Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7774

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-07-2020
Datum publicatie
17-08-2020
Zaaknummer
rekestnummer: C/09/590006 / FT RK 20/360
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek dwangakkoord afgewezen.

Aanbod niet het maximaal haalbare: Verzoeker werkt in onderneming van partner tegen een laag salaris. Niet aannemelijk gemaakt dat hij als jurist niet meer inkomen kan verwerven in een andere functie.

Luxe levensstijl door schenkingen, schuld niet te goeder trouw onbetaald gelaten door privé gebruik lease-auto. Aanbod niet goed gedocumenteerd door ten onrechte huur op te voeren in VTLB, terwijl er in werkelijkheid geen sprake is van huur, maar van samenwoning in een door partner in eigendom verworven huis.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/590006 / FT RK 20/360

vonnis van 31 juli 2020


in de zaak van

[verzoeker],

wonende [adres],

[postcode en woonplaats],

verzoeker,

tegen

[verweerster], vertegenwoordigd door Schaap Advocaten Notarissen,

wonende te [woonplaats],

verweerster,

advocaat: mr. L.M. in ’t Veen.

1 De procedure

1.1

Op 18 maart 2020 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet (Fw).

1.2

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 16 juli 2020. Bij die gelegenheid is verzoeker verschenen en gehoord, evenals verweerster bijgestaan door haar advocaat mr. L.M. in ’t Veen.

1.3

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

2.1

Volgens de overgelegde schuldenlijst heeft verzoeker een totale schuld van € 349.696,77 aan drie schuldeisers.

2.2

De vordering van verweerster op verzoeker bedraagt € 153.495,04. Dit is 43,89% van de totale schuldenlast.

2.3

Namens verzoeker is bij brief van 8 februari 2019 een schuldregeling aangeboden, in de vorm van een prognoseakkoord. Dit voorstel houdt in dat aan concurrente schuldeisers een uitkering wordt gedaan van 6,16%, te reserveren in een periode van 36 maanden, tegen finale kwijting van het restant van hun vorderingen.

2.4

De aangeboden schuldregeling is door verweerster geweigerd en door de andere schuldeisers aanvaard.

3 Standpunt van de partijen

3.1

Verzoeker stelt dat verweerster in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot een weigering van de medewerking aan de schuldregeling die hij heeft aangeboden, nu de andere schuldeisers wel hebben ingestemd met de aangeboden schuldregeling. Daarnaast stelt hij zich op het standpunt dat het niet zo kan zijn dat hij tot in lengte van dagen zijn schulden aan het aflossen is.

3.2

Verweerster heeft aan haar weigering, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Het aandeel van verweerster in de schuldenlast is groot, haar vordering vertegenwoordigt 43,9% van daarvan. Deze vordering is deels gebaseerd op niet betaalde kinderalimentatie en voor een ander deel op de betalingen die zij heeft verricht aan schuldeisers van verzoeker. Haar belang bij weigering van het aanbod, dient dus zwaar te wegen. Het aanbod is onvoldoende gedocumenteerd omdat het vrij te laten bedrag is berekend op basis van oude gegevens uit november 2019 en bovendien ten onrechte wordt uitgegaan van een te betalen huur, terwijl verzoeker samenwoont met zijn partner, in een huis dat haar eigendom is. Het aanbod is niet het uiterste waartoe verzoeker financieel in staat is. Hij is werkzaam in de onderneming waarvan zijn partner (indirect) enig aandeelhouder en bestuurder is. Op de salarisspecificaties staat niet vermeld wat de functie van verzoeker is binnen die onderneming, hetgeen vragen oproept. Verzoeker heeft zich in het verleden naar buiten toe als directeur gepresenteerd. Bij de functie van directeur past niet een inkomen van € 1.948,28 bruto per maand. Dit strookt evenmin met het opleidingsniveau en de ervaring van verzoeker die in het verleden zelf advocaat is geweest met een eigen onderneming. Ook is niet aannemelijk geworden dat verweerster met het aanbod meer zal ontvangen dan in het alternatieve scenario van de wettelijke schuldsanering. Tenslotte voert verweerster aan dat het onbetaald laten van de verschuldigde kinderalimentatie niet te goeder trouw is gebeurd, omdat verzoeker in 2017 een te dure lease auto voor privé doeleinden gebruikte.

