Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7912

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1955
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het was aan eiser om de juistheid van de bedragen van de terugvordering gemotiveerd te betwisten De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit niet de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/1955

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.E. de Hoop),

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Schurgers).

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder vermeld dat in september 2019 een correctie heeft plaatsgevonden over het wachtgeld van eiser over de jaren 2018 en 2019. Verder heeft verweerder vermeld dat het wachtgeld over de jaren 2016 en 2017 is gecorrigeerd in oktober 2019 en dat hierdoor geen uitbetaling zou plaatsvinden.

Bij besluit van 5 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek heeft via videoverbinding plaatsgevonden op 5 augustus 2020. Eiser heeft deelgenomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser werkte als burgerambtenaar bij het ministerie van Defensie. Met ingang van 1 juli 2012 is aan hem overtolligheidsontslag verleend. Bij besluit van 6 juli 2012 is aan eiser aansluitend aan het ontslag op grond van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (Wbad) wachtgeld toegekend tot 1 april 2020, de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Ook is bij besluit van 6 juli 2012 aan eiser vrijstelling verleend voor de inkomsten uit de werkzaamheden in zijn eenmanszaak [eenmanszaak] en de WW-uitkering van het UWV, verband houdend met het einde van zijn dienstverband bij ROC Aventus.

2. Op verzoek van verweerder heeft eiser de aangiftes inkomstenbelasting over 2016, 2017 en 2018 overgelegd.

3. Bij brief van 17 september 2019 heeft verweerder vermeld dat uit de aangiftes over 2016, 2017 en 2018 blijkt dat eiser in 2016 bij twee scholen werkzaam is geweest en in 2017 bij Stichting Carmel College. Deze gegevens zijn van invloed op eisers wachtgelduitkering. Eiser had geen salarisspecificaties opgestuurd.

Gebleken is dat eiser met keuzepensioen is gegaan. Zijn dienstverband is bij Stichting Carmel College met ingang van 1 maart 2018 volledig beëindigd van deeltijdfactor 0,4 naar 0,0. In dit geval wordt het ABP-keuzepensioen gezien als neveninkomsten en niet als beëindiging van het wachtgeld.

4. Bij het primaire besluit heeft verweerder vermeld dat er in september 2019 een correctie heeft plaatsgevonden over de jaren 2018 en 2019. De jaren 2016 en 2017 zijn gecorrigeerd in oktober 2019. Hierdoor zou er geen uitbetaling plaatsvinden.

5. Bij brief van 5 november 2019 heeft verweerder bijlagen gestuurd die betrekking hebben op de bezwaarprocedure. Verweerder heeft toegelicht dat na de correcties in september 2019 en oktober 2019 een bruto bedrag van € 4.405,- teveel is teruggevorderd. Dit betreft de terugvordering van het wachtgeld in oktober 2019 over de maanden januari 2018 en februari 2018. De reden was dat de inkomsten uit de werkzaamheden bij Stichting Carmel College tweemaal op het wachtgeld in mindering zijn gebracht.

6. Bij besluit van 18 november 2018 heeft verweerder de overblijvende vordering van € 7.803,62 teruggevorderd.

Verweerder heeft toegelicht dat de vordering van oktober 2019 van € 10.303,62 te hoog is vastgesteld. Hierdoor heeft er in november 2019 een nabetaling plaatsgevonden. Deze nabetaling met een netto bedrag van € 2.500,- (€ 5.065,29 - € 2.565,29) is niet aan eiser uitbetaald met verrekend met de openstaande vordering van oktober 2019. De reguliere wachtgelduitkering van november 2019, met een bedrag van € 2.565,29 is op 15 november 2019 aan eiser overgemaakt. De vordering die nog overblijft, bedraagt € 7.803,62 (€ 10.303,62 - € 2.500,-).

Het bestreden besluit

7. Bij het bestreden besluit heeft verweerder over de kalenderjaren 2016 en 2017 een bedrag van € 10.730,06 (€ 10.309,92 + € 420,10) teruggevorderd. Daarnaast is er over het kalenderjaar 2018 een bedrag van € 5.570,07 (€ 1.926,22 + € 3.643,85) teruggevorderd en over het kalenderjaar 2019 is een bedrag van € 1.150,82 toegekend. Uiteindelijk is er een vordering ontstaan van € 10.303,62.

Verder heeft verweerder verwezen naar zijn brief van 5 november 2019. Omdat een bruto bedrag van € 4.405,- teveel is teruggevorderd, slaagt het bezwaar tegen de hoogte van de vordering. De overige argumenten hebben verweerder geen aanleiding gegeven om de vordering (verder) te matigen of van de vordering af te zien.

Het betoog van eiser

8. Eiser heeft tijdens de zitting aangevoerd dat in het primaire besluit de terugvordering niet aan de orde is. Verweerder heeft de terugvordering dan ook ten onrechte bij zijn heroverweging betrokken, aldus eiser.

Verder heeft eiser aangevoerd dat het teruggevorderde bedrag niet correct is. Volgens eiser is uit het bestreden besluit niet af te leiden hoe verweerder is gekomen tot dit bedrag. Niet is af te leiden hoe het recht op uitkering over de jaren 2016 tot en met 2019 is vastgesteld en hoe rekening is gehouden met de inkomsten van eiser. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat hij moeite heeft met de manier waarop verweerder hem behandelt.

Het oordeel van de rechtbank

9. Naar aanleiding van het bezwaarschrift is verweerder in zijn brief van 5 november 2019 ingegaan op de terugvordering. Eiser heeft daarop voorafgaande aan het bestreden besluit niet gereageerd. Omdat eiser, hoewel daarnaar gevraagd, niet aangegeven of hij gehoord wilde worden, heeft geen hoorzitting plaatsgevonden. In beroep heeft eiser er zich tot de zitting niet tegen verzet dat verweerder bij het bestreden besluit is ingegaan op de terugvordering. Niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad doordat verweerder bij het bestreden besluit is ingegaan op de terugvordering. Vanuit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit daarom in zijn geheel, dus ook het gedeelte dat betrekking heeft op de terugvordering.

10. De berekeningen van verweerder zijn gevoegd bij de brief van 5 november 2019: in bijlage 16.1 staat het bedrag dat in 2016 bruto te veel aan wachtgeld is toegekend; in bijlage 17.1 staat het bedrag dat in 2017 te veel aan wachtgeld is toegekend; in bijlage 18.1 staat het bedrag dat in 2018 te veel aan wachtgeld is toegekend; in bijlage 19.1 staat het bedrag dat in 2019 te veel aan wachtgeld is toegekend; in bijlage 20.1 staat het totaal bruto te veel toegekende bedrag van € 10.744,31. Verweerder heeft tijdens de zitting een toelichting gegeven op de bedragen. Het was aan eiser om de juistheid van de bedragen gemotiveerd te betwisten. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1986. Eiser heeft de vraagtekens geplaatst bij de genoemde bedragen, maar heeft de bedragen onvoldoende gemotiveerd betwist.

Eiser heeft niet uit zichzelf verweerder de gegevens gestuurd die van invloed konden zijn op zijn wachtgelduitkering. Dit heeft ertoe geleid dat eiser met een relatief hoog bedrag aan terugvordering is geconfronteerd. Eiser is al eerder, namelijk in 2017, geconfronteerd met een terugvordering welke verband hield met neveninkomsten naast zijn wachtgelduitkering. Eiser had er daarom rekening mee moeten houden dat een deel van zijn neveninkomsten op zijn wachtgelduitkering zou worden gekort. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit niet de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 19 augustus 2020 door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W.J. Sloots, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.