Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7975

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 65
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking ter zake van buitenlandse trust is terecht afgegeven. Belanghebbende moet de volledige administratie van een buitenlandse trust en een buitenlandse limited overleggen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-09-2020
V-N Vandaag 2020/2151
FutD 2020-2657 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2020/54.2.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 20/65

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juli 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigden: mr. A.A. Feenstra en mr. M. Coenen),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 18 juli 2019 ten aanzien van eiseres een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) gegeven met betrekking tot de heffing van inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet voor de jaren 2006 tot en met 2016.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 november 2019 het bezwaar van eiseres deels gegrond verklaard en een kostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 762 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254 en een wegingsfactor 1,5) toegekend.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben ieder een pleitnota ingediend. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke reactie op de pleitnota van de wederpartij in te dienen. Eiseres heeft bij brief van 8 mei 2020 op de pleitnota van verweerder gereageerd. Verweerder heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Met instemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres en haar zus [A] (de zus) zijn stiefdochters en erfgenaam van [B] (de stiefvader). De stiefvader is in oktober 2006 overleden.

2. In 1997 heeft de stiefvader een deel van zijn vermogen ondergebracht in (onder andere) de vennootschappen naar het recht van de Britse Maagdeneilanden [Limited 1] ( [Limited 1] .) en [Limited 2] ( [Limited 2] ). De aandelen in deze vennootschappen werden gehouden door respectievelijk [trust 1] en [trust 2] . Trustee (beheerder) van voormelde trusts was tot 2006 [trust 4] Company Ltd. ( [trust 4] ) en vanaf 2006 [compagny 1] ( [compagny 1] ). Sinds het overlijden van de stiefvader was de zoon van de stiefvader (tevens halfbroer van eiseres) de heer [C] ( [C] ) protector van de trusts. [C] was tevens begunstigde van beide trusts. Daarnaast was eiseres begunstigde van de [trust 2] en was de zus begunstigde van [trust 1] . De trusts zijn eind 2016 opgeheven. In de zomer van 2017 is het hele vermogen in de trusts via [C] overgemaakt naar de daarvoor geopende Zwitserse bankrekeningen van respectievelijk eiseres (een bedrag van ongeveer (€ [geldbedrag] ) en de zus (een bedrag van ongeveer
€ [geldbedrag] ).

3. Op 31 juli 2006 heeft de stiefvader - in verband met de overgang naar [compagny 1] als trustee in die periode - de concept-letter of wishes (voorwaarden waar de trustee naar moet handelen) van 16 december 2003 betreffende (onder andere) de [trust 1] en de [trust 2] , met enige redactionele wijzingen van de zijde van de stiefvader, per fax verzonden aan de heer [advocaat] ( [advocaat] ), (destijds) advocaat van [compagny 1] . In deze concept-letter of wishes staat, voor zover nu relevant, het volgende vermeld:

“2. [trust 2]

2.1

This trust is established for the benefit of Mr. [C] ’s step daughter, [eiseres] (“ [eiseres] ”) and her issue.

2.2

[C] is included in the Specified Class as it may be appropriate from time to time for the trustees to consider exercising their power to make distributions to [C] in the hope that he may then make a gift to [eiseres] . The reason for this is to avoid disclosures issues in the Netherlands where [eiseres] is currently resident. If a distribution from the trust was received by a beneficiary in the Netherlands, that beneficiary may be obliged to report the trust. Reporting a gift from [C] therefore is less problematic.

2.3

The principal asset of this trust is the shares in [Limited 2] , a British Virgin Islands company.

2.4

If [eiseres] and her issue were to die out, the trust fund would be held for the benefit of Mr. [C] ’s other step-daughter, [A] .

3 [trust 1]

3.1

This trust is for the benefit of Mr. [C] ’s other step-daughter, [D] (“ [D] ”) and her issue. [D] ’s current children are [H] and [I] . As with the [trust 2] , [C] is member of the Specified Class for the reason set out above.

3.2

The terms of this trust are similar to the [trust 2] , and in the event that [D] and her issue were to die out, the trust fund would be held for the benefit of [eiseres] .

3.3

The principal asset of this trust is the shares in [Limited 1] , a British Virgin Islands company.”.

4. In een e-mailbericht van 7 augustus 2006 van [advocaat] , staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“The offshore structure they maintain with [compagny 2] is the following: [B] is the settlor of 3 discretionary trusts established with [trust 4] ( [trust 4] ), which he henceforth had no involvement in whatsoever. Each of these tress trusts is the shareholder of one (of three) investments companies, which basically have no other purpose than portfolio investment with private banks. The company owned by [trust 3] holds a bank account of about EUT [geldbedrag] and the beneficiaries of this account should be eventually [C] and his sister. However, [B] . is receiving some benefits form this structure form time to time where need be. The other two trusts are eventually for the benefit of the tow stepsisters of [C] and hold Investments companies with portfolios with about EUR [geldbedrag] and [geldbedrag] . There are currently no tax issues involved in this structure. [C] promised to send us the letter of wishes which sets out of the details of the construction. We have received in the meantime, you will find it attacked. This document is extremely important. Normally the way it works is the following: [C] is the beneficiary of all trusts and received ALL of the distributions in his name. Due to the fact that he is a tax resident in Monaco all his income is taxed at a flat tax rate of 4%, which they happily pay. [C] then re-distributes the benefits as personal donations form his “own personal” funds to his father or any of the others. Normally this happens on an annual basis.”.

5. Op 9 mei 2016 heeft het International Consortium of Investigative Journalists een groot aantal gegevens uit de administratie van [compagny 1] openbaar gemaakt (de Panama Papers). Door deze publicaties zijn [Limited 1] , [Limited 2] , [trust 1] en [trust 2] bekend geworden bij de Belastingdienst.

6. Eiseres heeft in haar aangiften IB/PVV geen vermogen in de vorm van een trust of (aandelen in) een buitenlandse vennootschap opgegeven.

7. Naar aanleiding van de informatie in de Panama Papers heeft verweerder eiseres bij brief van 21 december 2017 om een toelichting op de betrokkenheid bij de trust en de buitenlandse vennootschap gevraagd. Verweerder heeft in die brief verwezen naar de op grond van artikel 47 van de Awr op eiseres rustende verplichting om gegevens of inlichtingen te verstrekken die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat indien geen of onvolledige informatie wordt verstrekt, hij overweegt om een informatiebeschikking aan eiseres uit te reiken. In reactie hierop heeft eiseres, bij brief van 9 januari 2018, aan verweerder bericht dat zij niet betrokken is (geweest) bij buitenlandse vennootschappen, dat zij (mede-)begunstigde is van [trust 2] , maar dat zij daar geen inkomen of vermogen uit heeft ontvangen. Verder bericht zij dat zij tot begin april 2016 niet op de hoogte was van het bestaan van de trust en dat zij [C] heeft gevraagd om, indien mogelijk, de laatste vijf jaarverslagen aan haar te doen toekomen, omdat zij geen enkele documentatie van de trust bezit.