4 De beoordeling

4.1

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Een schuldeiser kan alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. Deze schuldregeling leidt er toe dat de schuldeisers afstand moeten doen van een deel van hun vordering. Een verzoek om weigerende schuldeisers te bevelen toch met de aangeboden schuldregeling in te stemmen, zal alleen dan worden toegewezen als deze schuldeisers in redelijkheid de schuldregeling niet hebben kunnen weigeren. Hierbij wordt in aanmerking genomen enerzijds het belang van verweerster bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en anderzijds de belangen van verzoeker of van de schuldeisers die met de schuldregeling hebben ingestemd. Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank het volgende.

4.2

Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe hij financieel in staat moet worden geacht. Verzoeker heeft volstaan met de stelling dat hij op dit moment geestelijk en lichamelijk niet in staat is om als advocaat aan de slag te gaan en meer inkomen te genereren dan hij op dit moment heeft. Het had op de weg van verzoeker gelegen om die stelling te onderbouwen met - bijvoorbeeld - een verklaring van een arts. Dit heeft hij echter nagelaten. De rechtbank is er evenmin van overtuigd geraakt dat het salaris dat verzoeker op dit moment verdient op juiste wijze is vastgesteld door de partner van verzoeker. De stelling van verzoeker dat de onderneming - gelet op de omzet - geen hoger salaris kan uitkeren, wordt uitdrukkelijk betwist. Zonder nadere onderbouwing - bijvoorbeeld door overlegging van jaarstukken, die ontbreken - leidt deze stelling dan ook niet tot een andere conclusie.

4.3

Verzoeker heeft niet heeft betwist dat hij regelmatig wintersportvakanties geniet en reizen maakt naar Portugal waar de ouders van zijn partner wonen. Volgens verzoeker neemt de vader van zijn partner de kosten daarvan voor zijn rekening. Een en ander doet de vraag rijzen of verzoeker zich in een problematische schuldenpositie bevindt zoals hij zelf stelt, en brengt met zich mee dat het belang van verweerster dat zij heeft bij weigering tot instemming met het aanbod zwaarder komt te wegen dan dat van verzoeker bij het verzochte dwangakkoord.

4.4

Verzoeker heeft niet betwist dat hij in 2017 privé gebruik heeft gemaakt van een lease auto met een catalogus waarde van € 55.000, - en dat hij daardoor minder alimentatie kon afdragen. Door de keuze voor deze dure auto en het privé gebruik daarvan zijn de schuldeisers benadeeld. Het onbetaald laten van de kinderalimentatie is dan ook niet te goeder trouw geschied.

4.5

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat het verzoek en het aanbod onvoldoende is gedocumenteerd, nu de berekening van het VTLB uitgaat van een door verzoeker te betalen huurprijs, terwijl verzoeker in werkelijkheid geen huur betaalt.

4.6

Verzoeker heeft tijdens de zitting laten weten het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling te handhaven, als het verzoek tot het bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt afgewezen. In het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal afzonderlijk vonnis worden gewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot het bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Fw.

Gewezen door mr. W.J. Don, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 juli 2020 in tegenwoordigheid van C.D. Woodley, griffier.

Tegen deze uitspraak kan de verzoeker gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak in hoger beroep komen, in te stellen door een verzoekschrift, uitsluitend via een advocaat in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag. Dit is slechts mogelijk indien de verzoeker ook op dezelfde wijze hoger beroep instelt tegen de uitspraak tot afwijzing van het daarmee samenhangende verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling (art. 292 lid 3 Fw).