Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7996

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
SGR 19/7268
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het bezwaar van eiser tegen een mededeling van zijn commandant is niet tegen een besluit als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/7268

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de Staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.R. M . van Haren).

Procesverloop

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een mededeling van zijn commandant.

Bij besluit van 7 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via een videoverbinding (Skype) op 9 juli 2020. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de vraag opgeworpen of het beroep tijdig is ingesteld, aangezien de beroepstermijn tot en met 18 november 2019 liep, maar het beroepschrift gezien de ontvangststempel van de rechtbank op 19 november 2019 is ontvangen.

De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van termijnoverschrijding. Uit de stempel met datum 18 november 2019 van Postnl op de envelop blijkt dat de brief met het beroepschrift op deze datum voor bezorging ter post is aangeboden. Het beroepschrift is vervolgens binnen een week ontvangen, waardoor aan de termijn van artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voldaan. Het beroep is derhalve tijdig ingesteld en ontvankelijk.

2. De rechtbank gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1

Eiser is met ingang van 1 september 2018 aangesteld als militair bij het reservepersoneel van de krijgsmacht en is ingedeeld bij de Koninklijke Landmacht in de rang van majoor bij het Korps Nationale Reserve.

2.2

Bij besluit van 2 juni 2015 is aan eisers de functie Commandant NATRESBAT toegewezen voor de duur van vier jaar, met ingangsdatum 13 juni 2015 en einddatum

13 juni 2019.

2.3

Bij e-mail van 8 januari 2019 van een medewerker Admin P-beheer Reservisten is eiser op gewezen dat de duur van zijn functievervulling met ingang van 12 juni 2019 eindigt en dat voor hem de mogelijkheid bestaat de functievervulling met vier jaar te verlengen. Eiser is daarbij verzocht de bij deze e-mail als bijlage gevoegde verklaring door tussenkomst van zijn commandant te retourneren.

2.3.1

Het als bijlage bijgevoegde formulier ‘Verklaring’ bevat twee opties waaruit door eiser kon worden gekozen, te weten: de functievervulling te verlengen voor de duur van vier jaar, óf de functievervulling niet te verlengen.

Onder de door eiser te kiezen optie is op het formulier ruimte gereserveerd voor een advies van de commandant van eiser.

2.4

Eiser heeft op 12 april 2019 zijn commandant, brigade-generaal [brigade-generaal] (hierna: [brigade-generaal] ), verzocht om het voornoemde formulier van advies te voorzien zodat eiser zijn functievervulling met vier jaar kan verlengen.

2.5

Op 25 april 2019 heeft [brigade-generaal] aan eiser een mededeling gedaan de functieduur niet te willen verlengen.

2.6

Op 7 mei 2019 heeft een vervolggesprek tussen eiser en [brigade-generaal] plaatsgevonden.

Eiser heeft besloten nog enige tijd in functie te blijven en dat hij zijn verzoek tot functieverlenging niet zal door zetten.

2.7

Bij brief van 4 juni 2019 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de mededeling van [brigade-generaal] gedaan op 25 april 2019 om de functieduur van eiser niet te verlengen.

2.8

Bij besluit van 26 augustus 2019 is aan eiser de functie ‘Vrij Inzetbaar Bestand’ bij de afdeling Beheer Reservisten toegewezen met ingang van 21 oktober 2019 tot 21 oktober 2023.

2.9

Bij besluit van 26 augustus 2019 is eiser opgedragen om met ingang van

21 oktober 2019 tot 1 november 2021 een opleiding te volgen/ werkzaamheden te verrichten in de functie Tijdelijke Tewerkstelling (bij een bepaalde sectie).

2.10

Bij e-mail van 4 september 2019 heeft eiser aangegeven dat hij gebruik wil maken van de mogelijkheid te worden gehoord op een hoorzitting in bezwaar.

2.11

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van 4 juni 2019 niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit bezwaar niet tegen een besluit in de zin van de Awb is gericht. Omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, heeft verweerder op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb van het horen van eiser afgezien.

2.12

Eiser heeft in beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

Het is juist dat eiser het formulier functieduurverlenging niet ondertekend retour heeft gestuurd aan de medewerker van het P-beheer Reservisten, maar eiser hoefde het formulier niet aan deze medewerker te sturen. Eiser heeft juist conform het verzoek van die medewerker gehandeld door het ingevulde formulier aan zijn toenmalige commandant in januari 2019 aan te bieden met de verklaring dat hij zijn functie wil verlengen voor de duur van vier jaar. De commandant van eiser wilde echter geen advies geven omdat hij per

28 maart 2019 zou worden opgevolgd door een nieuwe commandant. Eiser heeft met zijn verzoek de nieuwe commandant [brigade-generaal] benaderd, maar [brigade-generaal] heeft eiser op 25 april 2019 laten weten zijn functieduur niet te willen verlengen. [brigade-generaal] heeft besloten het formulier niet door te sturen voor behandeling. Niet het nalaten van eiser, maar dat van [brigade-generaal] ligt ten grondslag aan het niet verlengen van zijn functieduur. De bezwaarprocedure is niet zorgvuldig gevoerd, omdat eiser niet is gehoord op het bezwaar.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1

De rechtbank stelt vast dat in dit geding alleen de vraag aan de orde is of verweerder in het bestreden besluit het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voor deze beoordeling dient de rechtbank de (juridische) vraag te beantwoorden of de mededeling van [brigade-generaal] een voor bezwaar vatbaar besluit behelst, als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Hiervan is ingevolge vaste jurisprudentie slechts sprake als de mededeling een wijziging teweegbrengt in de rechten en plichten die eiser als militair ambtenaar heeft. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:674).

