De rechtbank kan op basis van de verklaringen van [slachtoffer 1] en de verdachte vaststellen dat zij elkaar in de middag van 14 maart 2019 hebben ontmoet in de woning van de verdachte. Op grond van die verklaringen staat ook vast dat sprake is geweest van fysiek seksueel contact. De verdachte heeft [slachtoffer 1] over haar hele lichaam gemasseerd en heeft haar – met haar goedvinden – oraal bevredigd en gezoend op de mond. [slachtoffer 1] en de verdachte verklaren ook allebei dat kort daarna een moment is gekomen dat [slachtoffer 1] weg wilde gaan, dat zij kenbaar heeft gemaakt dat ze bang voor de verdachte was en dat zij een fles deodorant in haar handen heeft gehad en die ook heeft gericht op de verdachte. Hierna zijn zij weer op bed terechtgekomen en is een worsteling tussen hen ontstaan.

De lezingen over hetgeen hierna is gebeurd, liggen op enkele punten uiteen. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte haar heeft gepenetreerd met meerdere vingers, terwijl de verdachte dit ontkent. De verdachte heeft ook ontkend dat hij tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd dat zij niet weg mocht, dat hij heeft gezegd dat hij haar zou slaan en dat hij haar bij de hals heeft gepakt. De verdachte heeft hierover verklaard dat het seksuele contact vrijwillig heeft plaatsgevonden.

Op grond van de verklaringen van [slachtoffer 1] en de verdachte kan de rechtbank verder vaststellen dat de verdachte zichzelf na deze worsteling heeft bevredigd terwijl [slachtoffer 1] nog bij hem op het bed lag. Hierna is de verdachte de kamer uitgelopen en is [slachtoffer 1] naakt het appartement uitgegaan. Zij heeft bij een van de buren aangebeld en is daar naar binnen gegaan.

Gezien de ontkennende verklaring van de verdachte op dit punt, dient de verklaring van aangeefster betrouwbaar te zijn en in voldoende mate te worden ondersteund door ander bewijsmateriaal om aan de bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering te kunnen voldoen.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] driemaal een verklaring heeft afgelegd bij de politie. Haar verklaringen over hetgeen op 14 maart 2019 in de woning is voorgevallen zijn zeer gedetailleerd en consistent. De rechtbank hecht in dit verband waarde aan de verklaring van de buurvrouw [naam 1] , die [slachtoffer 1] ziet en spreekt kort nadat zij uit de woning van de verdachte is gevlucht. Zij beschrijft [slachtoffer 1] als naakt, trillend en licht in paniek. Verder vindt de rechtbank steun voor de verklaring van [slachtoffer 1] in de verklaring van de verdachte over, onder meer, de worsteling die heeft plaatsgevonden op het bed en de daaropvolgende zelfbevrediging door de verdachte. Op deze belangrijke punten sluit de verklaring van de verdachte aan op die van [slachtoffer 1] . Anders dan de raadsman heeft bepleit, is hiermee geen sprake van een situatie waarin het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, slechts volgt uit de verklaring van aangeefster.

Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, inhoudende dat seksuele handelingen met instemming van [slachtoffer 1] hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank niet aannemelijk. Uit zowel de verklaring van de verdachte als die van [slachtoffer 1] volgt dat [slachtoffer 1] op enig moment met woorden als met fysieke uitingen aan de verdachte kenbaar heeft gemaakt dat handelingen tegen haar wil plaatsvonden. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de omstandigheden hieromheen, namelijk de vlucht van [slachtoffer 1] , geheel ontkleed, uit de woning van de verdachte, niet stroken met de door de verdachte geschetste vrijwilligheid bij [slachtoffer 1] . Het dossier bevat verder geen enkel aanknopingspunt dat het door de verdachte geschetste scenario ondersteunt.

Conclusie

Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De verdachte zal (partieel) worden vrijgesproken voor de ten laste gelegde onderdelen ‘ik ga een mes pakken’ en ‘daarbij richting de keuken te lopen’. Deze feitelijke handelingen vonden plaats ná het ten laste gelegde feit, de verkrachting van [slachtoffer 1] , en konden daarmee niet bijdragen aan de verwezenlijking daarvan.

