Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7884

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3484
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vw, arbeid als zelfstandige, geen vrijstelling mvv-vereiste, want eiser voldoet niet aan de voorwaarden voor de gevraagde vergunning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/3484

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 augustus 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker] , verzoeker, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),

tegen

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige bij [bedrijfsnaam] ’ afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben de voorzieningenrechter toestemming gegeven uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening, nu hij niet rechtmatig in Nederland verblijft en uit Nederland kan worden verwijderd.

3. Verzoeker heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 10 maart 2020 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige bij ‘ [bedrijfsnaam] ’ ingediend. Deze aanvraag is afgewezen. Aan die afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoeker niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) en hij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste, omdat hij niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning, aldus verweerder.

4. Verzoeker betoogt in bezwaar dat hij wel degelijk voldoet aan de vereisten voor de gevraagde vergunning en daarom kan worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Hij is bezig met het opstarten van een fastfood- en afhaalrestaurant waarin hij warm en koud belegde broodjes met biologische ingrediënten zal serveren. Hij heeft voldoende werkervaring op het gebied van restaurantmanagement en als chef-kok in de Aziatische keuken. Ook heeft hij reeds een openingsbalans gepresenteerd met een voor hem haalbaar plan. Voorts heeft hij een beschrijving gegeven van de markt en zijn analyse toegespitst op zijn directe concurrenten en hoe hij zich van hen onderscheidt. Daarbij heeft hij een lijst van beoogde leveranciers overgelegd en zijn prijzenbeleid toegelicht. Verder wijst verzoeker erop dat in het aanvraagformulier niet staat vermeld dat het hebben van een inschrijving bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) een vereiste is. De aanvraag is afgewezen zonder dat verzoeker is gehoord. Reeds hierom is het besluit strijdig met een zorgvuldige motivering ex artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Verzoeker betoogt voorts dat de afwijzing in strijd is met het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb. Verweerder heeft daarbij geen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verzoeker. Hij voert in dat kader aan dat zijn partner de Bulgaarse nationaliteit heeft en derhalve gebonden is aan de Europese Unie. Een verhuizing naar Turkije mag niet van haar worden verwacht. Het primaire besluit is dan ook in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Verder doet verzoeker een beroep op de hardheidsclausule zoals neergelegd in artikel 4:84 van de Awb dan wel artikel 3.71, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb). In bezwaar wenst verzoeker te worden gehoord.

Voorts betoogt verzoeker dat verweerder hem ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd, nu een termijn van vier weken voor vrijwillig vertrek geen genoegzame termijn is.

5. Op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan de vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van Onze Minister een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

6.1

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraken van 23 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1326, en van 29 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3925) volgt dat verweerder in redelijkheid kan verlangen dat een vreemdeling de volgens paragraaf B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 vereiste stukken overlegt die nodig zijn om te beoordelen of die vreemdeling aan het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang voldoet, mits de vreemdeling daarover redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Hieruit volgt dat verzoeker een uittreksel uit het Handelsregister van de KvK dient te overleggen. Dit heeft verzoeker niet gedaan. Voorts heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat het ondernemingsplan summier en in algemene bewoordingen is opgesteld. Verweerder heeft zich daartoe terecht op het standpunt gesteld dat in het ondernemingsplan concrete informatie over de door verzoeker genoten opleidingen ontbreekt, evenals bijvoorbeeld contracten en/of overeenkomsten van opdracht met (toekomstige) leveranciers, contacten met de Belastingdienst en (voorlopige) koop- of huurovereenkomsten van het bedrijfspand en/of apparatuur. Verder heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat in het ondernemingsplan de markt- en concurrentieanalyse in algemene bewoordingen is opgesteld en niet voldoende is toegespitst op de onderneming van verzoeker.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning. Verweerder heeft zowel in de aanvraag als in het primaire besluit aangegeven welke stukken verzoeker dient te overleggen. Van strijd met het motiveringsbeginsel is dan ook geen sprake. Voorts is evenmin gebleken van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De niet onderbouwde stelling van verzoeker dat hij door politieke verschuivingen niet meer zal kunnen aarden in Turkije is daartoe onvoldoende.

6.2

Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker niet nader heeft onderbouwd waarom de gestelde nadelige gevolgen van het primaire besluit onevenredig zouden zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, dan wel dat het besluit van onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden, dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste een onbillijkheid van overwegende aard oplevert. Ten aanzien van het beroep op artikel 8 van het EVRM heeft verweerder er terecht op gewezen dat verzoeker bij zijn aanvraag niet tevens op grond van dit artikel heeft verzocht om vrijstelling van het mvv-vereiste. Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker zijn beroep op artikel 8 van het EVRM niet nader heeft onderbouwd en dat het voor zijn eigen rekening en risico komt dat hij een relatie is aangegaan terwijl hij geen rechtmatig verblijf had.

6.3

Op grond van artikel 62 van de Vw heeft verweerder aan verzoeker een vertrektermijn van vier weken opgelegd. Verzoeker heeft geen omstandigheden aangevoerd waarom van deze wettelijke termijn zou moeten worden afgeweken. De enkele stelling dat de termijn “niet genoegzaam” is, is onvoldoende.

7. Het bezwaar heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen.

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 11 augustus 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.