8. Bij brief van 6 maart 2018 heeft verweerder de volgende aanvullende informatie opgevraagd bij eiseres:

“De [trust 2] kwalificeert mogelijk als afgezonderd particulier vermogen (hierna: APV). Voor de beoordeling van uw betrokkenheid bij een mogelijke APV verzoek ik u de onderstaande vragen te beantwoorden:

  1. Ik verzoek u een exemplaar van de oprichtingsakte van [trust 2] te overleggen.

  2. Kunt u toelichten sinds wanneer u beneficiary bent van [trust 2] ?

  3. Kunt u toelichten wie er naast u nog meer beneficiary is/zijn van de [trust 2] nu u schrijft (mede)beneficiary te zijn?

  4. Welke rechten heeft u met betrekking tot het vermogen van het doelvermogen en de inkomsten daaruit?

  5. Ik verzoek u mij kopieën van alle letter of wishes, memoranda of andere communicatie van de insteller richting de trustee te overleggen van [trust 2] .

  6. Ik verzoek u mij de bankafschriften van de laatste vijf jaren te overleggen van de bankrekeningen van [trust 2] .

  7. De stukken waaruit blijkt of er (een) uitkering(en) is/zijn gedaan en zo ja aan wie/welke personen of entiteiten.

  8. De stukken waaruit blijkt dat de heer [C] is benoemd tot protector.

  9. Ik verzoek u een beschrijving te geven, dan wel op te vragen bij de trustee, wat het doel is van de [trust 2] .

  10. Ik verzoek u mij alle informatie met betrekking tot elke wijziging in de structuur, inclusief de namen van de vroegere en huidige trustee en de data van wijzigingen te verstrekken.”.

Voorts heeft verweerder in die brief onder meer opgemerkt dat eiseres in ieder geval vanaf april 2016 op de hoogte moeten zijn geweest van de trust en dat - ervan uitgaande dat eiseres eerder niet wist van betrokkenheid bij deze trust - (in ieder geval) de aangiften inkomstenbelasting 2015 en 2016 onjuist zijn gedaan.

9. Bij brief van 26 maart 2018 hebben de gemachtigden aan verweerder bericht dat [C] heeft verzocht eiseres en de zus te begeleiden naar aanleiding van de brieven van verweerder over mogelijke betrokkenheid bij de trusts. Vervolgens heeft alle correspondentie tussen verweerder en eiseres plaatsgevonden door tussenkomst van gemachtigden.

10. Bij van brief van 13 april 2018 heeft eiseres - kort samengevat - het standpunt ingenomen dat zij geen aanspraak kan maken op het vermogen in de trust, dat zij geen erfgenaam is van de stiefvader en dat het vermogen in de trusts niet aan haar kan worden toegerekend. Daarnaast stelt zij dat schenkingen uit het buitenland (zowel van een buitenlandse trust als van de in het buitenland woonachtige persoon aan wie het vermogen in de trust kan worden toegerekend) niet aan het Nederlandse schenkingsrecht zijn onderworpen. Verder heeft zij toegelicht dat haar stiefvader bij leven af en toe bedragen uit zijn vermogen schonk aan zijn (stief)kinderen en dat [C] na het overlijden van de stiefvader op eigen initiatief en naar eigen inzicht zo nu en dan betalingen verricht aan eiseres en haar zus. Tevens stelt zij dat zij medebegunstigde is van de trust, dat zij nooit aanspraak heeft gemaakt op het vermogen in de trust en dat zij - tot voor kort - niet op de hoogte was van het bestaan van de trust en van het gegeven dat zij hier begunstigde van was. Zij stelt dat zij geen zicht heeft op de bankrekeningen van de trust en dat zij geen aandeelhouder is geweest van [Limited 2] Voorts heeft eiseres de volgende stukken aan verweerder overgelegd:

- oprichtingsakte [trust 2] ;

- brieven van [C] over uitkeringen uit de [trust 2] in 2012 en 2014;

- bankbescheiden van [Limited 2] over de periode 2012 tot en met 2016;

- stukken met betrekking de benoeming van [C] tot protector van de trust;

- secretary’s certificate appointment of trustee met betrekking tot [trust 2] ;

11. Op 16 april 2018 heeft de Belastingdienst/Central Liaison Office (CLO) een verzoek om inlichtingen gedaan aan de fiscale autoriteiten van Duitsland over de betrokkenheid van eiseres bij de [trust 2] en [Limited 2]

12. Bij brief van 17 mei 2018 heeft verweerder in reactie op de brief van eiseres van 13 april 2018 toegelicht, kort samengevat, dat hij van mening is dat het vermogen in de trust aan eiseres kan worden toegerekend als blijkt dat zij concrete aanspraken ten aanzien van de trust had. Tevens heeft verweerder in die brief de volgende nadere vragen gesteld:

“Verzoek om informatie

Hierboven heb ik bij: "Situatie voor 2010" en "Situatie na 2010" uiteengezet waarom ik verdere informatie over de [trust 1] , [trust 2] en [trust 3] wil ontvangen wat van belang zou kunnen zijn voor de belastingheffing. Ik verzoek u derhalve de volgende vragen te beantwoorden.

  1. Ik verzoek u van de effecten- /bankrekening(en) t.n.v. [Limited 2] , [Limited 1] en [J. limited] de afschriften van de jaaroverzichten en de afschriften van de bij- en afschrijvingen te verstrekken vanaf 1 januari 2006 tot en met heden (voor zover nog niet in mijn bezit).

  2. Waren er credit of debitcards afgegeven voor de rekening(en)? Zo ja, wie had de beschikking over deze kaart(en)? Voor welke rekening was dit precies? Ik verzoek u alle correspondentie te verstrekken omtrent de aanvraag en afgifte van de eventuele credit- of debitcard.

  3. Op welke wijze kan het (belegde) vermogen bekeken, beheerd of anderszins gevolgd worden? Graag ontvang ik de gegevens van alle personen die een bevoegdheid hadden.

  4. Wie bepaalt er wat het beleggingsbeleid is voor de trusts, de onderliggende limiteds en daaraan gekoppelde bankrekening? Ik ontvang hiervan graag alle correspondentie en formulieren ( zowel schriftelijke als digitale correspondentie.