3.2

De rechtbank stelt vast dat over de exacte woorden van [brigade-generaal] aan eiser in de hier aan de orde zijnde mededeling, partijen van mening verschillen, maar dat partijen het met elkaar eens zijn dat de betreffende mededeling de strekking had dat [brigade-generaal] geen positief advies voor verlenging van de functieduur van eiser zal geven. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, was [brigade-generaal] toen van mening dat het voor het bataljon van eiser beter zou zijn als de functie van eiser na de expiratie van de functieduur, door iemand anders wordt vervuld en dat eiser op een andere functie in de organisatie van verweerder wordt geplaatst. De rechtbank merkt op naar aanleiding van hetgeen partijen hieromtrent ter zitting met elkaar hebben besproken, dat de rechtbank begrip heeft voor de teleurstelling van eiser over hoe het een en ander is gelopen, maar dat de rechtbank daarover geen oordeel kan geven, omdat het toetsingskader van dit beroep wordt begrensd door het (aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde) juridische punt van het besluitbegrip. De aanleiding voor de mededeling van [brigade-generaal] en de hierna ten aanzien van eiser genomen maatregelen en besluiten vallen buiten de omvang van dit geding.

3.3

De rechtbank is van oordeel dat de mededeling van [brigade-generaal] dat hij over de verlenging van de functieduur van eiser negatief zal adviseren, niet is gericht op een zelfstandig rechtsgevolg. Daargelaten dat eiser in zijn functie van commandant op de hoogte had kunnen en moeten zijn dat [brigade-generaal] slechts een adviserende rol met betrekking tot functieduurverlenging heeft, blijkt uit het formulier, dat eiser met de e-mail van 8 januari 2019 heeft ontvangen, duidelijk dat de daarop te geven reactie door de commandant (slechts) een advies betreft.

Het bevoegd gezag dat over een verzoek om verlenging van de functieduur beslist, kan van het advies van de commandant (in dit geval [brigade-generaal] ) afwijken. Een rechtsgevolg wordt dus niet door het advies zelf teweeggebracht, maar door het besluit dat het tot functietoewijzing bevoegd gezag neemt op grondslag van een bij hem ingediende aanvraag. Eiser is dus niet reeds door de mondelinge mededeling van [brigade-generaal] rechtstreeks in een rechtspositioneel belang getroffen. Er is daarom geen sprake van een mondelinge mededeling die met een besluit gelijk moet worden gesteld. Het feit dat de functieduur van eiser is geëindigd, is niet een gevolg van een ten aanzien van eiser genomen (negatief) besluit door [brigade-generaal] (of een ander orgaan), maar van het feit dat de functieduur is geëxpireerd door het tijdsverloop. Het bezwaarschrift van 4 juni 2019 kan dus niet worden aangemerkt als te zijn ingediend tegen een dergelijk besluit.

Voor zover eiser stelt dat het bezwaar moet worden aangemerkt als (tevens) gericht tegen het niet voor behandeling doorsturen van het voornoemde formulier door [brigade-generaal] , is eiser door de bedoelde handeling van [brigade-generaal] ook niet rechtstreeks in zijn rechtspositie van militair ambtenaar getroffen. Uit de e-mail van 8 januari 2019 blijkt duidelijk dat eiser degene is, die het formulier (al dan niet voorzien van een advies van de commandant) dient te retourneren. Omdat eiser dit niet heeft gedaan, is geen aanvraag tot verlenging van de functieduur van eiser ontvangen. De rechtbank merkt op dat bij zo’n belangrijke keuze als het wel of niet indienen van een aanvraag tot functieduurverlenging, het op de weg van eiser heeft gelegen om zich van een juridisch advies te voorzien. Dat eiser hiervoor alleen de behandelaar van het bezwaar heeft benaderd zonder een voor hem gewenst resultaat, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt.

Voor zover eiser stelt dat hij, al dan niet vanwege uitlatingen van [brigade-generaal] , in de veronderstelling verkeerde dat hij zonder een positief advies van [brigade-generaal] geen aanvraag om verlenging van zijn functieduur kon indienen, dan wel dat zo’n aanvraag niet zinvol was of tot imagoschade zou leiden omdat [brigade-generaal] hem dan op non-actief zou stellen – hetgeen door verweerder wordt ontkend – kan deze stelling niet tot het oordeel leiden dat de hier aan de orde zijnde mededeling en/of handeling van [brigade-generaal] een voor bezwaar vatbaar besluit is. Tegen een eventuele afwijzing van een (verlengings)aanvraag vanwege een negatief advies van [brigade-generaal] , of een ander rechtspositioneel besluit (zoals ontheffing uit functie of het stellen op non-actief, waarmee eiser door [brigade-generaal] zou zijn gedreigd), had eiser een rechtsmiddel kunnen aanwenden om vervolgens de rechtmatigheid van zo’n besluit aan de beoordeling van de rechter voor te leggen. Het onderhavige beroep is echter niet tegen een dergelijk besluit gericht en de rechtbank kan de door eiser aangehaalde (onderliggende) problematiek – zoals hiervoor reeds aangegeven – niet in haar oordeel betrekken.

3.4

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het bezwaar niet‑ontvankelijk is, omdat het bezwaar niet tegen een besluit als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is gericht. Omdat de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar kennelijk is, heeft verweerder van het houden van een hoorzitting in bezwaar kunnen afzien.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.N. Powell, griffier op 20 augustus 2020.

griffier rechter

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.