Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7691

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
20-08-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2914
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeschiktheid, ontslag, zorgvuldigheid onderzoek terugkeer naar eigen functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/2914

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C. van Vlooten),

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M. Rentema).

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 1 november 2018 eervol ontslag verleend. De ingangsdatum van het verleende ontslag is bij besluit van 30 oktober 2018 opgeschort tot 1 december 2018.

Bij besluit van 29 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek heeft met behulp van Skype plaatsgevonden op 30 juni 2020. Eiser heeft daaraan deelgenomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens hebben de gemachtigde van verweerder en mevrouw [medewerkster verweerder] , medewerker van verweerder, daaraan deelgenomen.

Overwegingen

1. Eiser werkt sinds 1 oktober 2006 bij verweerder als 1e Beheerder ICT, afdeling Infrastructuur en Services (I&S). Eiser heeft zich op 8 september 2015 ziek gemeld. Eiser heeft klachten ten gevolge van de ziekte van Parkinson.

1.1.

Op 5 november 2015 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat eiser kon terugkeren in zijn eigen functie.

1.2.

Op 3 januari 2017 is er een functiegeschiktheidsadvies (FGA) opgesteld. Hieruit volgt dat eiser voor 35% tot 80% arbeidsongeschikt is en niet kan terugkeren in zijn eigen functie.

1.3.

Op 28 april 2017 is eiser ten behoeve van zijn re-integratie geplaatst bij het Dienstencentrum Re-integratie (DCR).

1.4.

Bij besluit van 3 augustus 2017 heeft het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) verweerder een loonsanctie opgelegd tot en met 4 september 2018, omdat verweerder niet heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Ook mag eiser tot die datum niet worden ontslagen. Bij dit besluit is als bijlage overgelegd een rapport van een arbeidsdeskundige van 21 juli 2017 (deskundigenoordeel). Dit rapport bevat een weergave van de re-integratieactiviteiten die hebben plaatsgevonden. De conclusie in dat rapport is dat verweerder heeft nagelaten, na het opnieuw vaststellen van de beperkingen van eiser, te onderzoeken of eiser geschikt is voor zijn eigen functie en zo niet, of er ander passend werk binnen de eigen organisatie aanwezig is en indien dit niet het geval is een tweede spoor traject op te starten. Tijdens het gesprek met het UWV heeft eiser aangegeven dat hij zijn eigen werk met wat kleine aanpassingen kon uitvoeren. Eisers focus was gericht op terugkeer in zijn eigen functie.

1.5.

Na het deskundigenoordeel van het UWV van 21 juli 2017 is opnieuw een FGA aangevraagd om te laten beoordelen of eiser geschikt was voor zijn eigen functie en is er een tijdelijke re-integratieplaats voor eiser gevonden bij de Defensie Materieel Organisatie in Maasland.

1.5.

Verweerder heeft op 18 augustus 2017 het tweede spoor opgestart.

1.6.

Op 4 januari 2018 is er opnieuw een FGA opgesteld. Hieruit volgt dat eiser voldoende geschikt is om alsnog in zijn eigen functie te re-integreren.

1.7.

Vanaf 19 februari 2018 is eiser begonnen met de re-integratie op zijn eigen functie als 1e beheerder ICT binnen het Cluster Security & Identity in Maasland. Blijkens een verslag van een functioneringsgesprek op 19 februari 2018 zijn wederzijdse verwachtingen vastgelegd en afspraken gemaakt over de re-integratie. Het streven is dat eiser binnen één maand zelfstandig zijn werkzaamheden moet kunnen uitvoeren.

1.8.

De voortgang van het re-integratietraject wordt tweewekelijks met eiser besproken. Uit de verslaglegging hiervan volgt dat de re-integratie moeizaam verloopt. Met betrekking tot de opbouw van uren en de re-integratie volgt verweerder de adviezen van de bedrijfsarts.

1.9.

Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser met ingang van 1 november 2018 eervol ontslag verleend wegens blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte op grond van artikel 121, eerste lid, aanhef en onder f, en artikel 121, derde lid, van het Besluit ambtenarenreglement defensie (het Bard).

1.10.

Bij besluit van 1 oktober 2018 heeft het UWV eiser met ingang van 4 september 2018 een WIA-uitkering toegekend, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld op 35-80%. Terugkeer in zijn eigen functie is niet mogelijk.