  5. Ik verzoek u om alle correspondentie tussen de bank, UBO, trustees, protector inzake opnamen, uitkeringen en anderszins te verstrekken.

  6. Ik verzoek u om het klantacceptatie formulier en het UBO- formulier van de rekeningen bij [E] .

  7. Ik verzoek u om een afschrift te verstrekken waaruit blijkt wie bij de bank geregistreerd staan als "clients".

  8. Ik zie dat het saldo van de rekening bij [E] van zowel [Limited 2] als [Limited 1] op 14- 12-2016 wordt overgeboekt naar (hoogstwaarschijnlijk) een andere rekeningen bij [I] .

a. Graag ontvang ik alle correspondentie omtrent deze overboeking,

b. Ik verzoek u aan te geven naar welke rekening en ten name van wie deze gelden zijn overgemaakt.

c. Ik ontvang graag de besluiten van de trusts ten aanzien van het overboeken van het vermogen naar een andere rekening en de eventuele opheffing van de rekening(en)

d. Ik ontvang graag de bestuursbesluiten van de limiteds inzake de overboeking en eventuele opheffing.

9. Ik verzoek u om een afschrift te verstrekken van de eventuele opheffing van de rekening.

10. Uit de bankafschriften blijkt dat er betalingen worden verricht aan [Limited] . Ik verzoek u alle facturen en correspondentie te verstrekken omtrent de diensten die [Limited] . verricht voor de trusts, limiteds en begunstigden.

11. Ik ontvang graag alle correspondentie en overige stukken met betrekking tot de overgang van [Limited 3] naar [company Limited] .

12. Uit de bankafschriften van zowel [Limited 2] als [Limited 1] blijkt een storting/ontvangst van [bank] In welke hoedanigheid wordt het geld ontvangen? Van wie werd dit geld ontvangen? Ik ontvang graag de uitgebreide bankafschriften van deze storting waaruit blijkt wat de tegenrekening en de tenaamstelling is bij HSBC Bank.

13. Ik verzoek u alle stukken te verstrekken die betrekking hebben op het opheffen van de trusts eind 2016.”.

13. Bij brief van 21 juni 2018 licht eiseres nogmaals toe waarom het vermogen in de trust niet aan haar kan worden toegerekend. Zij stelt dat de vragen in de brief van 17 mei 2018 daarom niet relevant zijn voor de heffing en dus niet beantwoord zullen worden en dat zij niet beschikt over de gevraagde bescheiden.

14. Bij brief van 12 juli 2018 verwijst verweerder naar de op grond van artikel 47 van de Awr op eiseres rustende verplichting om gegevens of inlichtingen te verstrekken die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn en stelt hij zich op het standpunt dat de vragen die zijn gesteld onder die verplichting vallen. Eiseres wordt nogmaals verzocht de vragenbrief van 17 mei 2018 te beantwoorden. Verweerder wijst er daarbij op dat indien geen of onvolledige informatie wordt verstrekt overwogen kan worden een informatiebeschikking uit te reiken en dat - als deze informatiebeschikking onherroepelijk is geworden - (navorderings)aanslagen naar geschatte bedragen (en mogelijk ook ter behoud van rechten) moeten worden opgelegd, waarbij de bewijslast ingevolge artikel 25, derde lid en artikel 27e van de Awr wordt omgekeerd en verzwaard in bezwaar en beroep.

15. Het CLO heeft in augustus 2018 van de fiscale autoriteiten uit Duitsland informatie over de [trust 2] en [Limited 2] ontvangen. Het gaat onder meer om:

- de hiervóór onder 3 en 4 vermelde concept-letter of wishes en e-mail van [advocaat] ;

- jaarstukken van [Limited 2] over de jaren 1999, 2007 en 2009;

- facturen van [Limited 3] / [N] ;

- een resolution of directors [Limited 2] van 11 oktober 2007;

- een brief van [trust 4] aan [compagny 1] van 8 januari 2008;

- diverse notices/minutes of general meetings en diverse e-mailberichten.

Deze informatie is doorgezonden naar verweerder.

16. Bij brief van 31 augustus 2018 heeft eiseres de volgende stukken aan verweerder overgelegd:

- handtekeningenformulier van de bankrekening van [Limited 2] ;

- openingsformulieren van de bankrekening van [Limited 2] , waaronder de UBO-formulieren.

17. Bij brief van 11 september 2018 heeft verweerder eiseres onder andere bericht dat hij van derden voormelde letter of wishes en e-mail van [advocaat] heeft ontvangen. Tevens wordt eiseres in deze brief uitgenodigd voor een gesprek, om de behandeling van het dossier te bespoedigen. Daarbij is eiseres erop gewezen dat zij op grond van artikel 41 van de Awr verplicht is te verschijnen bij dit gesprek.

18. Bij brief van 2 oktober 2018 heeft eiseres de volgende stukken aan verweerder overgelegd:

- bankbescheiden [Limited 2] over de periode 2006 tot en met 2011;

- bankafschrift bankrekening [C] met betrekking tot uitbetaling op 14 december 2016 van een bedrag van € [geldbedrag] vanaf de rekening van [Limited 2] op zijn bankrekening;

- brief van de bank met betrekking tot de opheffing van de bankrekening [Limited 2] op 27 december 2016;

- facturen van [compagny 1] voor de jaren 2014 en 2015;

- e-mail van 22 december 2016 van [C] over opheffing van de vennootschap en de trust.

19. Het hiervóór onder 17 bedoelde gesprek heeft op 13 november 2018 plaatsgevonden. Eiseres is bij dat gesprek bijgestaan door haar gemachtigden. Tijdens dit gesprek heeft eiseres onder meer (en voor het eerst) verklaard dat de truststructuur inmiddels is opgeheven en dat het gehele vermogen van de trust in de zomer van 2017 via [C] aan haar is overgemaakt. Tijdens dit gesprek is voorts gesproken over de mogelijkheid om overeenstemming te bereiken. Bij e-mailbericht van 17 december 2018 hebben de gemachtigden verweerder laten weten dat bij de stand van zaken van dat moment een compromis niet voor de hand ligt.

20. Bij brief van 17 januari 2019 heeft verweerder aangekondigd navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2006 tot en met 2016 aan eiseres op te gaan leggen, omdat - kort samengevat - het aannemelijk is dat eiseres een concrete aanspraak had op het vermogen in de trust. Eiseres kreeg, aldus verweerder in die brief, op verzoek of op vrijwillige basis (zo goed als) jaarlijks giften van [C] en daarvóór van haar stiefvader. Eiseres had zich kunnen en moeten beseffen dat er ‘een potje’ was waar zij recht op had. Verder stelt verweerder dat aannemelijk is dat [C] eiseres na het overlijden van de stiefvader heeft geïnformeerd over het erfdeel dat aan haar toekwam, maar dat een deel van dat vermogen om fiscale redenen was afgezonderd in de trust.