3.3.2

Feiten 2 en 3

Verklaring [slachtoffer 2]

heeft aangifte gedaan van bedreiging en aanranding.
Zij heeft verklaard dat zij op een maandag in februari 2019 met de verdachte had afgesproken om haar met haar nieuwe telefoon te helpen. Toen zij in de woning van de verdachte was, draaide hij de deur op slot en deed hij de sleutel in zijn zak. Ze zijn op de bank naast elkaar gaan zitten, toen zij hem haar telefoon gaf. Hij heeft haar telefoon toen op het tafeltje gelegd en gezegd: ‘je bent een bloedgeil wijf’. Hierop heeft [slachtoffer 2] hem bedankt en de telefoon weer aan hem gegeven, zodat hij deze kon maken. De verdachte zei vervolgens tegen haar: ‘Je windt me op’. Vervolgens duwde hij haar en kroop hij met zijn lichaam op haar. De mond van de verdachte kwam bij de mond van [slachtoffer 2] en zij heeft hierop zijn wangen vastgepakt, met haar handpalm om zijn mond heen om duidelijk te maken dat ze niet gezoend wilde worden. Ze heeft hem vervolgens gezegd dat ze voor haar telefoon kwam, en voor niets anders. Hij zei hier niets op terug, maar ging toen met zijn hand onder haar trui. Hij kwam hierbij op het shirt dat zij onder haar trui aan had, en op haar bh, en raakte haar rechterborst aan. Hierop heeft [slachtoffer 2] hem hard geslagen in het gezicht. De verdachte deed toen zijn beide handen om haar nek en kneep behoorlijk hard. Hij heeft hierbij tegen haar gezegd: ‘ik maak je af en ik weet een plekje waar ik je kan dumpen’, ‘je weet niet met wie je te maken hebt’. [slachtoffer 2] verklaarde dat zij rustig is gebleven en uiteindelijk werd de verdachte ook weer rustig. De verdachte heeft haar nog verder geholpen met haar telefoon en zei later: ‘Je moet niet denken dat ik bang ben voor de politie, want ik schiet ze neer, ik heb een pistool, moet ik hem pakken.’ De verdachte vroeg haar of zij hem bij de bushalte kon afzetten en dit heeft ze gedaan. Hierna is ze naar huis gereden. Door al deze dingen die hij heeft gezegd, door wat hij heeft gedaan en de blik in de ogen van de verdachte, is [slachtoffer 2] bang voor de verdachte. Zij noemt de veranderende blik in zijn ogen heel opvallend. Eerst was de verdachte vriendelijk, daarna kwam de agressieve blik in zijn ogen.6

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] kent via [naam 2] en dat zij bij hem op de koffie is geweest met haar nieuwe telefoon waar ze niets van snapte. Hij heeft haar telefoon opnieuw geïnstalleerd. Ze zat toen naast hem op de bank en hij heeft haar geprobeerd te zoenen op haar mond. Dat wilde ze niet, ze duwde hem gelijk weg en was direct verbaal naar hem toe. Ze heeft hem hard in het gezicht geslagen en er zijn op dat moment woorden gevallen.7 De verdachte heeft ook verklaard dat hij dacht dat het een date was en dat het geen goede zet van hem was geweest om aan haar borsten te zitten. Hij heeft dat gedaan, omdat hij door [slachtoffer 2] geslagen werd.8

Beoordeling van het bewijs

[slachtoffer 2] heeft een verklaring afgelegd bij de politie die gedetailleerd is over hoe het ten laste gelegde heeft plaatsgevonden en wat de rol van de verdachte hierin is geweest. De verklaring van [slachtoffer 2] wordt op enkele punten ondersteund door de verklaring van de verdachte. Zij verklaren gelijkluidend over de manier waarop zij elkaar via [naam 2] hebben ontmoet en over het maken van een afspraak voor het repareren van de telefoon van [slachtoffer 2] . Zij verklaren ook in grote lijnen hetzelfde over het feit dat de verdachte tijdens die afspraak heeft geprobeerd [slachtoffer 2] te zoenen, dat zij hem vervolgens heeft geslagen en dat hij haar borst heeft betast. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar is en als bewijs kan worden gebruikt.

