Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7991

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
NL20.14908
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit de voortgangsgegevens blijkt dat de aanvraag voor een lp al sinds 28 februari 2017 in behandeling is bij de Surinaamse autoriteiten. Verweerder heeft naar aanleiding van die aanvraag gedurende thans drie jaar en drie maanden in totaal 61 keer gerappelleerd, zonder dat daar een reactie op is gekomen van de Surinaamse autoriteiten.

Verweerder heeft gesteld dat blijkens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 2 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2672) altijd sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering als een vreemdeling niet meewerkt. Het door verweerder met een beroep op nationale jurisprudentie verdedigde standpunt brengt met zich dat aan een vreemdeling die aangeeft niet uit Nederland te willen vertrekken, bewaring zou kunnen worden opgelegd ook als ieder vooruitzicht op verwijdering binnen een redelijke termijn ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat dit in strijd is met het bepaalde in Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn). Zij wijst erop dat verwijdering een gedwongen vertrek impliceert, geen vrijwillig vertrek. Bij verwijdering is dus per definitie sprake van geen of onvoldoende medewerking van de vreemdeling.

Hoewel de rechtbank aanneemt dat eiser niet meewerkt aan zijn vertrek, moet zij dus toetsen of bij aanvang van de thans aan eiser opgelegde maatregel van bewaring een redelijk vooruitzicht bestond op verwijdering, dat is een gedwongen vertrek, binnen een redelijke termijn.

Een redelijk vooruitzicht op verwijdering betekent niet dat de kans op gedwongen vertrek heel groot moet zijn; voldoende is dat die kans bestaat en niet miniem is. Nu de lp-aanvraag niet is afgewezen is naar het oordeel van de rechtbank zo’n vooruitzicht wel aan te nemen.

Verwijdering binnen een redelijke termijn betekent niet dat binnen een korte of afzienbare termijn het gedwongen vertrek gerealiseerd moet kunnen worden; de termijn kan, afhankelijk van de omstandigheden, soms zelfs lang zijn, mits niet onredelijk lang. Het is niet goed mogelijk in het algemeen te zeggen wat de maximale, nog redelijk te achten termijn is waarbinnen het gedongen vertrek naar verwachting moet kunnen worden geëffectueerd.

De rechtbank is van oordeel dat, in het geval van eiser, verweerder bij aanvang van de bewaring in redelijkheid niet heeft kunnen aannemen dat het gedwongen vertrek binnen een redelijke termijn te verwachten was. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking, dat verwijdering naar Suriname - ook volgens verweerder - de enige in aanmerking komende optie is, dat eiser heeft meegewerkt aan een presentatie in persoon, dat verweerder al 61 keer heeft gerappelleerd, dat sinds de presentatie gedurende 39 maanden door verweerder niets meer is vernomen van de Surinaamse autoriteiten en dat verweerder niet heeft gesteld dat in de genoemde omstandigheden ook maar het geringste is veranderd of zou kunnen veranderen.

Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.14908


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: […]

(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. ten Cate).


Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Surinaamse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2.1

In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

2.2

De rechtbank stelt vast dat eiser de zware grond onder 3i en de lichte grond onder 4e niet heeft bestreden.

3. Eisers betoog dat verweerder de zware grond onder 3b niet aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen slaagt. Uit de omstandigheid dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, wat eerder een lichte grond is, heeft verweerder niet kunnen concluderen dat eiser zich gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken.

4. De niet betwiste gronden kunnen de maatregel in beginsel dragen. Uit deze gronden (en de toelichting daarop) blijkt voldoende dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Wat eiser overigens heeft aangevoerd met betrekking tot de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, kan daarom onbesproken blijven.

5.1

In die gevallen waarin de gehanteerde gronden de maatregel van bewaring in beginsel kunnen dragen, dient steeds, aan de hand van wat door partijen omtrent het gedrag van de betrokken vreemdeling en de overige feiten en omstandigheden naar voren is gebracht, te worden beoordeeld of die gronden de maatregel ook in het geval van de betrokken vreemdeling daadwerkelijk kunnen dragen of dat verweerder met een minder verstrekkende maatregel had moeten volstaan.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hiervoor is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Dat eiser al vier keer eerder in bewaring is geplaatst en al sinds 1980 in Nederland verblijft leidt niet tot een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6.1

Eiser voert verder aan dat hij detentieongeschikt is omdat hij medische problemen heeft en de bewaring psychisch belastend is voor hem. Eiser verwijst daartoe naar zijn medische dossier.