1.11.

Bij besluit van 30 oktober 2018 (aanvullend besluit) heeft verweerder de ingangsdatum van het verleende ontslag aangepast van 1 november 2018 naar 1 december 2018.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het ontslag gehandhaafd. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat voldoende re-integratie-inspanningen zijn geleverd om eiser te laten re-integreren in zijn eigen functie. Aangezien eiser op 4 januari 2018 functiegeschikt is bevonden en eiser zelf ook aangaf dat hij in zijn eigen functie wilde re-integreren, heeft de re-integratie in het eerste spoor prioriteit gekregen. De verwachting van verweerder en eiser was dat eiser hierin zou kunnen terugkeren. De voortgang van het re-integratie traject is regelmatig met eiser besproken. De re-integratie verliep moeizaam. Met betrekking tot de opbouw van uren en de re-integratie heeft verweerder de adviezen van de bedrijfsarts opgevolgd. Daarnaast is gekeken naar andere passende functies binnen en buiten Defensie. In augustus 2017 is het tweede spoor opgestart. Tussen 1 september 2017 en 1 december 2018 hebben 30 interne en externe sollicitaties plaatsgevonden, waaruit twee sollicitatiegesprekken zijn voortgekomen. Verder zijn eiser vijf functies aangeboden. Eiser heeft echter aangegeven dat hij de voorkeur gaf aan terugkeer in zijn eigen functie in plaats van een passende functie in spoor twee te accepteren. Nu in het eerste en tweede spoor van de re-integratie voldoende re-integratie inspanningen zijn geleverd, stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit in redelijkheid kon worden genomen.

3. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert, kort samengevat, aan dat de re-integratie inspanningen onvoldoende zijn geweest, waardoor geen sprake is geweest van een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek. Eiser stelt dat zijn ontslag al op voorhand vaststond. Verweerder heeft zijn persoonlijke omstandigheden niet meegewogen in de besluitvorming. Eisers re-integratie in zijn eigen functie bleek slechts re-integratie op dezelfde functienaam, maar met volledig andere disciplines. Dit was niet volgens afspraak. Verder kreeg eiser teveel werk opgedragen tijdens de re-integratie en werd hij aan zijn lot overgelaten door de bedrijfsarts.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Op grond van artikel 121, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bard kan – voor zover van belang – de ambtenaar, anders dan op eigen aanvraag, worden ontslagen op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.

Op grond van artikel 121, derde lid, van het Bard kan een dergelijk ontslag slechts plaatsvinden indien:

a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,

b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en

c. na een zorgvuldig onderzoek het niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen het gezagsbereik van Onze Minister andere arbeid aan te bieden, dan wel indien de ambtenaar geweigerd heeft deze arbeid te aanvaarden.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

Partijen zijn onder meer verdeeld over de vraag of aan de derde voorwaarde van artikel 121, derde lid, van het Bard is voldaan.

6.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2880) moeten voorschriften over het herplaatsingsonderzoek nauwgezet worden nageleefd. Het onderzoek moet zorgvuldig worden uitgevoerd, waarbij elke reële mogelijkheid tot herplaatsing moet worden aangegrepen. Ook mogelijkheden van functies waar de voorkeur van de ambtenaar niet in eerste instantie naar uitgaat dienen te worden onderzocht. Van belang is voorts dat als zich een passende functie voordoet de ambtenaar daarop daadwerkelijk moet worden geplaatst; het is te vrijblijvend om hem op dat soort functies slechts te laten solliciteren.

6.3.

