Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7777

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
17-08-2020
Zaaknummer
NL20.12766
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opvolgende aanvraag. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en heeft aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat eisers homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is.

Zo is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet voldoende inzicht heeft gegeven over hoe hij zich heeft gerealiseerd dat hij homoseksueel is en over zijn relatie. Gelet op de jonge leeftijd die hij had, geeft hij voldoende duidelijk inzicht in de gevoelens die hij had. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte stelt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over wanneer hij er achter kwam wat homoseksualiteit inhoudt. De rechtbank vindt eisers uitleg dat hij vanwege zijn jonge leeftijd destijds niet wist wat homoseksualiteit precies betekende en het moeilijk vond om met zijn gevoelens om te gaan plausibel. Verweerder heeft deze verklaringen daarom naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte als tegenstrijdig aangemerkt.

De rechtbank is verder van oordeel dat van hem niet verwacht kan worden dat hij zich in Nederland volledig openstelt als homoseksueel en regelmatig bezoeken brengt aan het COC. In dat kader vindt de rechtbank het van belang dat hij pas 19 jaar oud is en dat zijn acceptatieproces nog niet is afgerond. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.12766


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. van der Heijden).


Procesverloop
Bij besluit van 16 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.12767, plaatsgevonden op 5 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Soltanirejab. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser heeft eerder twee asielaanvragen ingediend. Deze heeft verweerder beide afgewezen en die beslissingen staan in rechte vast. In zijn eerste asielprocedure is komen vast te staan dat eiser Hazara is en dat zijn ouders uit Ghazni komen. Hij heeft nooit in Afghanistan gewoond. In de huidige procedure heeft eiser voor het eerst naar voren gebracht dat hij homoseksueel is.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- identiteit, nationaliteit, herkomst;

- homoseksuele gerichtheid.

Verweerder acht het eerste element geloofwaardig. Hij acht de gestelde homoseksualiteit ongeloofwaardig. Eiser heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij zich heeft gerealiseerd dat hij homoseksueel is en wat zijn gedachten en gevoelens daaromtrent waren. Hij heeft ongerijmd verklaard over wanneer hij zich bewust werd van zijn geaardheid. Hij heeft niet inzichtelijk kunnen maken hoe hij zijn geaardheid zou omschrijven. Hij heeft tegenstrijdig verklaard, door eerst te zeggen dat hij in Nederland op de hoogte raakte van wat homoseksualiteit inhoudt, en later dat hij in Iran daarvan op de hoogte is geraakt. Hij heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij twee homoseksuele relaties heeft gehad. Eiser kan weinig vertellen over zijn relatie met [naam 1] en over [naam 1] zelf. Hij heeft ook geen inzicht kunnen geven in de relatie met [naam 2] . Verder heeft hij verklaard dat hij [naam 2] in Nederland heeft leren kennen, terwijl hij later verklaart dat hij in Nederland geen relatie heeft gehad. Verder heeft eiser in de vierenhalf jaar die hij in Nederland verblijft geen uiting gegeven aan zijn seksualiteit. Hij verklaart wel herhaaldelijk dat je hier in Nederland vrij kan zijn. Het wordt niet gevolgd dat hij zijn homoseksualiteit niet wil uiten omdat hij bang is dat mensen op een andere manier met hem om zullen gaan.
De aanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

4. Eiser voert aan dat hij wel inzicht heeft gegeven in het proces waarin hij zich realiseerde dat hij homoseksueel is. Verweerder heeft geen rekening heeft gehouden met zijn jonge leeftijd toen hij gevoelens kreeg voor [naam 1] . Hij was toen 13 of 14 jaar oud. Hij wist toen nog niet wat homoseksualiteit betekende.
Hij voert verder aan dat verweerder niet duidelijk maakt wat hij nog meer had moeten verklaren. Zijn relatie in Iran was geheim, omdat het een zonde was. Hij realiseerde zich pas in Nederland wat voor gevaar hij had gelopen.
Verweerder stelt ten onrechte dat het accepteren van de seksuele gerichtheid en de gevoelens die daar mee gepaard gaan losstaande factoren zijn. Als je gevoelens niet kunt plaatsen beïnvloedt dit het acceptatieproces. Hij heeft daar niet tegenstrijdig over verklaard. Toen hij in Iran woonde was zijn acceptatie nog niet afgerond, en dit is nog steeds het geval.