6.2

De rechtbank volgt eiser daarin niet. Dat eiser wegens zijn gezondheidstoestand detentieongeschikt zou zijn blijkt niet uit de door eiser overgelegde stukken. In de maatregel heeft verweerder bovendien vastgesteld dat de medische zorg binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.

Daarmee heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat en waarom de detentie niet onevenredig bezwarend wordt geacht voor eiser.

7.1

Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering.

7.2

Uit de voortgangsgegevens blijkt dat er nog steeds een aanvraag voor een laissez-passer (lp) in behandeling is bij de Surinaamse autoriteiten. Verweerder rappelleert maandelijks naar aanleiding van deze aanvraag, als laatste op 22 juli 2020. Verweerder heeft verder op 4 augustus 2020, drie dagen na het opleggen van de maatregel van bewaring, een vertrekgesprek met eiser geprobeerd te voeren. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn verwijdering.

8.1

Eiser stelt ten slotte dat geen sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering binnen een redelijke termijn, aangezien de lp-aanvraag al dateert van 28 februari 2017, eiser heeft meegewerkt aan een presentatie in persoon bij de Surinaamse ambassade en sindsdien niets is vernomen van de Surinaamse autoriteiten.

8.2.1

Uit de voortgangsgegevens blijkt dat eerdergenoemde aanvraag voor een lp al sinds 28 februari 2017 in behandeling is bij de Surinaamse autoriteiten. Verweerder heeft naar aanleiding van die aanvraag gedurende thans drie jaar en drie maanden in totaal 61 keer gerappelleerd, zonder dat daar een reactie op is gekomen van de Surinaamse autoriteiten.

8.2.2

Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat blijkens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 2 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2672) altijd sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering als een vreemdeling niet meewerkt. Het door verweerder met een beroep op nationale jurisprudentie verdedigde standpunt brengt met zich dat aan een vreemdeling die aangeeft niet uit Nederland te willen vertrekken, bewaring zou kunnen worden opgelegd ook als ieder vooruitzicht op verwijdering binnen een redelijke termijn ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat dit in strijd is met het bepaalde in Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn). Zij wijst erop dat verwijdering een gedwongen vertrek impliceert, geen vrijwillig vertrek. Bij verwijdering is dus per definitie sprake van geen of onvoldoende medewerking van de vreemdeling.

8.2.3

Hoewel de rechtbank aanneemt dat eiser niet meewerkt aan zijn vertrek, moet zij dus toetsen of bij aanvang van de thans aan eiser opgelegde maatregel van bewaring een redelijk vooruitzicht bestond op verwijdering, dat is een gedwongen vertrek, binnen een redelijke termijn.

8.2.3.1 Een redelijk vooruitzicht op verwijdering betekent niet dat de kans op gedwongen vertrek heel groot moet zijn; voldoende is dat die kans bestaat en niet miniem is. Nu de lp-aanvraag niet is afgewezen is naar het oordeel van de rechtbank zo’n vooruitzicht wel aan te nemen.

8.2.3.2 Verwijdering binnen een redelijke termijn betekent niet dat binnen een korte of afzienbare termijn het gedwongen vertrek gerealiseerd moet kunnen worden; de termijn kan, afhankelijk van de omstandigheden, soms zelfs lang zijn, mits niet onredelijk lang. Het is niet goed mogelijk in het algemeen te zeggen wat de maximale, nog redelijk te achten termijn is waarbinnen het gedongen vertrek naar verwachting moet kunnen worden geëffectueerd.

De rechtbank is van oordeel dat, in het geval van eiser, verweerder bij aanvang van de bewaring in redelijkheid niet heeft kunnen aannemen dat het gedwongen vertrek binnen een redelijke termijn te verwachten was. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking, dat verwijdering naar Suriname - ook volgens verweerder - de enige in aanmerking komende optie is, dat eiser heeft meegewerkt aan een presentatie in persoon, dat verweerder al 61 keer heeft gerappelleerd, dat sinds de presentatie gedurende 39 maanden door verweerder niets meer is vernomen van de Surinaamse autoriteiten en dat verweerder niet heeft gesteld dat in de genoemde omstandigheden ook maar het geringste is veranderd of zou kunnen veranderen.

9. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 14 augustus 2020.

10. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 14 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2 x € 105,- (verblijf politiecel) en 12 x € 80,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.170,-.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 14 augustus 2020;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.170,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Korporaal-Wisman, griffier.

Deze uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op de hieronder vermelde datum.

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.