Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7814

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-08-2020
Datum publicatie
18-08-2020
Zaaknummer
C/09/590298 / FA RK 20-1688
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:2020, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering van Nederland naar de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). Verzoek van de moeder tot teruggeleiding naar Nederland is toegewezen. De rechtbank acht zich bevoegd om op basis van artikel 3, aanhef en onder a, Rv van het verzoek kennis te nemen. De rechtbank verwijst daartoe naar de arresten van de Hoge Raad van 5 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1085) en van het hof Den Haag van 28 augustus 2019 (ECLI:GHDHA:2019:2286). Voor zover de vader heeft gesteld dat de moeder degene is die de kinderen in eerste instantie heeft ontvoerd, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Uit niets blijkt dat vader het niet eens was met het verblijf van de kinderen in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de kinderen voorafgaand aan de vasthouding in de VAE in Nederland is. De kinderen hebben ruim twee jaar in Nederland gewoond, gingen daar naar school en hebben een verblijfsvergunning tot in ieder geval 11 juli 2022. Niet in geschil is dat de moeder geen toestemming heeft gegeven voor de vasthouding in de VAE en dat de vasthouding van de kinderen in de VAE is geschied in strijd met het gezagsrecht van de moeder. Beroep van de vader op de weigeringsgronden (artikel 13 lid 2 HKOV (verzet) en artikel 20 HKOV en artikel 8 EVRM) slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 20-1688

Zaaknummer: C/09/590298

Datum beschikking: 17 augustus 2020

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 25 maart 2020 ingekomen verzoek van:

[X] ,

de moeder,

wonende te [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,

advocaat: mr. E.B. Doganer te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y] ,

de vader,

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen Nederland, feitelijk verblijvende te [woonplaats] , Verenigde Arabische Emiraten,

advocaat: mr. H. Hassan te Almere.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het bericht van 9 juni 2020 van de zijde van de moeder.

Op 29 juni 2020 is de behandeling van de zaak ter videozitting van de meervoudige kamer behandeld. Hierbij zijn digitaal verschenen:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk, de heer [naam tolk 1] ;

  • -

    de vader;

  • -

    mevrouw [naam medewerkster RvdK] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

De behandeling van de zaak is vervolgens aangehouden, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan crossborder mediation, en – indien dit onverhoopt niet tot een minnelijke regeling zou leiden – de vader in de gelegenheid te stellen een advocaat in de arm te nemen.

Op 7 juli 2020 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat één van partijen toch afziet van de mediation.

De moeder handhaaft het teruggeleidingsverzoek.

De rechtbank heeft vervolgens wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook het verweerschrift.

Op 16 juli 2020 is de behandeling ter videozitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn digitaal verschenen:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk, mevrouw [naam tolk 2] ;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, eveneens mevrouw [naam tolk 2] ;

  • -

    mevrouw [naam medewerkster RvdK] , namens de Raad.

Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities en aanvullende producties (producties 12 tot en met 19) overgelegd.

De ouders hebben tijdens de videozitting van 16 juli 2020 desgevraagd toestemming gegeven voor het horen van de kinderen en voor het vervolgens zonder nadere (video)zitting afdoen van deze zaak.

Mr. O.F. Bouwman heeft de kinderen vervolgens afzonderlijk van elkaar op 23 juli 2020 telefonisch gehoord, met bijstand van een tolk, de heer [naam tolk 3] .

Feiten

  • -

    Partijen zijn gehuwd op [datum huwelijk] 2004 te [huwelijksplaats] (Syrië).

  • -

    Partijen zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

  • -

    [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] (Verenigde Arabische Emiraten);

  • -

    [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats] (Verenigde Arabische Emiraten);

  • -

    [naam minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2012 te [geboorteplaats] (Verenigde Arabische Emiraten).

  • -

    Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.

  • -

    De vader, moeder en de kinderen hebben de Syrische nationaliteit.

- Partijen hebben van 2005 tot juli 2017 in [woonplaats] (Verenigde Arabische Emiraten) gewoond.

