Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7744

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
14-08-2020
Zaaknummer
NL20.12561
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Spanje. Eiseres voert aan dat verweerder haar asielaanvraag op grond van artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling moet nemen. Zij is 67 jaar oud en is analfabeet. Haar zoon woont in Nederland. Zij is afhankelijk van zijn zorg.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij als iemand van hoge leeftijd dient te worden beschouwd, omdat zij aannemelijk heeft gemaakt dat 67 voor Somalische begrippen een hoge leeftijd is. Verder heeft zij aannemelijk gemaakt afhankelijk te zijn van de zorg van haar zoon. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.12561


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. M.L. van Leer),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. van der Heijden).

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.12562, plaatsgevonden op 5 augustus 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.

2. Eiseres voert aan dat zij niet via Spanje de Europese Unie is ingereisd. Haar reis is door een reisagent geregeld. Aangezien zij niet persoonlijk is gecontroleerd op de luchthaven waar zij vanuit Ethiopië aankwam, acht zij het niet aannemelijk dat zij via Spanje is ingereisd. Zij weet niet via welk land zij wel is binnengekomen.

2.1.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit EU-Vis blijkt dat eiseres door de buitenlandse vertegenwoordiging van Spanje in Ethiopië het bezit is gesteld van een visum, geldig van 30 januari 2020 tot 13 mei 2020. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten gegeven op grond waarvan verweerder niet van de juistheid van de informatie uit EU-Vis heeft kunnen uitgaan. Nu eiseres niet met een paspoort en reisdocumenten aannemelijk heeft gemaakt dat zij anders dan met voormeld visum is ingereisd, is verweerder er terecht van uitgegaan dat de vreemdeling het visum heeft gebruikt om in te reizen. Dit volgt uit vaste Afdelingsjurisprudentie.1 De beroepsgrond slaagt niet.

3. Eiseres voert aan dat verweerder haar asielaanvraag in behandeling moet nemen op grond van artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening. Zij is van hoge leeftijd en analfabeet, waardoor zij afhankelijk is van de zorg van haar zoon, haar enige kind, die in Nederland woont. Zij woont bij hem in huis, in Terneuzen. Hij heeft dit bevestigd met een verklaring. Zij is 67 jaar oud. Dit is voor Somalische begrippen een hoge leeftijd. Daarbij verwijst zij naar informatie van de World Health Organization.2 Bij de aanvullende gronden heeft zij documenten overgelegd waaruit de familieband met haar zoon en haar afhankelijkheid van hem blijkt. Zij voert daarbij nog aan dat zij niet beschikt over officiële documenten over de familierechtelijke relatie tussen haar en haar zoon. Zij stelt op dat punt in bewijsnood te verkeren. Zij verwijst ter onderbouwing van haar standpunt onder andere naar het Algemeen Ambtsbericht Somalië van 2020.
Ter zitting heeft zij aangevoerd dat het Centraal Opvangorgaan Asielzoekers (COA) op basis van de overgelegde documenten van de familieband en de afhankelijkheid uitgaat. Het COA heeft haar daarom overgeplaatst van Almere naar Middelburg. Dit is in de buurt van haar zoons huis, zodat hij haar kan begeleiden naar haar meldplicht. Daarnaast voert zij aan dat zij in Spanje vreest voor het coronavirus. Zij valt binnen de risicogroep. Hier in Nederland woont zij in een veilige omgeving bij haar zoon en het is onduidelijk in welke situatie zij in Spanje terecht zal komen.

3.1.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres op geen enkele wijze met (medische) documenten heeft onderbouwd dat zij zorg nodig heeft. Er is niet gebleken dat zij afhankelijk is van de hulp van haar zoon. Verder stelt verweerder dat zij de band met haar gestelde zoon niet met documenten heeft onderbouwd. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de documenten die eiseres in de aanvullende gronden van beroep heeft overgelegd dit niet anders maakt.

3.2.

De rechtbank overweegt als volgt.

3.2.1.

Artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening luidt, voor zo ver van belang:

“Wanneer, wegens (…) hoge leeftijd, een verzoeker afhankelijk is van de hulp van zijn kind, (…) dat (…) wettig verblijft in een van de lidstaten, (…), zorgen de lidstaten er normaliter voor dat de verzoeker kan blijven bij of wordt verenigd met dat kind, (…) op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden, het kind, (…) in staat is voor de afhankelijke persoon te zorgen en de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dit wensen.”

3.2.2.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij als iemand van hoge leeftijd dient te worden beschouwd die afhankelijk is van zorg. Zij is 67 jaar oud. Het klopt dat een dergelijke leeftijd in Nederland in het algemeen niet als een hoge leeftijd wordt beschouwd. Zij heeft echter onderbouwd en daarmee aannemelijk gemaakt dat de gemiddelde levensverwachting van een vrouw in Somalië 57 jaar oud is. Die leeftijd is zij ruim gepasseerd. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres nog aangegeven dat zij de omstandigheid dat 67 jaar in het geval van eiseres een hoge leeftijd betreft uit eigen waarneming kan bevestigen. Daarbij is zij analfabeet, wat naar het oordeel van de rechtbank een bijkomende factor van afhankelijkheid is. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij haar zoon in huis woont, dat hij haar ondersteunt in haar dagelijkse leven en dat zij afhankelijk is van zijn zorg. Hij heeft ook schriftelijk bevestigd dat hij in staat is om voor haar te zorgen en dat hij dit wenst. Ook het COA gaat uit van de afhankelijkheid van eiseres van haar zoon, gelet op het feit dat eiseres is overgeplaatst naar een asielzoekerscentrum in de buurt van haar zoon.
Nu uit artikel 16 van de Dublinverordening volgt dat de afhankelijkheid ook uit het hebben van een hoge leeftijd kan bestaan, schiet de motivering van verweerder tekort. In paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat immers dat niet alleen op grond van medische verklaringen, maar ook op grond van verklaringen van de vreemdeling wordt vastgesteld dat de vreemdeling zorg nodig heeft. Door alleen naar het ontbreken van (medische) documenten te verwijzen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in dit geval onvoldoende gemotiveerd dat eiseres wegens haar hoge leeftijd niet afhankelijk is van de zorg van haar zoon.
Verweerder heeft gelet op alle omstandigheden van het geval niet van doorslaggevend belang geacht dat de familieband tussen eiseres en haar zoon niet is aangetoond. Hij heeft dit bij de afwijzing als factor meegewogen. Nu uit de documenten die bij de aanvullende gronden van beroep zijn overgelegd volgt dat haar zoon eiseres tijdens zijn asielgehoor heeft genoemd en vervolgens namens haar een mvv-aanvraag (machtiging tot voorlopig verblijf) heeft ingediend in het kader van de nareisprocedure, had verweerder in dit geval ook nader moeten motiveren waarom eiseres de familieband met haar zoon onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Dit omdat eiseres uit Somalië komt en heeft onderbouwd dat er in Somalië nauwelijks gebruik wordt gemaakt van officiële documenten.

De beroepsgrond slaagt.

4. Op grond van het bovenstaande is het beroep gegrond. De rechtbank komt niet meer toe aan bespreking van de overige gronden.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. de Lange, griffier.

De uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Onder andere de uitspraak van 13 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:71.

2 https://www.who.int/countries/som/en/.