21. Op 30 januari 2019 heeft verweerder aan eiseres de aangekondigde navorderingsaanslagen opgelegd.

22. Eiseres heeft op 5 maart 2019 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen. De termijn om te beslissen op de bezwaarschriften is, met instemming van eiseres verlengd tot 1 juli 2019.

23. De bezwaarbehandelaar had bij de behandeling van de bezwaren behoefte aan aanvullende informatie en heeft bij brief van 20 mei 2019 verzocht om inzage in de volgende stukken:

“Ik verzoek om inzage in de administratie, dat wil zeggen de volledige boekhouding van [trust 2] en [Limited 2] . De begrippen 'administratie' en 'boekhouding' dienen te worden opgevat in de meest ruime zin van deze woorden en te worden uitgelegd naar Nederlandse fiscale maatstaven vanaf het moment van instellen van de truststructuur tot en met opheffing. Het gaat om alle boeken en bescheiden die zijn bijgehouden en de stukken die hieraan ten grondslag liggen, zoals facturen, bankafschriften en vermogensoverzichten. Tevens gaat het onder andere om akten, overeenkomsten (bijv. van geldlening, transacties), correspondentie per brief, fax, e- mails (o.a. tussen betrokkenen en het bestuur en de (financiële) dienstverleners) en (bestuurs)besluiten. Alleen geldt dit verzoek niet voor stukken van geheimhouders en stukken die onder het fairplaybeginsel vallen.”.

Tevens heeft verweerder in die brief eiseres verzocht om op grond van artikel 47 van de Awr de informatie te verstrekken en erop gewezen dat hij, indien geen of onvolledige informatie wordt verstrekt, genoodzaakt is om een informatiebeschikking af te geven.

24. Eiseres heeft bij brief van 5 juni 2019 op voormelde vragenbrief van verweerder gereageerd, waarbij zij nog de volgende stukken heeft overgelegd:

- jaarstukken [Limited 2] over de jaren 2012 tot en met 2015;

- een brief van [compagny 1] van 28 maart 2018, waarin bevestigd wordt dat [compagny 1] per
30 maart 2018 aftreedt als trustee van de trust.

In deze brief staat tevens dat alle beschikbare en verzochte stukken aan verweerder zijn verstrekt en wordt verweerder gevraagd het informatieverzoek in te trekken.

25. Vanaf 12 juni 2019 is tussen verweerder en de gemachtigden per e-mail en (eenmalig) telefonisch contact geweest over de wens van verweerder om op korte termijn en bij voorkeur in aanwezigheid van [C] een gesprek te hebben over het geschil. Eiseres heeft uiteindelijk op 2 juli 2019 laten weten dat zij op 6 of 17 september 2019 beschikbaar is voor een gesprek waarbij eiseres zelf, haar gemachtigden en [C] aanwezig kunnen zijn. In reactie hierop bericht verweerder dat hij wil dat in juli 2019 nog een bespreking plaatsvindt, waarbij het niet beschikbaar zijn van [C] “voor lief” wordt genomen.

26. Per brief van 5 juli 2019 is eiseres door de bezwaarbehandelaar opgeroepen voor een gesprek op 17 juli 2019 of 14 augustus 2019.

27. Per e-mail van 8 juli 2019 heeft eiseres bericht dat zij niet begrijpt waarom verweerder nu verzoekt om een gesprek buiten aanwezigheid van [C] , dat zij verweerder al uitgebreid verteld heeft wat zij (nu) weet en dat het opnieuw voeren van hetzelfde gesprek geen relevantie heeft voor de belastingheffing. Tevens bericht zij dat zij er inmiddels van afziet om nog in gesprek te gaan.

28. Bij afzonderlijke brief van 8 juli 2019 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften tegen de hiervóór onder 19 genoemde navorderingsaanslagen.

29. In de periode tussen 8 juli 2019 en 18 juli 2019 zijn eiseres en verweerder per e-mail blijven communiceren over het gesprek en de vraag welke informatie verweerder nog wil ontvangen. Verweerder heeft daarbij onder meer bij e-mailbericht van 17 juli 2019 eiseres verzocht om de ingebrekestelling in te trekken teneinde de dialoog tussen partijen voort te zetten. Tot een gesprek en/of het verstrekken van nadere informatie is het niet gekomen.

30. Bij brief van 17 juli 2019 heeft de bezwaarbehandelaar, onder verwijzing naar artikel 47 van de Awr, nogmaals benoemd welke informatie zij wil ontvangen, namelijk inzage in - kort gezegd - de administratie, dat wil zeggen de volledige boekhouding van [trust 2] en [Limited 2] In die brief staat tevens vermeld dat de bezwaarbehandelaar na verstrekking van deze informatie een mondelinge toelichting wil ontvangen en antwoord wil op de vragen die opkomen na bestudering van de nog te ontvangen informatie en op de vragen die nog onbeantwoord zijn gebleven. Eiseres is verzocht de informatie vóór 17 augustus 2019 toe te zenden. Bij e-mailbericht van 18 juli 2019 heeft eiseres aangegeven dat zij vóór 17 augustus 2019 zal reageren op het informatieverzoek en dat zij de ingebrekestelling handhaaft.

31. Vervolgens heeft verweerder op 18 juli 2019 aan eiseres de onderhavige informatiebeschikking gegeven, waarin is verzocht om inzage in de volledige administratie van [trust 2] en [Limited 2] , dat wil zeggen de volledige boekhouding van [trust 2] en [Limited 2] In de informatiebeschikking is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:

“1. (...) De begrippen ‘administratie’ en ‘boekhouding’ dienen te worden opgevat in de meest ruime zin van deze worden en te worden uitgelegd naar Nederlandse fiscale maatstaven vanaf het moment van instellen van de truststructuur tot en met opheffing. Het gaat om alle boeken en bescheiden die zijn bijgehouden en de stukken die hieraan ten grondslag liggen, zoals facturen, bankafschriften en vermogensoverzichten, alsmede om akten, overeenkomsten (bijv. van geldlening, transacties), correspondentie per brief, fax, e-mails (onder andere tussen betrokkenen en het bestuur en de (financiële) dienstverleners) en (bestuurs)besluiten. Stukken van geheimhouders en stukken die onder het fairplaybeginsel vallen, hoeven niet te worden verstrekt, mits goed gedocumenteerd.