Vaststaat dat, nadat het UWV op 3 augustus 2017 verweerder een loonsanctie heeft opgelegd, de re-integratie op spoor 2 is aangevangen. Eiser is in dit kader vanaf 9 september 2017 tewerkgesteld bij de Afdeling Maritieme Systemen (AMS) voor 12 uur per week. Per 22 januari 2018 is het aantal uren verhoogd naar 20 uur per week. Niet in geschil is dat eiser deze werkzaamheden tot dan toe aankon en dat geen sprake was van negatieve berichten over zijn functioneren, zodat aannemelijk is dat deze werkzaamheden passend waren. Eiser heeft er evenwel op aangedrongen dat wederom een FGA zou worden uitgebracht over zijn geschiktheid voor zijn eigen functie. Dit heeft geleid tot het advies van 4 januari 2018 waarin is geconcludeerd dat eiser de laatste maanden van 2017 door een evenwichtige behandeling en intensieve steun van zijn medisch specialist weer is gestabiliseerd en voldoende geschikt wordt geacht om alsnog te re-integreren op zijn eigen functie. Eiser heeft in dit verband aangegeven dat zijn voorkeur hier ook naar uitging, waarop de werkzaamheden bij AMS zijn beëindigd en hij per 19 februari 2018 de re-integratie heeft voortgezet in zijn eigen functie. Verweerder heeft er hierbij voor gekozen om eiser niet op zijn oude unit (Secure Integrated Access) te plaatsen vanwege de hoge werkdruk aldaar, maar te laten re-integreren op de rustigere unit Autorisatiebeheer. Op

1 oktober 2018 is eiser door het UWV per 4 september 2018 een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 40,93%.

6.4.

Uit de Eindrapportage Spoor 2 d.d. 1 december 2018 blijkt dat sinds spoor 2 is aangevangen, eiser onder begeleiding van verweerder tientallen sollicitaties heeft verricht en hem vijf functies zijn aangeboden. Daarnaast is eiser – zoals hierboven overwogen – tewerkgesteld bij AMS en later heeft eiser hier nog gesolliciteerd, maar toen waren er geen geschikte posities (meer) beschikbaar. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder onder deze omstandigheden niet worden tegengeworpen dat hij onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft geleverd dan wel onvoldoende onderzoek naar herplaatsing heeft gedaan. Dit geldt temeer nu eiser niet heeft onderbouwd welke activiteiten verweerder in dit kader heeft nagelaten. Door de passende werkzaamheden bij AMS op te geven en spoor 1 weer tot prioriteit te maken heeft eiser voorts een risico genomen waarvan de gevolgen niet zonder meer op verweerder afgewenteld kunnen worden, in die zin dat – nu de re-integratie in het eigen werk is mislukt – verweerder aanvullende inspanningen zou moeten verrichten om eiser te herplaatsen.

6.5.

Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat hij geen eerlijke kans heeft gehad in de periode dat hij weer in zijn eigen functie werkte vanaf 19 februari 2018 en hem door zowel verschillende leidinggevenden als de bedrijfsarts onvoldoende hulp is geboden. De rechtbank is van oordeel dat dit niet aannemelijk is geworden. Hierbij is van belang dat uit de gedingstukken blijkt dat eiser gedurende het re-integratietraject regelmatig is gezien door de bedrijfsarts. Ook blijkt dat verweerder de adviezen van de bedrijfsarts ten aanzien van de opbouw van de uren heeft opgevolgd. Daarnaast zijn werkafspraken gemaakt en plannen van aanpak opgesteld. Ook heeft eiser regelmatig met zijn leidinggevende over de voortgang van zijn re-integratie gesproken, hetgeen aan zijn re-integratiebegeleider is teruggekoppeld. Uit de verslagen van deze gesprekken blijkt niet dat eiser heeft aangegeven dat hij werd overvraagd. Indien eiser zich niet gehoord voelde door de bedrijfsarts dan lag het op zijn weg om een second-opinion aan te vragen. Ten slotte heeft – zoals hiervoor is overwogen – eiser zelf aangedrongen op een nieuwe re-integratiepoging in zijn eigen functie. Verweerder is hierin meegegaan – gelet op het positieve FGA en eisers wens daartoe – en heeft daarbij rekening gehouden met de belangen van eiser door hem op een rustigere unit te plaatsen dan waar hij vandaan kwam. Uit al deze omstandigheden kan niet worden afgeleid dat eiser aan zijn lot is overgelaten dan wel dat zijn ontslag al vaststond, ook al eervaart eiser dit wellicht zo, nu de re-integratiepoging is mislukt en het ontslag een feit is. In ieder geval kan niet geoordeeld worden dat verweerder in dit verband zijn re-integratieverplichtingen niet is nagekomen.

6.6.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden niet zodanig zijn dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot ontslagverlening gebruik heeft kunnen maken. De rechtbank ziet in hetgeen eiser overigens in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 6 augustus 2020 door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, en mr. D. Biever en mr. M.J.L. van der Waals, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. van Veen, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.