Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7778

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
17-08-2020
Zaaknummer
C/09/19/109 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Europees betalingsbevel staat niet in de weg aan een verkorting van de regeling met schone lei.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 354a
Faillissementswet 107
Faillissementswet 358
Faillissementswet 285
Faillissementswet 286
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

insolventienummer: C/09/19/109 R

uitspraakdatum : 5 augustus 2020

In de schuldsaneringsregeling van:

[schuldenaar],

geboren op [geboortedatum]1981 te [geboorteplaats] (Turkije),

wonende te [adres, postcode en woonplaats],

schuldenaar,

is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken op 11 april 2019, met benoeming van mr. R. Cats tot rechter-commissaris en van R. de Geus (Van der Linden C.S.), gevestigd te Zwijndrecht, tot bewindvoerder.

De schuldsaneringsregeling is reeds één jaar van kracht en er is nog geen datum voor een verificatievergadering bepaald.

Door de bewindvoerder is schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling op grond van artikel 354a van de Faillissementswet (Fw). Het verslag houdt onder meer in dat redelijkerwijs niet de verwachting bestaat dat schuldenaar op zodanige wijze aan zijn verplichtingen zal kunnen voldoen dat voortzetting van de schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd is en dat van omstandigheden als bedoeld in artikel 350, derde lid, onder c, d, e, f en/of g van de Faillissementswet niet is gebleken.

Op 10 juni 2020 heeft de bewindvoerder verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen.

De rechter-commissaris ondersteunt het verzoek van de bewindvoerder.

De schuldeisers [A] en [B], die gezamenlijk een vordering hebben op schuldenaar ter hoogte van € 16.083,84, - , hebben redenen aangevoerd ter onderbouwing van hun stelling dat de vroegtijdige beëindiging van de regeling met schone lei aan schuldenaar dient te worden onthouden. Hun standpunt is verwoord in een door hun gemachtigde [gemachtigde] opgesteld schriftelijk stuk, gedateerd 14 juli 2020.

Op 4 augustus 2020 heeft de zitting als bedoeld in artikel 354a Fw plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen: schuldenaar met als (niet beëdigde) tolk: mevrouw [Z], namens de bewindvoerder: mevrouw B. van Huessen, en namens de schuldeisers: de heren [gemachtigde] en [schuldeiser].

De bezwaren van schuldeisers zijn - kort samengevat - de volgende.

  1. Artikel 22 van de Verordening (EG) 1896/2006 (hierna: “de verordening”), staat aan verkorting van de regeling en verlening van de schone lei in de weg omdat de vordering van schuldeisers uitvoerbaar is geworden door een op 20 maart 2017 uitgevaardigd Europees betalingsbevel. Het verlenen van de schone lei zou verdere tenuitvoerlegging van dit bevel in de weg staan. Dit is in strijd met artikel 22 van de verordening, waarin is bepaald dat tenuitvoerlegging slechts mag worden geweigerd in een limitatief aantal gevallen, die zich in dit geval niet voordoen.

  2. Het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, zowel bij de toelating tot de schuldsanering als bij de behandeling van het onderhavig verzoek, omdat schuldeisers niet beschikken over de eigen verklaring van schuldenaar, als bijlage bij het verzoek tot toelating en evenmin over de zittingsaantekeningen van 2 april 2019. Daarnaast beschikken zij niet over het verzoek van de bewindvoerder of over de beredeneerde verklaring als bedoeld in artikel 354a Fw. Verzoeken om afschriften van deze stukken zijn niet gehonoreerd.

  3. De vordering van schuldeisers is niet te goeder trouw ontstaan of onbetaald gelaten. De schuld vloeit voort uit een door schuldenaar in 2013 gesloten overeenkomst van schuldoverneming met degene die de onderneming van schuldeisers had gekocht, maar die de koopprijs onbetaald had gelaten. Bij de schuldoverneming heeft schuldenaar schuldeisers onjuist voorgelicht. Bovendien is het vermoeden dat schuldenaar zich schuldig heeft gemaakt aan selectieve betaling.

  4. Schuldenaar heeft niet voldaan aan de sollicitatieplicht en de informatieplicht, zo blijkt uit de verslagen. Daarnaast is het niet uitgesloten dat zijn inkomen in de komende jaren zal stijgen, gelet op het feit dat zijn partner een onderneming heeft geëxploiteerd heeft en niet is uitgesloten dat zij dit de komende tijd weer zal doen.

De beoordeling

In artikel 354a Fw is bepaald dat de rechtbank de schuldsanering slechts beëindigt als redelijkerwijs niet de verwachting bestaat dat de schuldenaar op zodanige wijzen aan zijn verplichtingen kan voldoen dat voortzetting van de schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd is en van omstandigheden als bedoeld in artikel 350, derde lid, onder c tot en met g Fw niet is gebleken.

Tijdens de zitting is door de bewindvoerder toegelicht dat schuldenaar door de rechter-commissaris bij beslissing van 9 juni 2020 gedurende de gehele regeling is vrijgesteld van de sollicitatieplicht op grond van ernstige en chronische gezondheidsklachten die zijn gebleken uit medische onderliggende stukken. De rechtbank stelt vast dat deze beslissing zich inderdaad in het dossier bevindt. Daar waar in het derde verslag nog wordt gesproken over een tekortkoming in de sollicitatieplicht, constateert de rechtbank dat van een dergelijke tekortkoming momenteel geen sprake meer is. Van een tekortkoming in de informatieplicht is evenmin nog sprake.