2. Na verstrekking van de genoemde gegevensdragers een mondelinge toelichting en antwoord op de vragen die opkomen na bestudering van de nog te ontvangen informatie zoals genoemd in onderdeel 1 en antwoord op vragen die nog onbeantwoord zijn gebleven.”.

32. Eiseres heeft op 25 juli 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften tegen de navorderingsaanslagen.

33. Op 28 augustus 2019 heeft eiseres bezwaar ingesteld tegen de informatiebeschikking. In de bezwaarfase heeft eiseres geen nieuwe informatie verstrekt.

34. Bij uitspraak op bezwaar van 21 november 2019 heeft verweerder het bezwaar tegen de informatiebeschikking deels gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder vermeld:
“Ik verklaar uw bezwaar deels gegrond, met dien verstande dat de afgegeven informatiebeschikking rechtmatig is omdat door uw cliënte niet aan haar informatieverplichting van artikel 47 AWR wordt voldaan, maar ik deze herzie voor wat betreft de stukken in de administratie die al wel zijn verstrekt en de nog niet specifieke vervolgvragen na verstrekking van de gevraagde informatie”.

35. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft eiseres bij vonnis in kort geding van 4 december 2019 bevolen om binnen 45 dagen na betekening van het vonnis volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan het verstrekken aan de Belastingdienst van inzage in de administratie, dat wil zeggen de volledige boekhouding van [trust 2] en [Limited 2] , vanaf het moment van instellen van de truststructuur tot en met opheffing (waarbij de begrippen ‘administratie’ en ‘boekhouding’ moeten worden uitgelegd naar Nederlandse fiscale maatstaven), waarbij het gaat om alle boeken en bescheiden die hieraan ten grondslag liggen, zoals facturen, bankafschriften en vermogensoverzichten, alsmede om akten, overeenkomsten (bijvoorbeeld van geldleningen en transacties), correspondentie per brief, fax, e-mails en (bestuurs)besluiten en om voormelde gegevens, inlichtingen en/of verklaringen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud mondeling en/of schriftelijk te verstrekken. Voorts is eiseres bevolen om - binnen een door de Belastingdienst nader te bepalen termijn - een mondelinge toelichting te geven op de vragen die opkomen na bestudering van de nog te ontvangen informatie en op de vragen die nog onbeantwoord zijn gebleven. Daarbij is eiseres veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 2.500 per dag of een gedeelte van een dag dat zij met de nakoming van één of meer van de bevelen in gebreke is gebleven, tot een maximum van € [geldbedrag] .

36. Op 22 januari 2020 hebben de gemachtigden diverse stukken ter zake van [trust 1] , [Limited 1] , [trust 2] en [Limited 2] overgelegd. Ter zake van [trust 2] en [Limited 2] zijn drie ordners met 23 documenten aan verweerder overgelegd:

“1. Trustakte (Settlement [trust 2] )

2. Benoeming protector

3. Deed of retirement en correspondentie inzake new trustee

4. Memorandum of association and articles of association of [Limited 2]

5. Certificate of incorporation [Limited 2]

6. Certificate of good standing [Limited 2]

7. Share certificate (100 shares [F] )

Share certificate (100 shares [trust 4] Company Ltd.)

Share certificate (100 shares [compagny 1] (BVI) Ltd.)

8. Notices to the annual general meetings 2006 t/m 2012

9. Financial statements 2006 t/m 2015

10. Correspondentie omtrent distributions (consent letters & resolutions) 2006 t/m 2012

11. Facturen [trust 4] Company Ltd. en (vervolgens) [compagny 1] 2006 t/m 2016

12. Brief [E] bank betreffende sluiting bankrekening per 27-12-2016

13. Credit notice

14. Account opening request

15. Handtekeningenformulier

16. UBO formulier

17. Handtekeningenformulier

18. UBO formulier

19. Declaration for trusts

20. Power of attorney [G]

21. Asset management mandate (pas necessaire)

22. Bankafschriften en vermogensoverzichten 2012 t/m 2016

23. Bankafschriften en vermogensoverzichten 2007 t/m 2011”.

37. Op 22 januari 2020 hebben de gemachtigden ter zake van [trust 2] en [Limited 2] in bijlage 3 (productie 20 tot en met 27) van het aanvullend beroepschrift nog de volgende stukken ingediend:

- stukken uit archief van [G] ;

- facturen van [trust 4] en [compagny 1] ;

- jaarrekeningen/financial statements van [Limited 1] . en [Limited 2] over de jaren 2006 tot en met 2011;

- settlor letters and distribution resolutions en minutes van de board meetings van [Limited 2] over de jaren 2006 tot en met 2010;

- minutes van de annual general meeting of the company, de power of attorney en de resolution of the directors of [compagny 1] over de jaren 2011 tot en met 2013;

- correspondentie van [Limited 1] . over uitkeringen in 2006, en de minuten van de board meetings over de jaren 2006, 2008 tot en met 2013;

- share certificates van [Limited 2] en [Limited 1] ., de certificates of incorporation en de certificates of good standing.

38. Bij brief van 5 februari 2020 heeft verweerder aan de gemachtigden medegedeeld dat eiseres en de zus met hun brief van 22 januari 2020 nog niet aan hun verplichtingen uit het civiele vonnis hebben voldaan. Verweerder schrijft in die brief - voor zover hier van belang - het volgende:

“Na kennisneming van de overgelegde stukken is de Belastingdienst van mening dat uw cliënten thans nog niet hebben voldaan aan de op hen rustende verplichtingen. Er is nog geen inzage verstrekt in de volledige boekhouding van [trust 1] , [Limited 1] , [trust 2] en [Limited 2]

Vastgesteld is dat uw cliënten de volgende stukken in ieder geval nog niet hebben verstrekt:

  1. de administratie (de volledige boekhouding) vanaf het moment van instellen van de truststructuur in 1997 tot en met 2005

  2. de administratie (de volledige boekhouding) vanaf 2016 tot en met de opheffing van de truststructuur

  3. correspondentie per brief, fax en e-mail:

1. er zijn geen e-mails aangetroffen, terwijl de Belastingdienst over e-mails in deze dossiers beschikt, waaronder e- mails van en aan (medewerkers van) de (half)broer [F] (" [e-mail] ");

2. er is geen correspondentie aangetroffen over belangrijke onderwerpen, zoals:

i. inrichting van de truststructuren,

ii. benoeming en ontslag van functionarissen in de truststructuren,

iii. dividendbeleid en jaarlijkse dividenduitkeringen van de Ltd's aan de trusts (minstens 10 per structuur) en uitkeringen uit het trust aan gedaagden,

iv. besluitvorming over de wijziging van trustee in 2006 (van [trust 4] op Bermuda naar [compagny 1] op de Britse Maagdeneilanden),

v. het overlijden van de settlor in oktober 2006,

vi. beleggingsbeleid in de Ltd's,

vii. openbaarmaking van deze structuren in de Panama Papers, en

viii. opheffing van de structuren en de overdracht van het vermogen uit de truststructuur aan gedaagden.