De rechtbank ziet in de verklaring van de verdachte ook voldoende ondersteuning voor de aan hem onder feit 2 ten laste gelegde aanranding van de eerbaarheid van [slachtoffer 2] , door onverhoeds zijn hand onder haar de kleding te brengen en haar borsten te betasten. Dit heeft – volgens voorgenoemde verklaringen – plaatsgevonden nadat [slachtoffer 2] zowel met woorden (door te zeggen dat ze alleen voor de telefoon kwam) als daden (door de verdachte te slaan) kenbaar had gemaakt dat ze geen seksueel contact met de verdachte wilde.


Het (trachten te) zoenen van de mond van [slachtoffer 2] wordt in dit specifieke geval door de rechtbank niet gezien als een ontuchtige handeling. [slachtoffer 2] en de verdachte hadden via [naam 2] een afspraak gemaakt bij de verdachte thuis. Deze afspraak werd door de verdachte als een ‘date’ geïnterpreteerd. Pas vanaf het moment dat [slachtoffer 2] expliciet, in woorden of daden, aangaf dat zij niet van de avances van de verdachte was gediend ontstond naar het oordeel van de rechtbank een situatie waarin de (ten laste gelegde) ontuchtige handelingen uitdrukkelijk een wederrechtelijk karakter kregen.

Ook hier zal de verdachte (partieel) worden vrijgesproken voor een deel van de ten laste gelegde feitelijke handelingen.

Uitspraken en handelingen die de verdachte voorafgaand aan dat moment zou hebben gedaan, zoals ‘je windt me op’, of het duwen tegen de schouders van [slachtoffer 2] , hebben naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende gewicht om te kunnen worden bezien als bedreigend of als een ‘andere feitelijkheid’ die op dat moment bijdroegen aan, dan wel gericht waren op het mogelijk maken van, de ontuchtige handeling. Datzelfde geldt voor de uitlatingen van de verdachte enige tijd ná het incident. Zijn uitlatingen als “ik maak je af en ik weet een plekje waar ik je kan dumpen”, hebben naar het oordeel van de rechtbank niet bijgedragen aan de ontuchtige handeling, zijnde het betasten van de borst van [slachtoffer 2] .

Vrijspraak feit 3, bedreigingen

De geuite bedreigingen die onder feit 3 zijn ten laste gelegd – waarover door [slachtoffer 2] is verklaard, vinden geen steun in enig ander bewijsmiddel. Daarmee constateert de rechtbank dat niet is voldaan aan het bewijsminimum voor deze specifieke uitingen, zodat de verdachte om die reden hiervan dient te worden vrijgesproken. Dit heeft een integrale vrijspraak van het onder feit 3 ten laste gelegde tot gevolg.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

1.

op 14 maart 2019 te Rijnsburg, gemeente Katwijk, door geweld of een andere feitelijkheid en bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door te zeggen "jij gaat niet weg", "als

jij gaat gillen ga ik je slaan" en door te worstelen met [slachtoffer 1], op haar lichaam

te liggen, haar hals vast te pakken en in de hals te knijpen, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] , te weten het brengen en op en neer bewegen van zijn, verdachtes, vinger in de anus en de vagina van [slachtoffer 1] ;

2.

op 4 februari 2019 te Rijnsburg, gemeente Katwijk, door een andere feitelijkheid, te weten het onverhoeds de hand onder de kleding brengen, [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van een

ontuchtige handeling, te weten het betasten van de borsten.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De oplegging van een straf en maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling bij polikliniek De Waag, het geven van toestemming voor referenteninformatie aan de reclassering, een verbod op het bezoeken van datingsites voor zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht en een behandelverplichting voor de autismespectrumstoornis.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd om aan de verdachte een contact- en locatieverbod met aangeefsters op te leggen. Zij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank of dit moet worden opgelegd in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel (ex artikel 38v Sr) of in het kader van het deels voorwaardelijke strafdeel.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de strafoplegging.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting en aanranding. Hij heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van twee vrouwen. Hij heeft met deze twee vrouwen afzonderlijk, via een datingssite, een afspraak gemaakt in zijn woning en voor hen een intimiderende en beangstigende situatie doen ontstaan. De verdachte heeft zich slechts door zijn eigen seksuele behoeften laten leiden en geen enkele waarde gehecht aan de wil van de slachtoffers en de gevolgen die zijn gedragingen voor hen zouden hebben. Naar het oordeel van de rechtbank kan hierop alleen met een gevangenisstraf worden gereageerd.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 9 juli 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Psychologisch rapport

