Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8003

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
09/172928-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedreiging met een vuurwapen op de openbare weg, verminderde toerekeningsvatbaarheid, oplegging van gevangenisstraf en TBS met voorwaarden en een vrijheidsbeperkende maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/172928-19

Datum uitspraak: 21 augustus 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1971 te [geboorteplaats 1]

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 11 oktober 2019, 3 januari 2020, 27 maart 2020, 12 juni 2020 en 7 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de officieren van justitie, mrs. M. Kampen en C.M. Offers, en van hetgeen de verdachte en zijn raadslieden, mrs. D.W.H.M. Wolters, A.L. Rinsma, S. Petković en M. Kuipers, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 3 januari 2020 het onderzoek gesloten en bij tussenvonnis van 17 januari 2020 het onderzoek heropend en vervolgens geschorst, om de verdachte ter observatie en ter beantwoording van vragen omtrent zijn persoonlijkheid, geestesvermogens en toerekeningsvatbaarheid in het Pieter Baan Centrum te laten opnemen. Het onderzoek is ter terechtzitting van 27 maart 2020 hervat en ter terechtzitting van 7 augustus 2020 gesloten.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij, op of omstreeks 18 juli 2019 te Gouda, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een (gas)pistool, althans een op een wapen gelijkend object, te richten op [slachtoffer] en/of het wapen op het (voor)hoofd van [slachtoffer] te zetten en/of [slachtoffer] bij zijn shirt te pakken en/of uit zijn auto te trekken en/of daarbij (meermalen) (op zeer luide toon) de woorden toe te voegen "ik maak je kapot, ik schiet je dood!!" en/of "ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2

hij, op of omstreeks 18 juli 2019 te Gouda, in elk geval in Nederland, een wapen van art 2 lid 1 categorie III en/of munitie van art 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten (een doorgeladen en/of schietklaar) omgebouwd gas-alarmpistool, fabrikant [naam 1] ., model GT28, kaliber 6.35 en/of bijpassende pistoolmunitie (aantal 4) (merk Geco, kaliber 6.35) voorhanden heeft gehad.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman mr. M. Kuipers (hierna: de raadsman) heeft vrijspraak van de onder feit 1 ten laste gelegde bedreiging bepleit. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de verklaring van aangever en de verklaringen van de getuigen zodanig van elkaar verschillen, dat niet buiten redelijke twijfel vast staat dat de bedreiging met gebruik van een vuurwapen heeft plaatsgevonden. Deze verklaringen zijn volgens de raadsman dan ook onvoldoende betrouwbaar om tot het bewijs te bezigen.

Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde (voorhanden hebben van het vuurwapen), heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.3.1

Aangifte

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 18 juli 2019 op de [locatie] in [gemeente] een lichtgrijze auto in tegengestelde richting zag rijden. Die auto reed tegen een stoepje en kwam naast de auto van [slachtoffer] tot stilstand. De man achter het stuur was erg druk in zijn bewegingen. [slachtoffer] deed zijn raam naar beneden en zag dat de man in zijn hand een pistool had, dat hij op hem richtte. Vervolgens opende de man zijn portier, stapte uit, en hield het pistool op hem gericht. De man trok het portierdeur van de auto van [slachtoffer] open, pakte hem vast bij zijn shirt en zette het pistool op zijn voorhoofd. De man schreeuwde luid: ‘Ik maak je kapot, ik schiet je dood’. De man trok [slachtoffer] vervolgens uit zijn auto, aan zijn shirt. Het pistool was hierbij nog op hem gericht. De man trok hem achter zijn auto langs naar de heg bij een hoekwoning. De man zette het pistool op zijn slaap, en op zijn voorhoofd, en bleef continu herhalen dat hij hem dood zou schieten. De man wilde dat [slachtoffer] bij hem in de auto stapte. Dit deed [slachtoffer] niet, maar uiteindelijk is hij in zijn eigen auto achter de man aangereden en heeft hij ondertussen 112 gebeld. Op het moment dat de man in de auto afsloeg, en uit zicht verdween, is [slachtoffer] door blijven rijden en bij een woning gestopt. [slachtoffer] is daar met een politieagent meegereden naar het politiebureau. Over de man die hem heeft bedreigd, heeft [slachtoffer] verklaard dat dit een Surinaamse man is, ongeveer 1.70-1.75 meter lang, met gouden tanden in zijn mond.2