3. er zijn geen stukken van de heer [E] van [compagny 1] aangetroffen, terwijl de inspecteur wel over stukken van hem beschikt en deze ook heeft opgenomen in de processtukken;

(concept) letters of wishes: uit de informatie uit Duitsland is bekend dat deze letters of wishes er zijn; in de processtukken bevindt zich nota bene een (concept) letter of wishes;

verschillende powers of attorney (PoA): uit de informatie uit Duitsland is bekend dat deze PoA's er zijn en de gemachtigde heeft nota bene zelf een PoA verstrekt aan de inspecteur;

De overeenkomst, besluitvorming en correspondentie omtrent de door [Limited 1] verstrekte lening aan J.W.M. van der Vorm (alleen van toepassing voor gedaagde [A] );

kopieën van paspoorten, referenties en verklaringen: uit de informatie uit Duitsland is bekend dat deze stukken er zijn, welke eerder al verstrekt zijn aan de gemachtigde en welke opgenomen zijn in het procesdossier;

correspondentie tussen de protector en de trustee ontbreekt, terwijl de protector een doorslaggevende rol speelt bij goedkeuring van alle belangrijke beslissingen (dividendpolitiek, opheffing e.d.) in de trusts;

met betrekking tot de jaarlijkse aandeelhoudersvergaderingen van de Ltd's zijn geen inhoudelijke besluiten en daaraan ten grondslag liggende (vergader)stukken aangetroffen.

er zijn geen jaarstukken van de twee trusts aangetroffen en correspondentie tussen de trust en de Ltd's ontbreekt.”.

Geschil
39. In geschil is of de informatiebeschikking terecht is gegeven.

Beoordeling van het geschil

Heffingsbelang

40. De rechtbank stelt voorop dat artikel 47, eerste lid, van de Awr verweerder een ruime bevoegdheid geeft tot het inwinnen van informatie bij een belastingplichtige. Voor een belastingplichtige bestaat op grond van die bepaling een verplichting om aan verweerder desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en/of boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, indien verweerder zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing ten aanzien van die belastingplichtige (vgl. Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). Indien niet volledig wordt voldaan aan deze verplichting, kan verweerder op grond van artikel 52a, eerste lid, van de Awr een informatiebeschikking geven.

41. Uit de concept letter of wishes en de e-mail van [advocaat] van 7 augustus 2007 - waarvan de inhoud op zichzelf niet door eiseres is bestreden - blijkt dat de stiefvader middels [trust 2] en [Limited 2] een truststructuur voor eiseres heeft opgezet. Daarnaast blijkt uit de onder meer uit Duitsland verkregen informatie dat eiseres, samen met [C] , begunstigde is van [trust 2] , en dat [trust 2] enig aandeelhouder is in [Limited 2] Nu eiseres voorts op 13 november 2018 heeft verklaard dat na opheffing van de truststructuur het gehele vermogen van de trust in de zomer van 2017 via [C] aan haar is overgemaakt, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat eiseres bij [trust 2] en [Limited 2] betrokken is geweest. Gelet op deze betrokkenheid kon verweerder zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde gegevens en bescheiden - de volledige administratie van [trust 2] en [Limited 2] - voor alle jaren van belang zou kunnen zijn voor de belastingheffing van eiseres. Deze gegevens en bescheiden kunnen immers opheldering geven over de vraag of het trustvermogen aan eiseres kan worden toegerekend, en zo dit het geval is, over de omvang van het inkomen en vermogen dat bij haar in de onderhavige jaren in de heffing van inkomstenbelasting zou kunnen worden betrokken.

42. De omstandigheid dat verweerder in het onderhavige geval reeds vóór het afgeven van de informatiebeschikking navorderingsaanslagen over de jaren 2006 tot en met 2016 heeft opgelegd, kan aan voormeld oordeel niet afdoen. Deze omstandigheid brengt niet mee dat de door verweerder gevraagde gegevens en bescheiden niet (meer) van fiscaal belang zijn. Verweerder dient namelijk in de bezwaarfase een volledige heroverweging te maken om de juistheid van de opgelegde navorderingsaanslagen te kunnen toetsen. Gelet hierop heeft verweerder in de bezwaarfase de bevoegdheid om (nogmaals) alle voor de belastingheffing van eiseres relevante gegevens op te vragen. Bovendien valt niet uit te sluiten dat na ontvangst van de door verweerder gevraagde gegevens en bescheiden nog nadere navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2006 tot en met 2016 zullen worden opgelegd. De stelling van eiseres dat verweerder wegens het ontbreken van een nieuw feit dan wel kwade trouw niet bevoegd is om nadere navorderingsaanslagen op te leggen, behoeft hier geen behandeling, aangezien een dergelijke beoordeling pas aan de orde kan komen in een procedure tegen die eventueel nog op te leggen nadere navorderingsaanslagen.

43. Het vorenstaande brengt mee dat eiseres op grond van artikel 47, eerste lid, van de Awr verplicht was om de door verweerder gevraagde informatie te verstrekken. Voor zover eiseres heeft bedoeld te stellen dat verweerder de administratie van een rechtspersoon niet bij een natuurlijk persoon kan opvragen, faalt deze stelling. De informatieverplichting van artikel 47 van de Awr strekt zich immers ook uit tot informatie die zich bij een derde bevindt en waarover een belastingplichtige redelijkerwijs kan beschikken, ongeacht of dat van een belastingplichtige wordt gevraagd binnen of buiten enige bewaartermijn. De rechtbank zal hierna beoordelen of eiseres aan haar informatieverplichting heeft voldaan.

Informatieverplichting

44. Uit de gedingstukken valt op te maken dat eiseres, ook na het civiele vonnis, een groot deel van de door verweerder gevraagde informatie niet heeft verstrekt. Eiseres heeft weliswaar heel veel (veelal dubbele) stukken aan verweerder verstrekt, maar zij heeft, naar onder meer blijkt uit de brief van verweerder van 5 februari 2020, diverse essentiële stukken, niet overgelegd. Dit is als zodanig tussen partijen ook niet in geschil. Wel in geschil is of eiseres over de gevraagde informatie beschikte dan wel kon beschikken en of zij zich voldoende heeft ingespannen om over de gevraagde informatie te kunnen beschikken.