- Blijkens de Nederlandse Basisregistratie Personen (BRP) hebben de moeder en de kinderen zich op 5 september 2017 in Nederland gevestigd. Zij hebben een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd gekregen tot 11 juli 2022.

- De rechtbank in [woonplaats] heeft op [datum echtscheidingsbeschikking] 2017 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is niet ingeschreven in de Nederlandse BRP.

  • -

    De vader heeft de kinderen op 17 oktober 2019 meegenomen naar [woonplaats] (Verenigde Arabische Emiraten) en ze vervolgens niet meer teruggebracht naar Nederland.

  • -

    De moeder heeft zich op 6 december 2019 gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. [IKO nr.] .

  • -

    Bij vonnis in kort geding van [datum vonnis] 2020 van de rechtbank [rechtbank] is – voor zover hier van belang – :

  • -

    de vader veroordeeld om binnen 36 uur over te gaan tot afgifte van de kinderen aan de moeder;

  • -

    het vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang verklaard en de moeder verlof verleend om de vader met behulp van de sterke arm van politie en justitie voor de duur van maximaal 90 dagen in gijzeling te doen stellen;

  • -

    de vader veroordeeld om binnen 36 uur over te gaan tot afgifte van de paspoorten van de kinderen aan de moeder op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag indien hij in gebreke blijft met de nakoming daarvan;

  • -

    de vader veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de moeder.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift van de moeder strekt ertoe:

  • -

    te bevelen dat de kinderen onmiddellijk, dan wel vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, zullen worden teruggeleid naar Nederland, althans dat zij door de moeder kunnen worden teruggehaald naar Nederland;

  • -

    te bevelen dat de vader enig reisdocument van de kinderen ter beschikking zal stellen aan de moeder,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder, welk verweer hierna

– voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Rechtsmacht

Partijen zijn het op zichzelf eens over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van deze zaak kennis te nemen. De advocaat van de moeder heeft deze bevoegdheid gebaseerd op (de uitvoeringswetgeving bij) het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag), en de advocaat van de vader heeft zich daar ter zitting desgevraagd bij aangesloten.

Echter, omdat de regels van internationaal bevoegdheidsrecht in procesrechtelijke zin van openbare orde zijn, zal de rechtbank de vraag naar haar rechtsmacht ook ambtshalve aan de orde moeten stellen.

Het gaat hier om een zogeheten ‘uitgaande zaak’, wat betekent dat dat de kinderen zijn overgebracht vanuit Nederland naar een ander land. Dit land – de Verenigde Arabische Emiraten – is geen partij bij het Verdrag. De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt in dergelijke, niet door het verdrag bestreken, gevallen geregeld door artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Op grond van artikel 3, aanhef en onder a, Rv, heeft de Nederlandse rechter in dit soort gevallen rechtsmacht als de verzoeker in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.

Tussen partijen is niet in geschil dat de woonplaats van verzoeker (de moeder) in Nederland is. De rechtbank acht zich op grond hiervan bevoegd om op basis van artikel 3, aanhef en onder a, Rv, van het verzoek tot teruggeleiding kennis te nemen en verwijst daartoe nog naar de arresten van de Hoge Raad van 5 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1085) en van het hof Den Haag van 28 augustus 2019 (ECLI:GHDHA:2019:2286).

Relatieve bevoegdheid

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

Inhoudelijke beoordeling

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Gezagsrecht

Niet in geschil is dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de vasthouding, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien de vasthouding niet had plaatsgevonden.

Gewone verblijfplaats

Tussen partijen is in geschil wat de gewone verblijfplaats van de kinderen was voor hun vertrek naar [woonplaats] in oktober 2019.