3.3.2

Getuigenverklaringen

[getuige 1] heeft verklaard dat zij op 18 juli 2019 getuige is geweest van een bedreiging met een vuurwapen. Zij reed over de Zuidelijke Zwarteweg in de richting van de Joubertstraat en moest stoppen voor een rood verkeerslicht. Zij zag een zilvergrijze Peugeot die in de verkeerde richting stond geparkeerd. Deze auto stond stil naast een witte bus, die wel in de goede rijrichting stond. [getuige 1] heeft verklaard dat een donkere man met een vuurwapen uit de Peugeot kwam en naar de bestuurder van de witte bus liep. Deze man trok het portier open, trok aan de bestuurder en hield een vuurwapen op de bestuurder gericht. Er werd geschreeuwd. Even later stapte de donkere man weer in de Peugeot en reed weg. De man in de witte bus reed in dezelfde richting.3

[getuige 2] heeft verklaard dat hij op 18 juli 2019 bij de kruising Voorwillensweg en Joubertslaan een witte bestelbus zag staan met daarnaast een Peugeot geparkeerd. Bij het bestuurdersportier van het vrachtwagentje stond een man te gillen tegen de bestuurder van het vrachtwagentje. Deze man probeerde het bestuurdersportier van het vrachtwagentje open te trekken, pakte vanuit zijn broeksband een pistool en richtte dat door de kier van het raampje op de bestuurder van het vrachtwagentje. De chauffeur deed het portier open en de man trok de chauffeur de auto uit. Even later stapte de man zijn auto in en reed weg in de richting van de Sportstraat. Het kenteken van de man met het vuurwapen was [kenteken] .4

3.3.3

Aanhouding verdachte, aantreffen vuurwapen

Degene op wiens naam de zilveren Peugeot met [kenteken] staat, zou woonachtig zijn op de [adres] . Op de parkeerplaats aldaar, stond deze Peugeot geparkeerd. In de nabijheid van de Peugeot werd een man aangetroffen die voldeed aan het opgegeven signalement. Deze man werd daarop als verdachte aangemerkt. De verdachte is daar aangehouden en in zijn broekzak zijn een wapen en een patroon aangetroffen.5

Het onder de verdachte aangetroffen wapen is onderzocht door de politie en hierbij is vastgesteld dat het gaat om een naar een vuurwapen in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie omgebouwd gas- alarmpistool van het merk [naam 1] met model GT28 van het kaliber 6.35. Ook is vastgesteld dat het mogelijk is om met het wapen scherpe patronen van het kaliber 6.35 mm te verschieten en dat het wapen doorgeladen was. De munitie die onder de verdachte is aangetroffen, kan met dit wapen worden verschoten.6

3.3.4

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij op 18 juli 2019 naar het huis van [slachtoffer] is gegaan, dat hij in de auto achter hem aan is gereden en dat [slachtoffer] van hem moest stoppen. De verdachte heeft ook verklaard dat hij toen dat pistool in zijn zak had en dat daar munitie in zat.7

3.3.5

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 (bedreiging)

De verklaringen van [slachtoffer] zijn vanaf het begin steeds gedetailleerd en consistent geweest en zijn verklaringen vinden op belangrijke onderdelen voldoende bevestiging in de overige hierboven weergegeven bewijsmiddelen. De rechtbank ziet dan ook, anders dan de verdediging heeft bepleit, geen aanleiding de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] in twijfel te trekken.

De verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] komen op wezenlijke onderdelen met elkaar overeen. In de kern verklaren beide getuigen immers over de bedreiging van [slachtoffer] door de verdachte op 18 juli 2019 met een vuurwapen. De verklaringen vinden tot slot deels steun in de aanwezigheid van het vuurwapen in de broekzak van de verdachte. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] onbetrouwbaar te achten.

Op basis van alle voorgaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bedreigen met de dood van [slachtoffer] .

Feit 2 (voorhanden hebben vuurwapen)

De rechtbank acht op basis van de onder 3.3.3 genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 18 juli 2019 in Gouda een wapen en munitie voorhanden heeft gehad, namelijk het ten laste gelegde doorgeladen en omgebouwde gas-alarmpistool van het merk [naam 1] , model GT28, kaliber 6.35 en vier patronen van het merk Geco, kaliber 6.35.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

Hij op 18 juli 2019 te Gouda, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een (gas)pistool, te richten op [slachtoffer] , het wapen op het (voor)hoofd van [slachtoffer] te zetten, die [slachtoffer] bij zijn shirt te pakken, uit zijn auto te trekken en daarbij de woorden toe te voegen "ik maak je kapot, ik schiet je dood!!" en "ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking;