45. Gelet op de gedingstukken en hetgeen verweerder heeft aangevoerd, acht de rechtbank aannemelijk dat meer informatie aanwezig moet zijn (geweest) dan door eiseres is verstrekt. Gezien de aard van de in de brief van verweerder van 5 februari 2020 opgesomde stukken, acht de rechtbank het bestaan van die stukken aannemelijk. Zo valt onder meer niet in te zien dat er geen stukken meer zijn over de opheffing van de truststructuur uit 2016, nu die opheffing slechts enkele jaren geleden heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft gesteld dat zij tot voor kort niet op de hoogte was van het bestaan van de trust en stelt dat een en ander buiten haar om is gegaan. Wat daar ook van zij, inmiddels is zij al geruime tijd (al voor dat zij voor het eerst door verweerder werd benaderd) van het bestaan van de trust en het voor haar gereserveerde vermogen op de hoogte. Desondanks is de informatieverschaffing door eiseres aan verweerder niet volledig geweest. Eiseres heeft onder meer op 13 november 2018 verklaard dat de trust eind 2016 is opgeheven en dat zij in de zomer van 2017 het resterende vermogen uit die trust tot haar beschikking heeft gekregen, terwijl zij eerder in haar brief van 9 januari 2018 aan verweerder heeft verklaard dat zij geen inkomen of vermogen uit de trust had ontvangen en zij ook na de vragenbrief van verweerder van 17 mei 2018, waarin vragen zijn gesteld over de opheffing van de trust, hierover geen duidelijkheid heeft verschaft. Daarnaast kunnen er vraagtekens worden gezet bij het gegeven dat verweerder de concept-letter of wishes niet rechtstreeks van eiseres, maar via derden, heeft verkregen. Het ligt zonder meer voor de hand dat [C] , als protector van de trust, de beschikking had over die letter of wishes (zie daarvoor ook de mail van [advocaat] van 7 augustus 2006 onder 4) en dat eiseres die via [C] - met wie zij naar eigen zeggen een goede relatie heeft - had kunnen krijgen. Gezien deze feitelijke gang van zaken bij de informatieverstrekking en de herhaalde uitlatingen van eiseres dat zij geen informatie hoeft te verstrekken omdat deze niet relevant is voor de belastingheffing, acht de rechtbank het aannemelijk dat thans nog meer informatie te verkrijgen is dan door eiseres is verstrekt.

46. Eiseres heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij alle redelijkerwijs te verwachten inspanningen heeft verricht om de door verweerder gevraagde gegevens te verkrijgen. De enkele stelling van eiseres dat zij [compagny 1] - dat inmiddels niet meer bestaat - niet kan bereiken en dat zij daarom bij [compagny 1] geen gegevens meer kan opvragen, is ontoereikend om aan te nemen dat de gevraagde informatie niet voorhanden is. De rechtbank acht het, naar verweerder heeft gesteld, aannemelijk dat [compagny 1] , toen het ophield te bestaan of op een eerder moment (bijvoorbeeld toen de trust werd opgeheven), de aldaar nog aanwezige administratie heeft overgedragen aan de belanghebbenden - eiseres en/of [C] - bij de trust. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat ook [C] over nog meer stukken beschikt dan zijn overgelegd. [C] is namelijk in alle jaren, vanaf de instelling van de trust in 1997 tot aan de opheffing in 2016, bij de truststructuur betrokken geweest en heeft daarin een zeer belangrijke rol gespeeld. Zo was [C] al sinds 1997 directeur van [Limited 2] en had hij een volmacht voor de bankrekening van [Limited 2] Daarnaast was [C] sinds 1997 (mede-)begunstigde van de trust en was hij vanaf het overlijden van de stiefvader in 2006 protector van de trust, in welke hoedanigheid hij blijkens de trustakte onder meer voor alle betalingen uit het trustvermogen zijn schriftelijke toestemming moest geven alvorens de trustee handelingen kon uitvoeren. De verklaring van [C] dat hij niet over meer informatie beschikt dan is overgelegd, komt de rechtbank, gezien de invloedrijke positie van [C] binnen de truststructuur, dan ook niet geloofwaardig voor. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat [C] veel meer kan verklaren dan hij tot nu toe heeft gedaan en dat hij in ieder geval een inhoudelijke verklaring kan geven over de eventuele niet meer bij hem aanwezige stukken alsmede over de gang van zaken binnen de truststructuur. Gezien de onderlinge verstandhouding tussen eiseres en [C] en zijn betrokkenheid bij deze kwestie (die onder meer blijkt uit het gegeven dat hij de gemachtigden van eiseres heeft verzocht eiseres in deze zaak te gaan begeleiden) wordt er voorshands vanuit gegaan dat eiseres de informatie, die [C] onder zich heeft, heeft kunnen verkrijgen om deze aan verweerder te verstrekken. Van eiseres mag in dat kader ook worden verlangd dat zij dusdanige inspanningen verricht om [C] ertoe te bewegen openheid van zaken te geven en haar de gevraagde informatie te verstrekken. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij dergelijke inspanningen heeft verricht.

47. De diverse pogingen die eiseres vóór en na het civiele vonnis heeft ondernomen om informatie bij andere derden - zoals [compagny 1] , [trust 5] ( Bermuda ) Ltd., de liquidators van [compagny 1] , [G] (mede-directeur van [Limited 2] ), [effectenbewaarder] namens custodian (effectenbewaarder) [limited] en een journalist van het Financieel Dagblad - in te winnen, al dan niet met bijstand van [C] , acht de rechtbank eveneens onvoldoende voor het oordeel dat eiseres alle redelijkerwijs te verwachten inspanningen heeft verricht om de door verweerder gevraagde gegevens te verkrijgen.

48. Het vorenstaande brengt mee dat eiseres niet aan haar informatieverplichting heeft voldaan.

Schending algemeen beginsel van behoorlijk bestuur

49. Het is verweerder toegestaan in de bezwaarfase een informatiebeschikking te geven, tenzij dit leidt tot schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur (vgl. Hoge Raad 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2895). Eiseres heeft gesteld dat sprake is van misbruik van procesrecht, détournement de pouvoir, schending van het evenredigheids-, het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.