De moeder stelt dat het gezin in de zomer van 2017 naar Nederland is gegaan voor een vakantiebezoek bij een familielid/kennis. De vader heeft haar en de kinderen vervolgens achtergelaten in Nederland omdat zij een ‘slechte vrouw’ zou zijn omdat zij geen hoofddoek droeg en zich te modern kleedde. De vader is vervolgens in [woonplaats] een echtscheidingsprocedure tegen haar gestart en hij heeft bewerkstelligd dat haar verblijfsvergunning in de Verenigde Arabische Emiraten is ingetrokken, waardoor zij niet meer naar [woonplaats] kon terugkeren. Zij kon vanwege de oorlog ook niet terugkeren naar Syrië. De moeder heeft daarom een verblijfsvergunning aangevraagd in Nederland en deze is ook verleend tot in ieder geval 11 juli 2022. De moeder en de kinderen wonen vanaf 1 december 2017 in [plaats 1] . De kinderen hebben ook een verblijfsvergunning gekregen tot 11 juli 2022 en zij gingen in Nederland naar school. De moeder is daarom van mening dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is.

De vader stelt dat de gewone verblijfplaats van de kinderen altijd in [woonplaats] is geweest. Partijen zijn in Syrië getrouwd en hebben samen besloten om in 2005 naar [woonplaats] te verhuizen in verband met het werk van de vader. Partijen gingen in de zomer van 2017 met de kinderen naar Nederland voor een vakantiebezoek. Zij zouden van 15 juni 2017 tot en met 26 juni 2017 in Nederland blijven en daarna gezamenlijk terugkeren naar [woonplaats] . De moeder gaf aan dat zij, in verband met de zomerhitte in [woonplaats] , langer in Nederland wilde blijven met de kinderen. De vader had daar geen bezwaar tegen, maar moest zelf wel terug naar [woonplaats] in verband met zijn werk. De vader heeft daarom de terugreis van de moeder en de kinderen gewijzigd naar 12 juli 2017. De moeder heeft de vader vervolgens vanuit Nederland constant bedreigd door te zeggen dat hij de kinderen niet meer zou zien als hij haar niet financieel zou ondersteunen en als hij niet zou bewerkstelligen dat haar verblijfsrecht in [woonplaats] zou worden ingetrokken, zodat zij asiel kon aanvragen in Nederland. De moeder heeft uiteindelijk zonder toestemming van de vader besloten om asiel aan te vragen in Nederland. De moeder is volgens de vader dan ook degene die in eerste instantie, medio 2017, de kinderen heeft ontvoerd.

De rechtbank stelt voorop dat krachtens vaste rechtspraak het begrip ‘gewone verblijfplaats’ een feitelijk begrip is waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij gaat het, kort gezegd, om de plaats waarmee het kind onmiddellijk voorafgaande aan zijn overbrenging of vasthouding maatschappelijk de nauwste bindingen heeft. Tot de voor de bepaling van de gewone verblijfplaats van een kind in aanmerking te nemen factoren kunnen, naast de fysieke aanwezigheid van het kind in een lidstaat, in het bijzonder worden gerekend omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmaat, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Voorts kan de bedoeling van de ouders om zich met het kind in een andere staat te vestigen, waaraan uiting is gegeven door maatregelen, een aanwijzing voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats zijn. Ook de leeftijd van het kind en zijn sociale en familiale omgeving zijn van wezenlijk belang voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats. Doorgaans is de omgeving van een jong kind in wezen de familiale omgeving en daarvoor is de persoon of zijn de personen bij wie het kind woont en die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen, bepalend.

Voor zover de vader heeft gesteld dat de moeder degene is die de kinderen in eerste instantie heeft ontvoerd, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Uit de stukken en uit wat er ter zitting is besproken leidt de rechtbank af dat de vader heeft ingestemd met een verblijf van de moeder en de kinderen in Nederland. De rechtbank overweegt daartoe dat uit niets blijkt dat vader het niet eens was met het verblijf van de kinderen in Nederland. Indien de vader van mening was dat de moeder de kinderen in 2017 had ontvoerd, had het op zijn weg gelegen om destijds aangifte te doen/een verzoek tot teruggeleiding in te dienen. De vader heeft dat niet gedaan. Bovendien is de vader sinds de zomer van 2017 regelmatig in Nederland geweest en heeft hij hier tijd met de kinderen en de moeder doorgebracht. Ook is hij – zoals blijkt uit het door zijn advocaat als productie 8 overgelegde gespreksverslag – in augustus 2019 aanwezig geweest bij een gesprek met hulpverleners van de gemeente [gemeente] over het welzijn en de schoolgang van de kinderen (in dit gespreksverslag is onder meer opgetekend: ‘Vader woont en werkt in [woonplaats] maar probeert zo vaak mogelijk bij de kinderen in Nederland te zijn’). Verder hebben de kinderen ook vakanties doorgebracht in [woonplaats] .

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de kinderen voorafgaand aan de vasthouding in [woonplaats] vanaf 26 oktober 2019 in Nederland is. Zij overweegt daartoe nog dat de kinderen met instemming van beide ouders ruim twee jaar in Nederland hebben gewoond en hier naar school gingen. De kinderen hebben een verblijfsvergunning tot in ieder geval 11 juli 2022. Bovendien heeft de moeder onweersproken gesteld dat de kinderen in Nederland ook familie en vrienden hebben.

Conclusie

Nu voorts niet in geschil is dat de moeder geen toestemming heeft gegeven voor de vasthouding in de Verenigde Arabische Emiraten en dat de vasthouding van de kinderen in de Verenigde Arabische Emiraten is geschied in strijd met het gezagsrecht van de moeder naar Nederlands recht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de vasthouding van de kinderen in de Verenigde Arabische Emiraten aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van de kinderen in de Verenigde Arabische Emiraten en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de kinderen in de Verenigde Arabische Emiraten zijn geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de kinderen te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

Weigeringsgronden

De vader heeft gesteld dat sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 2 en artikel 20 van het Verdrag alsmede dat bij terugkeer van de kinderen naar Nederland sprake is van schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag

Ingevolge artikel 13 lid 2 van het Verdrag kan de rechtbank weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

De vader stelt dat de kinderen, toen zij in [woonplaats] aankwamen, bij hem hebben geklaagd over de moeder. Zij hebben aangegeven dat zij niet meer terug willen naar de moeder omdat zij door de moeder en de nieuwe partner van de moeder, [naam partner] , zijn mishandeld en verwaarloosd. Daarom heeft de vader de kinderen bij zich gehouden in [woonplaats] . De vader beschikt over telefoongesprekken waaruit blijkt dat de kinderen zich verzetten tegen de terugkeer. Ook heeft de vader een verklaring overgelegd van [naam advocaat] , een advocaat uit [woonplaats] , die de kinderen heeft gehoord (productie 16). Daaruit blijkt volgens de vader dat de kinderen duidelijk en consistent hebben verklaard dat zij niet terug willen keren naar Nederland en dat zij bij hem in [woonplaats] willen blijven. Daarnaast heeft de vader een verklaring overgelegd van mevrouw [naam] (productie 17). Daaruit blijkt volgens de vader dat de moeder de kinderen verwaarloosde en alleen bezig was met zichzelf. Veilig Thuis was betrokken toen de kinderen in Nederland verbleven en de school had een melding gemaakt dat [voornaam minderjarige] zich agressief had gedragen. Sinds de kinderen naar de internationale school in [woonplaats] gaan, gaat het goed met ze. Na de eerste zitting heeft de moeder telefonisch contact geprobeerd te hebben met de kinderen, maar de kinderen hebben aangegeven dat zij de moeder niet willen spreken. De vader is daarom van mening dat het verzoek van de moeder moet worden afgewezen op grond van artikel 13 lid 2 van het Verdrag.

De moeder betwist dat zij en haar vriend [naam partner] de kinderen zouden hebben mishandeld en verwaarloosd. De moeder heeft juist berichten van de kinderen ontvangen waaruit blijkt dat zij haar missen. De moeder stelt dat de kinderen nog te jong zijn om te kunnen beslissen over wel/niet goed voor hen is, zodat alleen al om deze reden terughoudendheid dient te worden betracht bij het toekennen van enige waarde aan de overgelegde verklaring van de kinderen. De moeder betwist dat de verklaring überhaupt afkomstig is van de kinderen, want uit de verklaring blijkt niet waar deze is afgenomen, wie deze heeft afgenomen, wanneer deze is afgenomen en wie er verder aanwezig waren. Daarnaast betwist de moeder dat de verklaring door de kinderen in vrijheid en zonder druk van de vader is afgelegd. Bovendien betreft het geen individuele verklaring van de kinderen maar een gezamenlijke verklaring zodat niet duidelijk is of en zo ja hoe de kinderen afzonderlijk op de gestelde vragen hebben geantwoord. De moeder betwist ook de juistheid van de verklaring van mevrouw [naam] , omdat zij de ex-partner is van [naam partner] en daarom uit is op wraak. Bovendien is de zus van mevrouw [naam] zus voornemens te trouwen met de vader.

De rechtbank stelt voorop dat het doel en de strekking van het Verdrag met zich brengen dat de weigeringsgrond genoemd in 13 lid 2 van het Verdrag restrictief moet worden uitgelegd. Als uitgangspunt geldt dat terugkeer in het belang van het kind is en dat terugkeer alleen in bijzondere omstandigheden wordt geweigerd. Beoordeeld dient te worden of de inhoud van voormelde verklaringen en datgene wat de kinderen naar voren hebben gebracht in de kindgesprekken met de rechtbank dient te worden aangemerkt als verzet tegen hun terugkeer naar Nederland als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Verdrag. Bij het beantwoorden van deze vraag moet gekeken worden naar de bezwaren die het kind geeft waarom het niet terug wil naar het land van waaruit het is ontvoerd en hoe het kind tot die bezwaren is gekomen. Het verzet moet op zijn eigen merites beoordeeld worden, waarbij onder meer van belang is of het verzet authentiek is en van de kinderen zelf afkomstig is en of het verzet verder strekt dan de wens van de kinderen om bij de ontvoerende ouder te blijven.

De kinderen zijn 8, 10 en 12 jaar oud. Zij hebben in het kindgesprek, en kennelijk ook tegenover [naam advocaat] , verteld dat zij niet terug willen naar Nederland. De kinderen hebben geen enkele positieve herinnering aan hun moeder en Nederland en wijzen ieder contact met haar van de hand. Over vader en hun verblijf in [woonplaats] zijn zij uitsluitend zeer positief.

De rechtbank is, gelet op de leeftijd van de kinderen, van oordeel dat er weliswaar rekening moet worden gehouden met hun mening, maar de rechtbank acht het aannemelijk dat deze mening is ingegeven door een loyaliteitsconflict. Uit de stukken en hetgeen ter videozitting is besproken, blijkt immers dat er een ernstige strijd gaande is tussen de ouders. De rechtbank weegt verder mee dat niet dan wel onvoldoende is gebleken dat de moeder en [naam partner] de kinderen zouden hebben mishandeld of verwaarloosd. Uit de stukken is gebleken dat Veilig Thuis bij het gezin, waaronder ook vader, was betrokken, voor het geven van opvoedondersteuning. Uit de berichtgeving vanuit de betrokken hulpverlening blijkt niet dat er zorgen waren in verband met mishandeling of verwaarlozing van de kinderen en volgt dat moeder open stond voor hulpverlening.

De rechtbank overweegt verder dat de kinderen nu al enkele maanden, zonder noemenswaardig contact met de moeder, bij de vader verblijven. De vader heeft het contact tussen de moeder niet gestimuleerd hetgeen, gelet op de leeftijd van de kinderen, wel op zijn weg had gelegen. De kinderen bevinden zich daarmee al geruime tijd volledig in de invloedssfeer van de vader. De rechtbank verwacht dan ook dat hun loyaliteit, zoals ook de Raad ter videozitting heeft aangegeven, bij de vader is komen te liggen. De onwil van de kinderen om terug te keren naar Nederland lijkt voort te komen uit het loyaliteitsconflict waarin zij gekozen lijken te hebben voor hun vader.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden de mening van de kinderen niet van doorslaggevende betekenis kan zijn om de terugkeer van hen naar Nederland te weigeren. Dat de kinderen nu een voorkeur hebben voor een verblijf bij de vader in [woonplaats] boven een terugkeer naar Nederland, maakt niet dat sprake is van verzet tegen terugkeer, als bedoeld in het HKOV. Derhalve slaagt het beroep van de vader op deze grond niet.