2

hij, op 18 juli 2019 te Gouda een wapen van art 2 lid 1 categorie III en munitie van art 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een doorgeladen en schietklaar omgebouwd gas-alarmpistool, fabrikant [naam 1] ., model GT28, kaliber 6.35 en bijpassende pistoolmunitie (aantal 4) (merk Geco, kaliber 6.35) voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering

De officier van justitie mr. C.M. Offers (hierna: de officier van justitie) heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat de terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) van de verdachte wordt gelast onder de voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr wordt opgelegd voor de periode van vijf jaren, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] , en een locatieverbod voor het gebied omgeven door de [straten] in [plaats] . Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, dient een vervangende hechtenis van vier weken te worden toegepast, met een maximum van één jaar. De officier van justitie heeft dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel gevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de verdachte ten aanzien van beide feiten verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren en aan de verdachte – aansluitend op het rapport van de gedragsdeskundigen – geen tbs-maatregel, maar een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. Het onvoorwaardelijke gedeelte van deze gevangenisstraf dient gelijk te zijn aan de duur van het voorarrest.

De raadsman heeft verzocht geen vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, nu deze maatregel beveiliging van de maatschappij en voorkoming van strafbare feiten als doel heeft en dit volgens de verdediging niet noodzakelijk is.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het bewezen verklaarde

De verdachte heeft op klaarlichte dag en op de openbare weg, nabij een kruispunt waar zich andere weggebruikers bevonden, het slachtoffer bedreigd door tegen hem te schreeuwen en een vuurwapen op hem te richten en tegen zijn hoofd te houden. Uiteindelijk is het slachtoffer, uit angst voor zijn leven, achter de verdachte aangereden en heeft hij de politie ingeschakeld, zodat een einde aan deze bedreigende situatie is gekomen.

Door zijn handelen heeft de verdachte een zodanig beangstigende situatie voor het slachtoffer gecreëerd, dat deze – eenmaal aangekomen op het politiebureau – door de stress die de bedreiging teweeg heeft gebracht, buiten bewustzijn is geraakt en met een ambulance naar het ziekenhuis is gebracht. In het ziekenhuis is het slachtoffer pas bij bewustzijn gekomen.

De verdachte heeft hiermee niet alleen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar ook op de gevoelens van veiligheid in de samenleving, in het bijzonder op die van de getuigen Van der Kaa en [getuige 2] .

Persoonlijke omstandigheden

Omtrent de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van de rapporten van psychiater [naam 2] en klinisch psycholoog [naam 3] . Beide gedragsdeskundigen concluderen dat bij de verdachte sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken in nauwe relatie met een ernstige stoornis van het gebruik van cocaïne bij oplopende spanningen en stress. Verder lijdt de verdachte aan een psychotische stoornis. De verdachte werd hierdoor ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde in aanzienlijke mate beïnvloed.

De gedragsdeskundigen schatten het recidiverisico in als matig tot hoog, indien geen behandeling en begeleiding plaatsvindt. Dit risico is volgens hen goed in te perken met de juiste behandeling. De gedragsdeskundigen hebben in hun rapporten geadviseerd om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen en adviseren om de verdachte te behandelen in het kader van een voorwaardelijk strafdeel.

De rechtbank is van oordeel dat de conclusie van de deskundigen over de mate van toerekenbaarheid van de feiten aan de verdachte worden gedragen door inzichtelijke motiveringen en dat het rapport op deugdelijke wijze tot stand is gekomen. De rechtbank kan zich, gelet op de bij de verdachte geconstateerde stoornissen, verenigen met de conclusie dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht en dat behandeling van de verdachte in dit verband noodzakelijk is. Op de vraag in welk kader dit zou moeten gebeuren, geeft de rechtbank hierna antwoord.

De reclassering heeft in haar advies van 5 augustus 2020 opgenomen dat zij het recidiverisico bij de verdachte als gemiddeld tot hoog inschat. De risico’s tot delictgedrag zijn volgens de reclassering met name gelegen in de ernst en de complexiteit van de problematiek bij de verdachte. De steun en structuur die de huisvesting en het inkomen van de verdachte bieden, is beperkt. De reclassering sluit zich voor wat betreft de noodzaak tot behandeling van de verdachte aan bij de conclusie van de gedragsdeskundigen, maar adviseert dat deze voorwaarden in het kader van een tbs-maategel moeten worden opgelegd. Ter terechtzitting heeft mevrouw [naam 4] , reclasseringswerker, toegelicht dat de verdachte eerder goed heeft meegewerkt aan een voorwaardelijke tbs-maatregel. Deze maatregel zorgt – in tegenstelling tot een voorwaardelijk strafdeel – naar het oordeel van de reclassering ervoor dat zij goed en adequaat kan ingrijpen, indien de verdachte psychisch decompenseert en verdovende middelen gaat gebruiken, zonder dat het forensisch kader wegvalt. Dit kader is dus in geval van decompensatie en middelgebruik door de verdachte wel gewaarborgd bij een voorwaardelijke tbs-maatregel, hetgeen niet het geval is bij een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 7 juli 2020. Hieruit volgt dat de verdachte in een verder verleden veelvuldig is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten. In 2012 is aan de verdachte een voorwaardelijke tbs-maatregel opgelegd, die in 2014 met een jaar is verlengd.