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het psychologisch rapport over de verdachte, opgesteld door dr. [naam 3] , klinisch psycholoog, d.d. 28 mei 2019. Volgens deze gedragsdeskundige lijdt de verdachte aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken. Verder lijdt de verdachte aan het syndroom van Klinefelter. Hij gebruikt testosteronmedicatie (‘Androgel’), waardoor sprake is van enige mate van hyperseksualiteit. Tegelijkertijd kent de verdachte een vermijdende copingstijl met in enige mate het gebruik van seks als coping.

De psycholoog concludeert dat ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van deze gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogen, hetgeen ook in relatie staat tot deze feiten, en adviseert het ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Het recidiverisico wordt geschat op laag tot matig. De psycholoog adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek om te onderzoeken hoe de verdachte situaties zoals die zich onder het bewezen verklaarde hebben voorgedaan, beter kan inschatten, om de verdachte te leren beter met afwijzing om te gaan, en om basisregels van seksualiteit te bespreken. Ook is van belang dat het gebruik van Androgel en de rol hiervan op verdachtes seksuele drang wordt gemonitord.

Reclasseringsadvies

Ook de reclassering schat de kans op herhaling van een seksueel delict in als laag-matig, indien de verdachte de reeds ingezette behandeling bij de forensische polikliniek De Waag zal continueren. De reclassering adviseert in haar rapport van 12 juli 2019 aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden.

Toerekenbaarheid

De rechtbank is van oordeel dat het psychologisch rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusies over de stoornissen van de verdachte, de toerekenbaarheid en het recidiverisico worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt die conclusies van de psycholoog dan ook over en legt deze ten grondslag aan haar beslissing dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

De straf en maatregel

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, waaronder de verminderde toerekenbaarheid, een gevangenisstraf van 12 maanden passend en geboden is. De rechtbank zal een deel van deze straf, voor de duur van 6 maanden, voorwaardelijk opleggen. Dit om begeleiding en behandeling mogelijk te maken. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de verdachte een verbod op het bezoek van datingsites op te leggen, nu dit niet de kern is van de problematiek bij de verdachte, en de door de reclassering geadviseerde voorwaarden voldoende waarborg bieden om het recidiverisico in te perken.

De rechtbank ziet verder aanleiding om ter beveiliging van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in de vorm van een locatieverbod en een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] voor de duur van drie jaar.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan twee zedenmisdrijven, gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet op de aard van de gepleegde misdrijven en het beperkte inzicht dat de verdachte heeft getoond, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan indien hij zijn ambulante behandeling bij De Waag niet voortzet. De begeleiding die de verdachte hiervoor kreeg bij ’s Heeren Loo heeft hem er niet van weerhouden deze feiten te plegen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden, het op grond van art. 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht en de op grond van artikel 38v Sr opgelegde locatie- en contactverboden dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding gevorderd van € 3.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding gevorderd van € 1.838,92, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 88,92 aan materiële schade en € 1.750,- aan immateriële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , vermeerderd met de wettelijk rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Voorts heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek tot schadevergoeding van [slachtoffer 2] , voor zover de vordering betrekking heeft op immateriële schade (€ 1.750,-). Met betrekking tot de gevraagde materiële schade, bestaande uit reiskostenvergoeding gebaseerd op reisbewegingen van 2 personen, heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich – in het verlengde van de bepleite vrijspraak – op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 1]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij is aangevoerd en in aanmerking genomen hetgeen gelet op de ernst van de normschending invoelbaar is en daarom kan worden aangenomen, zal de rechtbank de geleden immateriële schade van de benadeelde partij tot 21 augustus 2020 naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.500,-. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[slachtoffer 2]

