Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7920

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
Nl 20.11068
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

TKB/IVB; geen motivering bij gronden in separaat TKB, maar wel motivering in gelijktijdige besluit bewaring. Gebrek passeren onder toepassing van artikel 6:22 Awb.Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Voldoende voortvarend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.11068 (maatregel van bewaring)

NL20.11383 (terugkeerbesluit en inreisverbod)


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. M.L. van Riel),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S.I.N. Ebecilio).


Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2020 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van één jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de oplegging van de maatregel van bewaring strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft op 26 mei 2020 te kennen gegeven geen toestemming te geven voor een schriftelijke afdoening. Op 27 mei 2020 heeft eiser vervolgens te kennen gegeven afstand te doen van het recht in persoon te worden gehoord.

De gemachtigden van partijen zijn op 2 juni 2020 telefonisch gehoord. Het onderzoek is vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Macedonische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] .

Over bestreden besluit 1

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

3. Eiser voert aan dat verweerder de zware en lichte gronden ten onrechte niet heeft gemotiveerd in bestreden besluit 1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3426) weliswaar geoordeeld dat het voldoende is als de motviering is opgenomen in het besluit tot oplegging van de maatregel van bewaring, maar dat gaat in dit geval niet op. Aan het besluit kleeft een motiveringsgebrek. Als gevolg daarvan vervalt ook het opgelegde inreisverbod.

3.1

Verweerder heeft aangevoerd dat eiser is gehoord met betrekking tot het voornemen een terugkeerbesluit en inreisverbod op te leggen en met betrekking tot het voornemen om een maatregel van bewaring op te leggen. Eén gehoor volstaat voor beide voornemens. De motivering die ten aanzien van de zware en lichte gronden is opgenomen in het bestreden besluit 2 geldt ook voor het bestreden besluit 1. Nu deze besluiten kort na elkaar zijn genomen, wordt het voor eiser voldoende duidelijk geacht welke motivering ten grondslag ligt aan het terugkeerbesluit. De zware en lichte gronden zijn niet betwist en deze zijn voldoende om een risico op onttrekken aan het toezicht aan te nemen.

3.2

De Afdeling heeft in de hiervoor genoemde uitspraak, voor zover hier van belang, als volgt geoordeeld:

“In het terugkeerbesluit heeft de staatssecretaris drie zware en vier lichte gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 gehanteerd. De gronden, die als zodanig niet door de vreemdeling worden bestreden, zijn niet van een toelichting voorzien en evenmin is uiteengezet, voor zover nodig, waarom uit die gronden een onttrekkingsrisico volgt. […]

De Afdeling is van oordeel dat niet aannemelijk is dat de vreemdeling door het motiveringsgebrek in het besluit is benadeeld en ziet aanleiding dit te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. In algemene zin is doel van het motiveringsvereiste onder meer de vreemdeling in staat te stellen zijn rechten te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft zich tot de bevoegde rechter te wenden. Ter vergelijking verwijst de Afdeling naar het arrest van het Hof van 5 juni 2014, Mahdi, ECLI:EU:C:2014:1320, dat over maatregelen van bewaring gaat maar waar het Hof in punt 45 ook verwijst naar arresten die gaan over andere rechtsgebieden. Tussen een separaat terugkeerbesluit en een daaropvolgende maatregel van bewaring bestaat een nauwe samenhang (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8388). Dezelfde zware en lichte gronden die in dit geval aan het terugkeerbesluit ten grondslag zijn gelegd, zijn aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. In de maatregel is gemotiveerd ingegaan op de gronden en is geconcludeerd dat een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Beide besluiten zijn op dezelfde dag, kort na elkaar, aan de vreemdeling uitgereikt. Er kon voor de vreemdeling redelijkerwijs geen misverstand over bestaan dat de in de maatregel neergelegde motivering ook geldt voor het terugkeerbesluit. Hij kon daarom met volledige kennis van zaken beslissen over nut en noodzaak zich wat het terugkeerbesluit betreft tot de bevoegde rechter te wenden. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding de uitspraak van de rechtbank vanwege het hiervoor genoemde gebrek te vernietigen.”

