Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7987

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
Awb 20/6247
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo. Geen spoedeisend belang omdat er nog geen concrete datum van uitzetting is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/6247

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] , van Surinaamse nationaliteit,

verzoeker,

(gemachtigde: mr. C. Mayne, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. W. Vrooman, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van verzoeker ingetrokken met terugwerkende kracht per 20 juli 2013. Tevens heeft verweerder verzoeker opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en aan hem een zwaar inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaren.

Bij besluit van 22 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaak met zaaknummer AWB 19/1849) en de voorzieningenrechter tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 9 december 2019 (zaaknummer 19/1850) heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

De beroepszaak AWB 19/1849 is op 28 mei 2019 aangehouden voor onbepaalde tijd in afwachting van de beantwoording van de prejudiciƫle vragen die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) zijn gesteld aan het Hof van Justitie bij verwijzingsuitspraak van 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1739).

Op 6 augustus 2020 heeft eiser de voorzieningenrechter wederom verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening treffen indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep in ingesteld.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder het verzoek ter zitting te hebben behandeld indien het verzoek kennelijk ongegrond is.

2. Verzoeker heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd dat hij op 4 augustus 2020 in bewaring is gesteld met het oog op uitzetting terwijl zijn beroep met zaaknummer AWB 19/1849 nog steeds is aangehouden. Eiser stelt dat hij spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening.

2.1

Bij brief van 12 augustus 2020 heeft verweerder zich primair op het standpunt gesteld dat de enkele omstandigheid dat eiser nu in vreemdelingenbewaring zit, niet maakt dat sprake is van spoedeisend belang. Uit navraag bij Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) is gebleken dat er nog geen concrete uitzettingsdatum bekend is en dat de huidige stand van zaken is dat er voor eiser op 11 augustus 2020 een noodpaspoort bij de Surinaamse autoriteiten is aangevraagd.

3. Na telefonisch overleg tussen de griffier en de gemachtigde van verzoeker op 6 augustus 2020, is gebleken dat zij evenmin op de hoogte is van een concrete uitzettingsdatum. De voorzieningenrechter concludeert daarom dat verzoeker, nu alleen is gevraagd om een verbod tot uitzetting, geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Het feit dat eiser nu in vreemdelingenbewaring zit met het oog op uitzetting, doet daar niet aan af omdat hiertegen een ander rechtsmiddel openstaat. De enkele plicht Nederland te verlaten levert geen spoedeisend belang op in de zin van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.