50. Naar het oordeel van de rechtbank kan, anders dan eiseres heeft gesteld, uit de gedingstukken niet worden geconcludeerd dat verweerder de informatiebeschikking enkel heeft gegeven met het doel om de beslistermijn op de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen te verlengen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verweerder reeds vanaf de aanslagfase diverse vragen over de trust aan eiseres heeft gesteld, welke vragen zij steeds niet volledig heeft beantwoord, en dat verweerder eiseres voorafgaand aan de informatiebeschikking meerdere malen heeft gewezen op de mogelijkheid dat hij een informatiebeschikking zal afgeven indien eiseres geen of onvolledige informatie verstrekt. Daarnaast komt uit de gedingstukken naar voren dat verweerder voortdurend heeft gepoogd om met eiseres in gesprek te blijven over de nog door haar te verstrekken informatie en dat hij vlak voor de ingebrekestelling nog met eiseres in gesprek was om hierover verdere vervolgafspraken te maken. Ook na de ingebrekestelling heeft verweerder getracht het gesprek met eiseres voort te zetten en heeft hij in dat kader eiseres verzocht om de ingebrekestelling in te trekken. Nu eiseres vervolgens te kennen heeft gegeven dat zij de ingebrekestelling niet zou intrekken, en van eiseres, afgaande op de feitelijke gang van zaken bij de informatieverstrekking door eiseres, ook geen nieuwe informatie meer te verwachten viel, mocht verweerder onder deze omstandigheden de informatiebeschikking geven en heeft hij daarmee binnen de grenzen van de hem toekomende wettelijke bevoegdheden gehandeld. De omstandigheid dat verweerder één dag na zijn brief van 17 juli 2019 de informatiebeschikking heeft afgegeven en dat hij de in die brief opgenomen reactietermijn niet meer heeft afgewacht, kan aan voormeld oordeel niet afdoen, aangezien eiseres reeds eerder in de gelegenheid was gesteld om die informatie te verstrekken en van haar, naar hiervóór is overwogen, geen nadere informatie meer te verwachten viel. Bovendien heeft verweerder, naar hij terecht heeft gesteld, ook een belang bij de informatiebeschikking in het kader van de bewijslastverdeling. Aldus heeft verweerder de informatiebeschikking niet enkel voor een oneigenlijk doel - het verlengen van de beslistermijn op bezwaar - gegeven. Dit kan, anders dan eiseres betoogt, ook niet worden afgeleid uit de door verweerder in de uitspraak op bezwaar gebruikte formulering dat hij met de afgifte van de informatiebeschikking zijn rechten wilde bewaren. Van misbruik van procesrecht dan wel détournement de pouvoir is dus geen sprake. Aan de beoordeling van de vraag of met het afgeven van de informatiebeschikking de beslistermijn op bezwaar wordt verlengd, als ook het beroep van eiseres op de uitspraak van rechtbank Gelderland van 22 augustus 2017 (ECLI:NL:RBGEL:2017:4332) gaat de rechtbank voorbij, nu deze beoordeling thuishoort in de procedures inzake de door eiseres ingestelde beroepen tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaren.

51. Van schending van het evenredigheidsbeginsel is evenmin sprake. Hoewel het verzoek om overlegging van de volledige administratie ruim geformuleerd is, heeft verweerder hiermee niet het evenredigheidsbeginsel geschonden. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in de bezwaarfase een volledige heroverweging dient te maken om de juistheid van de opgelegde navorderingsaanslagen te kunnen toetsen en dat het verweerder, ook in de bezwaarfase, vrij staat om te kiezen welke gegevens en inlichtingen hij vraagt, mits het gevraagde op zich zelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige. Zoals de rechtbank reeds hiervóór heeft overwogen, kan de volledige administratie van [trust 2] en [Limited 2] voor alle jaren relevant zijn voor de belastingheffing van eiseres en kan de omstandigheid dat verweerder in dit geval al navorderingsaanslagen heeft opgelegd daaraan niet afdoen. Bovendien heeft verweerder de informatiebeschikking pas gegeven nadat hij eerder in de aanslagfase met minder vergaande informatieverzoeken heeft getracht aan de benodigde informatie te komen. Eiseres heeft met de door haar in de aanslagfase verstrekte informatie echter geen enkel inzicht gegeven in de gang van zaken binnen de truststructuur en de daarbinnen gevoerde administratie. Nu verweerder deze informatie niet van eiseres heeft gekregen en het ervoor moet worden gehouden dat eiseres, naar hiervóór onder 46 en 47 is overwogen, redelijkerwijs over de door verweerder gevraagde informatie heeft kunnen beschikken, heeft verweerder in alle redelijkheid in de bezwaarfase het onderhavige ruime informatieverzoek mogen doen. Dat het informatieverzoek van verweerder tijdsbeslag, moeite, ongemak en onrust voor eiseres meebrengt, acht de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld.

52. Ook van schending van het zorgvuldigheids- dan wel het motiveringsbeginsel is niet gebleken. Zoals hiervóór onder 51 is overwogen, heeft eiseres met de door haar in de aanslagfase verstrekte informatie geen enkel inzicht gegeven in de gang van zaken binnen de truststructuur en de daarbinnen gevoerde administratie. Van verweerder kan dan, gelet ook op het gebrek aan wetenschap bij verweerder over de in de administratie aanwezige stukken, in alle redelijkheid niet worden verwacht dat hij het informatieverzoek in de informatiebeschikking nader inperkt en/of concretiseert. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat in de informatiebeschikking voldoende duidelijk is omschreven welke informatie wordt gevraagd en waarom de gevraagde informatie van belang kan zijn. Van schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is dan ook geen sprake.

Omkering bewijslast

53. Eiseres heeft voorts gesteld dat er in dit geval geen grond is voor omkering van de bewijslast en dat om die reden de informatiebeschikking niet in stand kan blijven. De rechtbank kan zich in deze fase van het geding nog niet ten volle overzien of het niet voldoen aan de informatieverplichting van zodanig gewicht is dat omkering van de bewijslast, gelet op de omstandigheden van het geval, gerechtvaardigd is. Eiseres kan deze vraag (opnieuw) aan de orde stellen in de procedures tegen navorderingsaanslagen (vgl. Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130).

Slotsom

54. Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen, heeft verweerder de informatiebeschikking terecht gegeven. De rechtbank zal eiseres op grond van artikel 27e, tweede lid, van de Awr een nieuwe termijn stellen om de in de informatiebeschikking verzochte informatie te verstrekken. De rechtbank acht een termijn van zes weken vanaf de dag na die van verzending van de uitspraak passend.

55. Het vorenstaande brengt mee dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Schadevergoeding en proceskosten

56. De rechtbank wijst het verzoek van eiseres om een vergoeding van schade af, nu zij dit verzoek niet nader heeft onderbouwd. Ook is, gelet op het tijdsverloop in de onderhavige procedure, geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BO5080 en BO5087), zodat evenmin aanleiding bestaat voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade.

57. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- stelt eiseres een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag waarop deze uitspraak is verzonden, om alsnog aan verweerder de in de informatiebeschikking gevraagde informatie te verstrekken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, voorzitter, en mr. E.E. Schotte en

mr. J.J. Arts, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag .