Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7808

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
AWB 20/2108
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv, TEV, 8 EVRM, more than the normal emotional ties, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/2108

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige in de zaak tussen

[naam], eiseres,

gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. M.M. van Duren.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 maart 2020 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 1 juli 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens was aanwezig [naam 2], de zoon van eiseres (referent).

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Syrische nationaliteit. Op 15 oktober 2015 heeft referent een verblijfsvergunning asiel gekregen. Op 9 mei 2017 heeft hij voor eiseres een machtiging voorlopig verblijf aangevraagd met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen en vervolgens bij besluit van 16 mei 2018 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Op 15 augustus 2018 heeft de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaard, het besluit van 16 mei 2018 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.1 Op 4 maart 2020 heeft verweerder referent gehoord tijdens een hoorzitting. Bij het bestreden besluit is het bezwaar vervolgens opnieuw ongegrond verklaard.

2. Tussen partijen is in geschil of er tussen eiseres en referent sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM2.

3. De Afdeling3 leidt uit de jurisprudentie van het EHRM4 af dat voor de vaststelling van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen ouders en hun niet-jongvolwassen meerderjarige kinderen is vereist dat ‘additional elements of dependence’ - oftewel ‘more than the normal emotional ties’ - bestaan. Het al dan niet bestaan van dergelijk familie- of gezinsleven is in essentie een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Elementen zoals financiële of materiële afhankelijkheid, eventuele samenwoning, emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van een van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst kunnen bij de beoordeling van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden van belang zijn. Voorts mag bij de vraag of voormelde ‘ties’ bestaan, onder meer gewicht worden toegekend aan de vraag of ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg kunnen geven.

4. In de uitspraak van 15 augustus 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder in het besluit van 16 mei 2018 onvoldoende had gemotiveerd waarom er tussen eiseres en referent geen sprake was van beschermenswaardig gezinsleven. Verweerder had de volgende elementen niet kenbaar bij zijn beoordeling betrokken: referent was tot zijn vertrek uit Syrië inwonend bij zijn moeder en toen nog levende vader, en speelde een relevante rol in het huishouden en de verzorging van zijn ouders. Hij was destijds ongehuwd en had in Syrië geen eigen gezin gesticht. Eiseres is weduwe en op leeftijd, woont in een regio waar de humanitaire omstandigheden bar zijn en haar positie is door het overlijden van haar echtgenoot ingrijpend verslechterd. Verder was verweerder onvoldoende ingegaan op de verklaring van de neuroloog van 2 april 2017 en heeft hij zich ten onrechte niet uitgelaten over de vraag of eiseres nog zelfstandig kan functioneren. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat referent ter zitting heeft verklaard dat hij, als zijn vader al zou zijn overleden toe hij nog in Syrië woonde, nooit zonder zijn moeder het land zou zijn ontvlucht. Tot slot wijst de rechtbank erop dat uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat niet is vereist dat eiseres exclusief afhankelijk zou moeten zijn van referent en zijn zus.

5. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit opnieuw op het standpunt gesteld dat er tussen eiseres en referent geen sprake is van ‘more than the normal emotional ties’. Volgens verweerder is niet gebleken dat de band tussen eiseres en referent zo sterk is dat eiseres als gevolg van het vertrek van referent niet in staat was en is om zelfstandig te functioneren. Onderkend wordt dat eiseres en referent in Syrië samenwoonden, maar niet is gebleken dat eiseres voor haar dagelijks functioneren of geestelijk welzijn enkel en alleen afhankelijk is van referent. Over de rol die referent in het huishouden en de verzorging van zijn ouders speelde tot aan zijn vertrek, heeft hij tijdens de hoorzitting slechts in algemeenheden verklaard. Daarbij is tevens van belang dat referent heeft verklaard dat zijn vader al ziek was op het moment dat referent het land verliet, maar dat dit hem er kennelijk niet van heeft weerhouden te vertrekken. Niet is aangetoond dat eiseres na het vertrek van referent noch na het overlijden van haar man niet in staat was zichzelf staande te houden. Referent heeft verklaard dat hij eiseres financieel ondersteunt, maar heeft dit niet onderbouwd. Over de verklaring van de neuroloog van 2 april 2017 merkt verweerder op dat daar weliswaar in staat dat eiseres de ondersteuning van haar kinderen nodig heeft, maar niet waar die ondersteuning concreet uit zou moeten bestaan. Uit de verklaring blijkt ook niet dat referent de enige is die voor ondersteuning zou kunnen zorgen. Daarbij is van belang dat eiseres in Syrië ondersteuning krijgt van de kerk en dat zij ook nog een dochter in Nederland heeft. Niet valt in te zien waarom zij niet – op afstand – de nodige ondersteuning kan bieden. Evenmin blijkt uit de verklaring dat eiseres zich niet zelfstandig kan handhaven of dat zij intensieve medische zorg nodig heeft. Dat referent heeft verklaard dat hij, als zijn vader al zou zijn overleden toen hij nog in Syrië woonde, nooit zonder zijn moeder het land zou zijn ontvlucht, maakt verweerders beoordeling niet anders. Dit laat immers onverlet dat eiseres zich al drie jaar zonder referent staande heeft weten te houden. Dat referent bereid is eiseres in huis te nemen en voor haar te zorgen, betekent niet dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Ook de omstandigheid dat eiseres woont in een regio waar de humanitaire omstandigheden bar zijn, kan niet tot die conclusie leiden. Gesteld noch gebleken is dat de huidige situatie, waarin zij op afstand gesteund wordt door haar kinderen, niet kan worden voortgezet.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende gemotiveerd dat er geen sprake is van ‘more than the normal emotional ties’ tussen referent en eiseres. Anders dan in het vernietigde besluit van 16 mei 2018 heeft verweerder alle elementen die door eiseres en referent naar voren zijn gebracht kenbaar bij zijn beoordeling betrokken en in onderlinge samenhang beoordeeld. Eiseres heeft in beroep betoogd dat verweerder ten onrechte doorslaggevend belang heeft toegekend aan de vraag of eiseres exclusief afhankelijk is van referent. De rechtbank volgt dit betoog niet. Verweerder heeft terecht overwogen dat uit de verklaring van de neuroloog van 2 april 2017 niet blijkt welke zorg of ondersteuning eiseres nodig heeft. Ook op een andere manier heeft zij niet aangetoond dat zij afhankelijk is van zorg en niet zelfstandig kan functioneren. Daarbij heeft verweerder erop mogen wijzen dat eiseres zich tot op heden staande heeft weten te houden en dat onvoldoende is aangetoond dat zij daar de hulp van referent voor nodig heeft (gehad). Verweerder heeft terecht tegengeworpen dat referent niet heeft onderbouwd dat hij eiseres financieel ondersteunt. Dat hij het geld ‘via via’ naar zijn moeder stuurt, omdat de banken in Syrië niet functioneren, betekent niet dat hij niet nader had kunnen onderbouwen of uitleggen hoe hij het geld precies verstuurt. Ter zitting heeft eiseres verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 22 juni 2020.5 De rechtbank stelt vast dat de situatie van de eisers in die zaak anders is dan die van eiseres, nu er in die zaak (een begin van) bewijs van hulpbehoevendheid was en niet in geschil was dat de eisers financieel werden ondersteund door hun referent. De verwijzing naar deze uitspraak kan daarom niet tot een ander oordeel leiden.

7. De rechtbank noch verweerder ontkent dat eiseres in een moeilijke situatie verkeert en dat het begrijpelijk is dat zij bij haar kinderen in Nederland wil wonen, maar verweerder heeft terecht overwogen dat dit onvoldoende is om te concluderen dat er sprake is van ‘more than the normal emotional ties’. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2020.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, zaaknummer AWB 18/2764 (niet gepubliceerd).

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

3 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraak 4 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1003).

4 Europees Hof voor de Rechten van de Mens

5 ECLI:NL:RBROT:2020:5423, niet gepubliceerd.