Onvoorwaardelijke gevangenisstraf en TBS voorwaarden

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Daarnaast acht de rechtbank het noodzakelijk dat de verdachte zal worden behandeld voor zijn psychische problematiek. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is in welk kader deze behandeling en begeleiding moet plaatsvinden.

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden in het geval van de verdachte de passende maatregel is. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de reclasseringswerker heeft verklaard dat een dergelijke maatregel aan de reclassering meer, en meer flexibele, mogelijkheden geeft tot interventie. De verdachte heeft bovendien eerder een TBS met voorwaarden opgelegd gekregen, en gebleken is dat de verdachte aan die maatregel goed heeft meegewerkt. De rechtbank volgt dit advies van de reclassering. Een deels voorwaardelijke gevangenisstraf doet, mede gelet op de complexiteit van de problemen bij de verdachte, in dit geval onvoldoende recht aan de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is gepleegd, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de beveiliging van de maatschappij. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat bij de verdachte tijdens het begaan van de feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en dat de door de verdachte begane bedreiging een misdrijf is dat behoort tot een van de misdrijven die met name zijn omschreven in artikel 37a eerste lid onder 2 Sr.

De rechtbank zal ter bescherming van de veiligheid van anderen voorwaarden stellen die het gedrag van verdachte betreffen, zoals die door de reclassering zijn geadviseerd en ter terechtzitting met de verdachte zijn besproken. De rechtbank ziet – in afwijking op de door de reclassering en de officier van justitie gevorderde voorwaarden – geen aanleiding om elektronisch toezicht en controle op digitale gegevensdragers als voorwaarden aan de verdachte op te leggen. De rechtbank ziet wel aanleiding om ter beveiliging van het slachtoffer een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in de vorm van een locatieverbod en een contactverbod met [slachtoffer] voor de duur van drie jaar, met vervangende hechtenis van 2 weken per overtreding daarvan.

Conclusie

De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden passend en geboden is, met aftrek van het voorarrest. Verder zal aan de verdachte de tbs-maatregel met de hierna te noemen voorwaarden en een vrijheidsbeperkende maatregel worden opgelegd.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten tegen [slachtoffer] .

Gelet op het feit dat de gedragsdeskundigen en de reclassering het herhalingsgevaar als gemiddeld tot hoog inschatten, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan, indien hij niet na invrijheidstelling direct aan zijn behandeling zal beginnen. Daarom zal zij bevelen dat de op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden, het op grond van art. 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht en het op grond van artikel 38v Sr opgelegde locatie- en contactverbod dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding gevorderd van € 10.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de vordering uitgebreid is gemotiveerd en dat hieruit volgt dat de benadeelde partij ernstig is getroffen door het onder feit 1 bewezen verklaarde.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak van feit 1. Subsidiair heeft hij bepleit een aanzienlijk lager bedrag op te leggen dan de benadeelde partij heeft gevraagd. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de door de benadeelde partij aangedragen vergelijkbare zaken niet met de zaak tegen de verdachte te vergelijken zijn. Bovendien kan niet worden vastgesteld hoe lang de klachten van de benadeelde partij zullen voortduren.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Immateriële schade tot aan datum uitspraak

Het is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade tot 21 augustus 2020 naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 6000,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 18 juli 2019, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor de bewezen verklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door deze feiten is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente met ingang van 18 juli 2019, ten behoeve van [slachtoffer] .