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat eisers homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is.

Zo is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet voldoende inzicht heeft gegeven over hoe hij zich heeft gerealiseerd dat hij homoseksueel is en over zijn relatie met [naam 1] . Eiser verklaart hier van pagina 12 tot en met 16 van het gehoor opvolgende aanvraag (het gehoor) duidelijk over. Gelet op de jonge leeftijd die hij had, geeft hij voldoende duidelijk inzicht in de gevoelens die hij had. Hij verklaart dat de relatie met [naam 1] geleidelijk groeide, dat hij niet gelijk wist dat hij homo was en op mannen viel, maar dat hij hem leuker vond dan zijn andere vrienden en hij geeft daarbij nog expliciet aan dat hij zich pas in Nederland bewust is geworden van het gevaar dat hij daarmee in Iran liep.

Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte stelt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over wanneer hij er achter kwam wat homoseksualiteit inhoudt. Eiser verklaart op pagina 12 van het gehoor dat hij pas in Nederland erachter is gekomen wat homoseksualiteit allemaal is en wat het betekent en dat het in Iran een totaal andere situatie is, waardoor je aan niemand kunt vragen wat het is. De rechtbank vindt eisers uitleg dat hij vanwege zijn jonge leeftijd destijds niet wist wat homoseksualiteit precies betekende en het moeilijk vond om met zijn gevoelens om te gaan plausibel. Verweerder heeft deze verklaringen daarom naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte als tegenstrijdig aangemerkt.

Verder acht de rechtbank van belang dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn acceptatieproces tot op heden nog niet heeft afgerond. Uit zijn verklaringen volgt ook dat hij het moeilijk vindt om voor zijn homoseksualiteit uit te komen. Zo zegt hij op pagina 15 van het gehoor: “zelfs nu durf ik het niet tegen mijn omgeving te zeggen, omdat ik bang ben anders beschouwd wordt.” En op pagina 17: “ik ben wel homo, maar ik heb aangegeven dat in mijn omgeving ik het niet prettig vindt op het openbaar te maken.” Verweerder stelt dat dit niet van belang is, omdat dit geen vereiste is en daar niet aan wordt getoetst. De rechtbank is echter van oordeel dat hier wel degelijk rekening mee gehouden moet worden in de beoordeling van eisers verklaringen.

De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser geen inzicht heeft weten te verschaffen in zijn relatie met [naam 2] . Verweerder gaat er namelijk ten onrechte van uit dat [naam 2] zijn vriendje is. Eiser geeft op pagina 18 van het gehoor aan dat zij een goede vriendschap hebben, maar dat hij niet tegen hem heeft gezegd dat hij van hem houdt. Ook in de zienswijze geeft hij aan dat hij verliefd op hem is, maar dat hij hem niet wil benaderen. Eisers verklaring dat hij in Nederland geen relatie heeft gehad is hiermee dan ook niet tegenstrijdig. Verweerder heeft gelet hierop onvoldoende gemotiveerd waarom van eiser verwacht mocht worden dat hij meer over [naam 2] kon verklaren dan hij heeft gedaan.

Verder overweegt de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het ongerijmd is dat hij enerzijds heeft verklaard dat je hier in Nederland als homoseksueel vrij kan zijn en anderzijds dat hij de afgelopen jaren geen uiting heeft gegeven aan zijn seksualiteit, omdat hij normaal wil zijn. De rechtbank is van oordeel dat van hem niet verwacht kan worden dat hij zich in Nederland volledig openstelt als homoseksueel en regelmatig bezoeken brengt aan het COC. In dat kader vindt de rechtbank het van belang dat hij pas 19 jaar oud is en dat zijn acceptatieproces nog niet is afgerond.
Hier komt nog bij dat de gemachtigde van eiser ter zitting de uitleg van eiser over de reden waarom hij zijn gestelde homosexualiteit niet eerder naar voren heeft gebracht, heeft bevestigd. Gemachtigde was toen van mening dat hiervoor onvoldoende concreet bewijs was, waardoor ervoor is gekozen dit motief in de tweede procedure niet naar voren te brengen.

4.2.

Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond. De rechtbank komt niet toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden.

5. De aanvraag is ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het de geloofwaardigheidsbeoordeling van een asielverzoek betreft. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak te nemen op de met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1050,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. de Lange, griffier.

De uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.