Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7708

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
14-08-2020
Zaaknummer
NL 20.11589
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid mocht weigeren de asielaanvraag van een Zuid-Afrikaanse vrouw en haar minderjarige zoontje in behandeling te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.11589


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [nummer] ,

mede namens haar minderjarige zoon

[zoon] ,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. G.E. Jans),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Oba).

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2020, tegelijkertijd met het onderzoek in de zaak met nummer NL20.11591. Eiseres is niet verschenen. De gemachtigde van verweerder heeft over de telefoon deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

Het verzoek om aanhouding

1. Op de dag van de zitting heeft de gemachtigde van eiseres verzocht om aanhouding van de zitting, omdat hij vanwege medische redenen de zitting niet kan bijwonen. De gemachtigde van eiseres heeft kort daarop de griffier desgevraagd telefonisch toegelicht dat hij vanwege een mogelijke besmetting met Covid-19 niet kan verschijnen op de rechtbank omdat dit onverantwoord is, dat geen kantoorgenoten beschikbaar zijn en dat hij niet via een telefonische verbinding deel kan nemen aan de zitting. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiseres dit schriftelijk bevestigd en daaraan toegevoegd dat als de rechtbank het verzoek om aanhouding afwijst, de zaak op de stukken mag worden afgedaan.

2. Omdat de gemachtigde van eiseres enerzijds verzoekt om aanhouding en anderzijds toestemming geeft om de zaak zonder zitting af te doen, begrijpt de rechtbank dat de gemachtigde van eiseres bedoeld heeft om zich af te melden voor de zitting. Voor zover de gemachtigde van eiseres wel bedoeld heeft een aanhoudingsverzoek te doen, wijst de rechtbank dit verzoek af, ook omdat de gemachtigde van eiseres niet telefonisch deel wilde nemen aan de zitting.

De feiten en het bestreden besluit

3. Eiseres en haar minderjarige zoon hebben de Zuid-Afrikaanse nationaliteit. Zij is geboren op [geboortedag] 1977 en haar minderjarige zoon op [geboortedag] 2004.

4. De Franse vertegenwoordiging in Johannesburg, Zuid-Afrika, heeft eiseres en haar minderjarige zoon een visum voor het Schengengebied verleend dat geldig was van 12 juli 2019 tot 11 oktober 2019. Eiseres en haar minderjarige zoon zijn met dat visum op 17 juli 2019 via Schiphol Nederland ingereisd.

5. Eiseres heeft op 5 augustus 2019 bij de politie aangifte gedaan van mensenhandel. Verweerder heeft die aangifte ambtshalve opgevat als een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning. Die is afgewezen, omdat de Officier van Justitie de aangifte heeft geseponeerd omdat deze te weinig aanknopingspunten gaf voor verder onderzoek.

6. Vervolgens hebben eiseres en haar minderjarige zoon een asielverzoek gedaan. Dit was op 6 december 2019.

7. Verweerder heeft de Franse autoriteiten op 20 januari 2020 een verzoek om overname op grond van de Dublinverordening1 gedaan, dat Frankrijk op 5 maart 2020 heeft aanvaard.

8. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.2 Frankrijk heeft met de overname ingestemd, omdat eiseres met een door Frankrijk verleend visum de Europese Unie is ingereisd3, aldus verweerder in het bestreden besluit.

Heeft verweerder tijdig het overnameverzoek gedaan?

9. Eiseres stelt allereerst dat Nederland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag, omdat Nederland het overnameverzoek te laat heeft gedaan. Zij voert aan dat de claimtermijn aanving met haar aangifte van mensenhandel, omdat die aangifte als asielverzoek moet worden aangemerkt. Verder is de Eurodac-treffer van haar vingerafdrukken van meer dan twee maanden geleden.

10. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet eerder dan 6 december 2019 om asiel heeft gevraagd. Verweerder kon namelijk de aangifte van mensenhandel opvatten als een verzoek voor een reguliere verblijfsvergunning. Zoals verweerder op zitting ook heeft toegelicht, volgt dit uit artikel 3.48 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), richtlijn 2004/81/EG4 over slachtoffers van mensenhandel en paragraaf B8/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

11. Dat betekent dat verweerder tijdig bij de Franse autoriteiten heeft verzocht om overname, omdat het door Frankrijk verleende (Schengen)visum nog niet meer dan zes maanden was verlopen. Omdat het overnameverzoek en de acceptatie van Frankrijk alleen op dit visum zijn gebaseerd, is de treffer in Eurodac, waaruit bleek dat eiseres en haar kinderen tussentijds in Frankrijk zijn geweest, hier niet relevant.

Het interstatelijk vertrouwensbeginsel

12. Eiseres voert verder aan dat verweerder op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de behandeling van haar asielverzoek naar zich toe moet trekken, omdat enerzijds in Frankrijk – kort gezegd – sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen en anderzijds eiseres een kwetsbare persoon is omdat zij slachtoffer is van mensenhandel. Zij wijst ter onderbouwing hiervan op het rapport van AIDA-France 2019, Update april 2020. Verweerder betwist dit en stelt zich op het standpunt dat hij uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

13. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit in haar geval niet kan. De rechtbank is van oordeel dat eiseres daarin niet is geslaagd.

14. Al in eerdere uitspraken heeft deze rechtbank zich uitgelaten over beroepen van zogenoemde Dublinterugkeerders naar Frankrijk, waarbij een beroep gedaan is op een rapport van AIDA. In bijvoorbeeld een uitspraak van 29 juni 20205 heeft de rechtbank met betrekking tot een beroep van een Dublinterugkeerder op een rapport van 20 maart 2019 van AIDA vastgesteld dat daaruit blijkt dat er problemen zijn met de opvang in Frankrijk en dat sommige Dublinterugkeerders lang op een afspraak moeten wachten. Maar de rechtbank heeft geoordeeld dat het rapport onvoldoende aanknopingspunten biedt om aannemelijk te maken dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk, op grond waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verder heeft deze rechtbank in die uitspraak geoordeeld dat het AIDA rapport van april 2020 ten opzichte van het rapport van maart 2019 geen slechter beeld schetst van de situatie in Frankrijk ten aanzien van de opvangvoorzieningen en de asielprocedure in Frankrijk. Uit het AIDA-rapport van april 2020 komt veeleer naar voren dat aan asielzoekers in Frankrijk wel opvang wordt geboden – ook aan Dublinclaimanten – en dat de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag en de asielprocedure afhangt van de prefectuur waar de Dublinterugkeerder naartoe moet. Uit het claimakkoord van eiseres blijkt dat zij zich na aankomst moet melden bij de préfecture de Gironde. Eiseres heeft niet gesteld en niet is gebleken dat Dublinterugkeerders bij die prefectuur geen opvang krijgen of dat de asielprocedure daar lang duurt. Voor zover dat wel aan de orde is en eiseres na overdracht aan Frankrijk geen opvang krijgt of haar asielprocedure lang duurt, moet eiseres klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten of geëigende instanties.

15. Verder voert eiseres aan dat zij vanwege de maatregels rond Covid-19 niet met haar gemachtigde kon overleggen, zodat verweerder ook om die reden de behandeling met artikel 17 van de Dublinverordening naar zich toe moet trekken. De rechtbank stelt vast dat de maatregels rond Covid-19 inmiddels zijn versoepeld, zodat niet langer aannemelijk is dat eiseres en haar gemachtigde geen contact met elkaar konden leggen. Dat geldt eens te meer, omdat eiseres’ gemachtigde de rechtbank liet weten dat ‘op het dossier uitspraak gedaan kan worden’.

16. Uit het voorgaande volgt dat verweerder in wat eiseres heeft aangevoerd, geen grond heeft hoeven zien de behandeling van eiseres’ asielverzoek (onverplicht) aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.

Conclusie

17. Het beroep is ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C.H. Hersbach, griffier.

Omdat de griffier verhinderd is mee te ondertekenen, is deze uitspraak door een andere griffier getekend. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening).

2 Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

3 Artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.

4 Richtlijn 2004/81/EG betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie.

5 ECLI:NL:RBDHA:2020:5809.