8 De in beslag genomen goederen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) onder 1 en 2 genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over het beslag.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36 b, 36c, 36f, 38, 38a, 38v, 38w, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;

stelt daarbij de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:

  1. De verdachte houdt zich aan de voorschriften een aanwijzingen die zijn en worden gegeven door de aangewezen reclasseringsorganisatie en moet zich zo frequent melden als de reclassering nodig acht. Daarnaast werkt de verdachte mee aan huisbezoeken door de reclassering;

  2. De verdachte houdt zich aan de afspraken met de nader te indiceren woonbegeleiding;

  3. De verdachte houdt zich aan de geïndiceerde ambulante behandeling bij het ambulatorium Fivoor of soortgelijke instelling, ook als het inhoudt de inname van voorgeschreven medicatie;

  4. De verdachte werkt, indien geïndiceerd door de reclassering en/of behandelaren mee aan een klinische behandeling bij een nog nader door IFZ/DIZ te indiceren instelling en zal zich houden aan de daar geldende huis- en leefregels en voorwaarden die daar aan hem gesteld worden en stelt zich hierin begeleidbaar op en conformeert zich aan de geboden behandeling, ook als dit inhoudt inname van voorgeschreven medicatie. Indien de plaatsing start met een overbrugging in een andere kliniek, zal de verdachte hieraan zijn medewerking verlenen;

  5. De verdachte werkt, indien geïndiceerd, mee aan een plaatsing in een vervolgsetting, zoals een beschermd/begeleid wonen en zal zich aldaar houden aan de geldende huis- en leefregels en voorwaarden die aan hem gesteld worden;

  6. De verdachte zal niet van verblijfplaats veranderen dan na overleg en toestemming met zijn behandelaren en de reclassering;

  7. De verdachte zal niet zonder toestemming van zijn begeleiders en/of de reclassering zijn werkuren bij het dagbestedingstraject veranderen;

  8. De verdachte zal geen omgang hebben met personen die zijn resocialisatie in gevaar (kunnen) brengen en stelt zich open op, inzake het aangaan van nieuwe relaties of bestaande relaties en heeft geen bezwaar dat deze op gepaste en discrete wijze door de reclassering worden gescreend;

  9. De verdachte zal zich onthouden van alcohol- en drugsgebruik en zal zich niet onttrekken aan controles hierop;

  10. De verdachte geeft inzicht in zijn financiën als daarom wordt verzocht en accepteert hiervoor begeleiding;

  11. De verdachte zorgt ervoor dat hij altijd bereikbaar is voor zijn begeleiders en behandelaren;

  12. De verdachte werkt, in het geval van een door de reclassering en behandelaren geïndiceerde crisissituatie mee aan een tijdelijke plaatsing voor de duur van tweemaal maximaal zeven weken in de gesloten unit van de FPA, de klinische behandelsetting van Ambulant Forensisch Psychiatrisch Toezicht, of een soortgelijke instelling;

  13. De verdachte pleegt geen strafbare feiten;

  14. De verdachte geeft toestemming aan de reclassering tot het opvragen en uitwisselen van informatie aan alle instellingen die zij relevant achten en die van belang zijn voor een goede behandeling of begeleiding in het forensisch kader. De verdachte verleent ook zijn medewerking aan het maken van een digitale foto ten behoeve van zijn dossier en verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, of biedt ter inzage een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aan;

  15. De verdachte geeft toestemming aan de reclassering en aan zijn begeleiders, dat in geval van ongeoorloofde afwezigheid of calamiteiten en het niet nakomen van bovengenoemde voorwaarden, deze informatie aan alle betrokken partijen gemeld wordt;

  16. Tijdens de gehele TBS maatregel is het voor de verdachte niet toegestaan om zich zonder overleg en toestemming van de reclassering buiten het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden te begeven;

geeft opdracht aan GGZ reclassering Fivoor de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;

legt op de maatregel dat de veroordeelde zich voor de duur van 3 jaren:

- niet zal ophouden in de navolgende gebied, omsloten door de [straten] in [plaats] ;

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], geboren op [geboortedag 2] 1971 in [geboorteplaats 2] ;

beveelt dat vervangende hechtende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

beveelt, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;

de vordering van de benadeelde partij;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 6.000,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 juli 2019 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 6.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 juli 2019 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 65 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

de inbeslaggenomen goederen;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen, te weten: een pistool ( [naam 1] ) en 4 stuks patronen (Geco).

Dit vonnis is gewezen door

mr. L. Kelkensberg, voorzitter,

mr. C.W. de Wit, rechter,

mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L. Konings, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 augustus 2020.

Bijlage:

1. beslaglijst

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2019198669, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn-Gouda, districtsrecherche Alphen aan den Rijn - Gouda, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 82).

2 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer] ), blz. 28-30.

3 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 48.

4 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 50-51.

5 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 40 en 41; proces-verbaal aanhouding, blz. 10 en 11.

6 Proces-verbaal van de politie eenheid Den Haag, district Regionale Recherche, team Forensische Opsporing Wapens, Munitie en Explosieven, blz. 58-59, 61.

7 Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 3 januari 2020.