3.3

Gelet op dit oordeel van de Afdeling is ook in het onderhavige geval sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter eveneens aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren, nu ook in dit geval, net als de zaak die voorlag bij de Afdeling, in de maatregel van bewaring de motivering is neergelegd en de beide besluiten kort na elkaar zijn opgelegd, zodat er voor eiser geen misverstand over kon bestaan dat de motivering in bestreden besluit 2 ook gold voor bestreden besluit 1 en dat hij daarom met volledige kennis van zaken zijn geval heeft kunnen voorleggen in beroep. Daarbij komt dat eiser de door verweerder van toepassing geachte zware en lichte gronden niet heeft bestreden en de in bestreden besluit 2 gegeven motivering daarbij evenmin heeft bestreden.

Deze beroepsgrond slaagt niet, zodat het bestreden besluit 1, waarin ook een inreisverbod is vervat, niet voor vernietiging in aanmerking komt.

Over bestreden besluit 2

4. De rechtbank stelt vast dat eiser de door verweerder van toepassing geachte zware en lichte gronden niet heeft bestreden en evenmin is opgekomen tegen de motivering van deze gronden. Verweerder heeft deze gronden daarom ten grondslag kunnen leggen aan bestreden besluit 2.

5. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is. Eiser wijst daarbij op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 mei 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:4599). In deze uitspraak is geoordeeld dat de maatregelen die zijn getroffen ter bestrijding van Covid-19 een tijdelijke belemmering vormen voor uitzettingen omdat vanaf 2 juni 2020 weer vluchten beschikbaar zouden zijn. Deze redenering gaat echter niet meer op, nu het inmiddels 2 juni 2020 is en niet is gebleken dat er weer vluchten beschikbaar zijn.

5.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. De maatregelen ter bestrijding van Covid-19 vormen een tijdelijke belemmering. De maatregelen worden langzaam maar zeker verder versoepeld, zodat het zicht op uitzetting nog niet ontbreekt. Eiser heeft een op zijn naam gesteld en geldig paspoort, zodat vertrek in beginsel snel zou kunnen worden geregeld. Eiser heeft echter medische begeleiding van een psychiatrisch verpleegkundige nodig tijdens de reis en er zullen escorts meegaan, hetgeen leidt tot enige vertraging van de daadwerkelijke uitzetting.

5.2

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1141) geoordeeld dat de corona-maatregelen die wereldwijd zijn getroffen door overheden op dit moment nog zijn aan te merken als een tijdelijke belemmering. Dit neemt volgens de Afdeling niet weg dat, als de huidige situatie voortduurt zonder dat er enig vooruitzicht komt op opheffing van de aan het coronavirus gerelateerde feitelijke uitzettingsbelemmeringen, die alsnog gevolg kan hebben voor het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

5.3

De rechtbank heeft in de hiervoor genoemde uitspraak vervolgens geoordeeld dat, hoewel op dat moment niet op korte termijn naar Bosnië kan worden gevlogen, dit vooralsnog een tijdelijke belemmering betreft. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat uit de informatie van verweerder blijkt dat vanaf 2 juni 2020 weer vluchten (naar de rechtbank uit rechtsoverweging 4.1 van de uitspraak van 26 mei 2020 begrijpt) naar Tuzla, Bosnië beschikbaar zijn. De rechtbank heeft in deze uitspraak niet geoordeeld, zoals eiser kennelijk meent, dat in zijn algemeenheid vanaf 2 juni 2020 weer vluchten beschikbaar zijn, maar slechts in dat specifieke geval. Een beroep op deze uitspraak kan in zoverre dan ook niet slagen.

De rechtbank is verder bij de huidige stand van zaken van oordeel dat de feitelijke uitzettingsbelemmeringen tijdelijk zijn en dat in het geval van eiser nog altijd sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

De beroepsgrond slaagt niet.

Over de beroepen

6. Het beroep tegen de bestreden besluiten is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af..

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom Covid-19 is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.