Weigeringsgrond ex artikel 20 van het Verdrag en beroep op artikel 8 EVRM

Ingevolge artikel 20 van het Verdrag wordt terugkeer van de kinderen geweigerd, wanneer deze op grond van de in de aangezochte staat gehuldigde beginselen inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet is toegestaan. Voor een geslaagd beroep op dit artikel moet aangetoond worden dat de desbetreffende beginselen de terugkeer van het kind verbieden. Deze bepaling ziet op extreme en uitzonderlijke gevallen waarin wordt aangetoond dat het kind in de staat van herkomst dreigt te worden tekortgedaan in de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden.

De vader stelt dat het belang van de kinderen voorop staat en dat het belang van de kinderen ertoe strekt de banden met hun familie te behouden en te verzekeren dat hun ontwikkeling plaatsvindt in een veilige omgeving. De vader zal, anders dan de moeder, altijd openstaan voor contact tussen de kinderen en de moeder. De moeder liet de omgang altijd afhangen van het ontvangen van gelden van de vader. Daarnaast zal de vader ook verzekeren dat de ontwikkeling van de kinderen in een veilige omgeving zal plaatsvinden, terwijl dit bij de moeder niet mogelijk is omdat zij samen met haar partner [naam partner] de kinderen zowel fysiek als psychisch mishandelt. Bovendien is de situatie van de moeder momenteel niet stabiel, omdat de gemeente een terugvorderingsbesluit zal opleggen vanwege de door de moeder van de vader ontvangen gelden en omdat de IND (na een melding van vader) een onderzoek is gestart naar het asielrelaas van moeder.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de vader op artikel 20 van het Verdrag niet kan slagen. De rechtbank volgt het standpunt van de vader dat de moeder het contact tussen hem en de kinderen heeft belemmerd niet. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vader meerdere keren naar Nederland is gekomen om de kinderen te zien en dat de moeder daaraan heeft meegewerkt. Bovendien heeft de moeder de kinderen naar de vader in [woonplaats] laten gaan. Daarnaast heeft de moeder ter videozitting aangegeven dat de kinderen, als zij naar Nederland terugkeren, de vader mogen zien en spreken. De rechtbank is, zoals hiervoor is overwogen, ook niet dan wel onvoldoende gebleken dat de kinderen door de moeder en haar partner [naam partner] zouden zijn mishandeld of verwaarloosd. Er is dan ook niet komen vast te staan dat de situatie bij de moeder thuis niet veilig zou zijn voor de kinderen. Dat de moeder mogelijk een terugvorderingsbesluit gaat ontvangen en dat haar verblijfsvergunning kan worden ingetrokken, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de terugkeer van de kinderen naar Nederland in strijd is met hun fundamentele rechten. Daarmee verwerpt de rechtbank eveneens het beroep van de vader op artikel 8 van het EVRM.

Conclusie

Nu er geen sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid 2 en artikel 20 van het Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van de in artikel 13 lid 1 van het Verdrag genoemde weigeringsgronden – de vader heeft hierop ook geen beroep gedaan –, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de kinderen en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de kinderen te volgen.

Schorsing tenuitvoerlegging

Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat de kinderen een eventuele uitspraak in hoger beroep in [woonplaats] kunnen afwachten en zal het verzoek van de moeder om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten uiterlijk op 3 september 2020, zijnde de derde dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarige kinderen:

  • -

    [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] (Verenigde Arabische Emiraten);

  • -

    [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats] (Verenigde Arabische Emiraten);

  • -

    [naam minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2012 te [geboorteplaats] (Verenigde Arabische Emiraten),

naar Nederland uiterlijk op 3 september 2020, waarbij de vader de kinderen dient terug te brengen naar Nederland en beveelt, indien de vader nalaat de kinderen terug te brengen naar Nederland, dat de vader de kinderen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven uiterlijk op 3 september 2020, opdat de moeder de kinderen zelf mee terug kan nemen naar Nederland;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.T.W. van Ravenstein, O.F. Bouwman en T.M. Coppes, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. I.B. van Angeren als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 augustus 2020.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.