Ten aanzien van het veronderstelde verdienvermogen van de partner van schuldenaar is de rechtbank genoegzaam gebleken dat daar geen sprake van is. Door de bewindvoerder is toegelicht dat de partner van schuldenaar studeert en dat zij een lening heeft afgesloten bij DUO om deze studie te bekostigen. Daarnaast heeft zij geen inkomsten. Zij heeft volgens de bewindvoerder middels overlegging van de aangifte voor de inkomstenbelasting 2019 volledig inzage gegeven in haar financiën. Op basis van de VTLB berekening constateert de rechtbank dat er geen aflossingscapaciteit bestaat en aannemelijk is dat deze in de komende twee jaren ook niet zal bestaan. De bevoegdheden van de bewindvoerder strekken niet zo ver dat zij de partner van schuldenaar kan dwingen een betaalde baan te zoeken om het gezinsinkomen te vergroten.

Niet is gesteld of gebleken dat de vraag, of de schuld aan schuldeisers te goeder trouw is ontstaan, is besproken op de toelatingszitting. Zou dit wel het geval zijn geweest, dan is echter niet waarschijnlijk dat dit de toepassing van de regeling in de weg zou hebben gestaan, daar de schuld is ontstaan in 2013, meer dan vijf jaar voordat de toelatingszitting plaatsvond. Van omstandigheden als bedoeld in artikel 350, derde lid, onder c tot en met g, Fwis dan ook niet gebleken.

Het beginsel van hoor en wederhoor is naar oordeel van de rechtbank niet geschonden. Ten aanzien van de door schuldeisers gewenste zittingsaantekeningen van 2 april 2019 en de bij de aanvraag wsnp behorende eigen verklaring geldt dat deze stukken niet vallen onder de categorie waarvan verstrekking in artikel 107 in combinatie met de artikelen 286 en 285 Fw, is voorgeschreven. Ten aanzien van het verzoek van de bewindvoerder tot het beëindigen van de regeling en de gronden waarop dit verzoek berust, geldt eveneens dat er geen wettelijke verplichting is om deze aan de schuldeisers te verstrekken. Schuldeisers zijn op dit punt bovendien niet in hun belangen geschaad omdat de bewindvoerder haar verzoek op de zitting heeft herhaald en toegelicht, zodat de gemachtigden van de schuldeisers hierop hebben kunnen reageren.

Dat de vordering van schuldeisers is vastgelegd in een Europees betalingsbevel verhindert niet dat de regeling wordt beëindigd en dat de schone lei zal worden verleend. De vraag of dit bevel al of niet kan worden geëxecuteerd na verlening van de schone lei is niet relevant voor beoordeling van een op artikel 354a Fw gebaseerd verzoek. Het in dit verband te wijzen vonnis kan niet worden beschouwd als een ‘weigering van tenuitvoerlegging’, zoals is bedoeld in artikel 22 van de verordening. Dit artikel ziet op een andere procedure dan de onderhavige. Dat het verlenen van de schone lei tot gevolg heeft dat de vordering van schuldeisers op grond van artikel 358 Fw niet langer afdwingbaar is, is naar oordeel van de rechtbank niet in strijd met de verordening, omdat in artikel 21 van de verordening is bepaald dat tenuitvoerleggingsprocedures beheerst worden door het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging. Een en ander houdt naar het oordeel van de rechtbank in dat Europees betalingsbevel het zelfde lot treft als de grosse van een Nederlands vonnis, gewezen voorafgaand aan de toepassing van de schuldsaneringsregeling: te weten het niet langer executeerbaar zijn daarvan na verlening van de schone lei.

Gelet op alle bovenstaande overwegingen bestaat redelijkerwijs niet de verwachting dat de schuldenaar op zodanige wijze aan zijn verplichten kan voldoen dat voortzetting van de schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd is. Evenmin is gebleken van omstandigheden als bedoeld in artikel 350, derde lid, onder c tot en met g Fw

De rechtbank zal de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 354a Fw beëindigen. Kort gezegd brengt deze beslissing mee dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van schuldenaar eindigt met de zogenoemde “schone lei”.

De rechtbank zal de vergoeding van de bewindvoerder vaststellen.

BESLISSING

De rechtbank:

- stelt vast dat redelijkerwijs niet de verwachting bestaat dat schuldenaar op zodanige wijze aan zijn verplichtingen kan voldoen dat voortzetting van de schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd is en dat van omstandigheden als bedoeld in 350, derde lid, onder c, d, e, f en/of g van de Faillissementswet niet is gebleken;

- beëindigt de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 354a van de Faillissementswet;

- stelt de vergoeding van de bewindvoerder vast op € 2.188,40 (inclusief de verschuldigde omzetbelasting), voor zover de boedel toereikend is.

Gewezen door mr. W.J. Don, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 augustus 2020 in tegenwoordigheid van mr. M.J.P. Vink, griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen de schuldeisers en de schuldenaar binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.