Er bestaat alléén recht op vergoeding van ander nadeel dan vermogensnadeel (ook wel: smartengeld) in de limitatief in de wet opgesomde gevallen. Artikel 6:106 lid 1 BW noemt 3 categorieën van gevallen waarin immateriële schadevergoeding/smartengeld kan worden toegekend, waaronder aantasting in de persoon. Hieronder vallen (1) lichamelijk letsel, (2) aantasting van de eer en goede naam en (3) aantasting in de persoon op andere wijze. Aantasting in de persoon op andere wijze kan zijn: (i) geestelijk letsel en (ii) gevallen waarin gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij sprake is van ‘aantasting in de persoon’. Geestelijk letsel levert in het algemeen pas een aantasting in de persoon op zoals bedoeld in artikel 6:106 lid 1 BW, indien bij het slachtoffer sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Het moet in elk geval gaan om méér dan ‘normaal’ psychisch onbehagen (zoals angst, verdriet, machteloosheid, onrust etc.).

Op basis van de onderbouwing van de vordering van [slachtoffer 2] en haar toelichting daarop ter terechtzitting kan de rechtbank niet vaststellen dat sprake is van een aantasting in de persoon, zoals bedoeld in artikel 6:106 BW. Een nadere onderbouwing van de vordering en de beoordeling daarvan zouden een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal [slachtoffer 2] om die reden niet-ontvankelijk verklaring in haar vordering.

De benadeelde partij heeft de gemaakte proceskosten in de vorm van reiskosten voldoende onderbouwd. De rechtbank zal echter bepalen dat alleen de reiskosten van de benadeelde partij zelf voor vergoeding in aanmerking komen. De reiskosten die haar dochter heeft gemaakt, kunnen namelijk niet worden aangemerkt als rechtstreekse schade, zodat de vordering in zoverre niet-ontvankelijk is. De verdachte zal worden veroordeeld in deze kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 14,82 vanaf 1 mei 2019, en over een bedrag van € 29,64 vanaf 7 augustus 2020, beide tot de dag waarover deze bedragen zijn betaald. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

8 De in beslaggenomen goederen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen goederen, te weten beddengoed en een hoeslaken, aan de verdachte dienen te worden teruggegeven.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de in beslag genomen goederen. De verdachte heeft ter terechtzitting van 7 augustus 2020 verklaard dat hij de goederen niet terug wil hebben.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank begrijpt de verklaring van de verdachte zo, dat hij afstand doet van zijn eigendomsrecht op de in beslag genomen goederen. Nu de officier van justitie een last tot teruggave heeft gegeven, zal de rechtbank geen beslissing nemen over de in beslag genomen goederen.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 57, 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

verkrachting

ten aanzien van feit 2:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op 3 (drie) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van een forensische polikliniek De Waag, of soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn persoonlijkheidsstoornissen, vermijdende copingstijl en psychosociale problematiek;

- inzicht verschaft aan de reclassering op de voortgang van zijn behandeling en begeleiding. Hij verleent daarbij toestemming aan de reclassering om de relevante referenten (zoals de behandelend specialist en de behandelaar) tijdens de begeleiding binnen het forensisch kader te raadplegen;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

legt op de maatregel dat de veroordeelde zich voor de duur van 3 (drie) jaren:

- niet zal ophouden in de navolgende gebieden, omsloten door de straten:

 [gebied]

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met

[slachtoffer 1], geboren op [geboortedag 2] 1971 te [geboorteplaats 2] );

[slachtoffer 2], geboren op [geboortedag 3] 1967 te [geboorteplaats 3] ;

beveelt dat vervangende hechtende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

beveelt de dadelijke uitvoerbaarheid van de opgelegde locatie- en contactverboden;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

de vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] deels toe tot een bedrag van € 1.500,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 maart 2019 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 maart 2019 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

[slachtoffer 2]

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot immateriële schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op € 44,46, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 14,82 vanaf 1 mei 2019, en over een bedrag van € 29,64 vanaf 7 augustus 2020, beide tot de dag waarover deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [slachtoffer 2] . Wat betreft de overige gevorderde reiskosten is de benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.W. de Wit, voorzitter,

mr. L. Kelkensberg, rechter,

mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L. Konings, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 augustus 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2019069020, van de politie eenheid Den Haag, Dienst regionale recherche, afdeling thematische opsporing, team zeden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 110).

2 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] , blz. 55-57.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] , blz. 70-71.

4 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 49.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 25-26.

6 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] , blz. 75, 77, 78-80.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 41-42.

8 Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 7 augustus 2020.