Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7682

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
24-08-2020
Zaaknummer
NL20.9770
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opvolgende asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond - Afghaanse - gestelde homoseksuele geaardheid, afvalligheid en verwestering - beroep gegrond verklaard, bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen geheel in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.9770


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. L.M. Straver),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).


Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond. Er is tevens een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft bij brief van 4 augustus 2020 op de zaak betrekking hebbende

stukken ingediend en de rechtbank met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat de kennisneming van de overgelegde documenten tot de rechtbank beperkt dient te blijven. De stukken betreffen een rapport gehoor opvolgende aanvraag van 22 februari 2018 en een rapport aanvullend gehoor van 18 juni 2018 van de heer [A] . Verweerder acht het overleggen van de rapporten van gehoor aan eiser, zonder toestemming van de heer [A] , in strijd met de Algemene verordening gegevensbescherming.

Bij beslissing van 4 augustus 2020 heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank geoordeeld dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Eiser heeft bij brief van 5 augustus 2020 ingestemd met het verzoek van de rechtbank om mede op grondslag van de vertrouwelijke stukken uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.9771, plaatsgevonden op 6 augustus 2020. Eiser is verschenen, vergezeld door de heer [A] , en is bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.C. Kahnna. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1990.

1.2.

Eiser heeft zijn eerste asielaanvraag ingediend op 11 september 2014. Bij besluit van 11 februari 2015 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat Hongarije op grond van de Dublinverordening de verantwoordelijke lidstaat zou zijn. Het door eiser ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, bij uitspraak van 16 oktober 2015 gegrond verklaard (AWB 15/2751) en deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bevestigd (201508385/1/V3).

1.3.

Op 24 mei 2016 heeft verweerder besloten om de asielaanvraag van eiser te behandelen in de nationale procedure. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij zijn land van herkomst, Afghanistan, heeft verlaten vanwege de problemen die hij heeft ondervonden in relatie tot zijn homoseksuele activiteiten en seksuele gerichtheid. Daarnaast heeft hij aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat ontdekt werd dat hij geen religie had. Bij besluit van 13 december 2016 heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond. Het door eiser ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, bij uitspraak van 12 juni 2017 ongegrond verklaard (NL16.3915) en deze uitspraak is door de Afdeling bevestigd (201704851/1/V2).

1.4.

Op 24 augustus 2018 heeft eiser een nieuwe asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 27 februari 2019 buiten behandeling gesteld, omdat de aanvraag door verweerder als onvolledig is aangemerkt. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld, maar hij heeft dit beroep vervolgens ingetrokken.

1.5.

Op 20 juni 2019 heeft eiser de onderhavige asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij afvallige is en dat dit eerder door verweerder niet is erkend als vervolgingsgrond. Daarnaast heeft eiser aangegeven inmiddels een vaste relatie te hebben met de heer [A] en LHBTI-organisaties te steunen. Eiser beroept zich ook op de nieuwe Werkinstructie 2018/9. Bij zijn aanvraag heeft eiser een brief van zijn partner van 13 juni 2019, een kopie van de legitimatie van zijn partner en een brief van [B] , coördinator van Cocktail, van 6 juni 2019 overgelegd. Verder heeft hij nog een brief van 7 juni 2019 overgelegd waarin staat dat hij zich heeft aangesloten bij de [groep] , een brief van zijn partner van 24 oktober 2019 waarin hij vraagt een positieve beslissing op de aanvraag van eiser te nemen, een e-mail van [C] van 20 november 2019 waarin de relatie van eiser met de heer [A] bevestigd wordt, uitnodigingen voor LHBTI-feesten/bijeenkomsten en de daarvoor benodigde vervoersbewijzen, de uitslag van een SOA-test en foto’s van de oorpiercings en de tatoeage van eiser.

2. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- de identiteit, nationaliteit en herkomst;

- eiser is een afvallige moslim;

- eiser is homoseksueel;

- eiser heeft een tatoeage.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser een tatoeage heeft op zijn hand en een gaatje in zijn oren. Ten aanzien van het element dat eiser een afvallige moslim is, stelt verweerder vast dat eiser tijdens zijn vorige asielprocedure heeft verklaard dat hij geen geloof belijdt. Het gestelde dat eiser geen geloof belijdt, heeft verweerder destijds als zodanig wel geloofwaardig geacht, maar dat eiser in verband hiermee bij terugkeer naar Afghanistan te vrezen zou hebben voor problemen, heeft verweerder niet aannemelijk geacht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding bestaat om thans anders te oordelen. Er is volgens verweerder niet gebleken van geringe indicaties en verweerder heeft het niet aannemelijk geacht dat eiser te vrezen heeft voor vervolging omdat hij geen religie heeft. De gestelde homoseksuele geaardheid van eiser is in de vorige asielprocedure ongeloofwaardig geacht en dit oordeel staat in rechte vast. Verweerder stelt dat hetgeen eiser in de onderhavige asielprocedure heeft aangevoerd, niet leidt tot het alsnog geloofwaardig achten van dit element.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aan.

3.1.

Beroepsgronden over beoordeling LHBTI-asielmotief

Eiser voert aan dat hij in aanmerking dient te komen voor internationale bescherming, omdat hij homoseksueel is en hem de homoseksuele geaardheid wordt toegedicht vanwege online foto’s en zijn uiterlijke kenmerken. Dit laatste is door verweerder ten onrechte niet betrokken bij de besluitvorming.

Het gehoor van 17 oktober 2019 heeft daarnaast onzorgvuldig plaatsgevonden. Verweerder heeft nagelaten om eiser tijdens dit gehoor met mogelijke tegenstrijdigheden te confronteren en om zijn reactie hierop te vragen. Ook heeft eiser aan het begin van het gehoor aangegeven iets nieuws naar voren te willen brengen, namelijk dat hij een seksuele relatie heeft gehad met zijn neef in Afghanistan. Hij is betrapt door een vrouwelijk familielid terwijl zijn neef en hij samen in een gastenkamer waren. Eiser heeft kunnen ontsnappen, maar hij vreest voor eerwraakmoord en dit was de directe aanleiding voor hem om uit Afghanistan te vluchten. Eiser heeft hier niet eerder over kunnen spreken omdat er een groot taboe op rust, wat ook volgt uit paragraaf 3.5.7 van het algemeen ambtsbericht Afghanistan van maart 2019. De gehoormedewerker heeft eiser ten onrechte niet verder laten verklaren over deze gebeurtenis, omdat dit geen nieuw feit en/of nieuwe omstandigheid zou zijn en deze gebeurtenis niet op het formulier voor zijn opvolgende aanvraag was ingevuld.

Voorts werpt verweerder verklaringen in de asielprocedure van de partner van eiser aan eiser tegen zonder deze stukken integraal aan eiser en zijn gemachtigde te overleggen. Op deze wijze kunnen de gemachtigde van eiser en de rechtbank niet beoordelen of dit terecht en op een juiste manier gebeurt. Verweerder was bovendien in het bezit van de impliciete toestemming van de partner van eiser alsmede van diens contactgegevens, waardoor verweerder zo nodig zelf contact met de partner van eiser had kunnen opnemen om expliciete toestemming te vragen om de gehoren in de besluitvormingsfase aan eiser te overleggen. Verweerder stelt dat de gehoren bij brief van 24 april 2020 (op dezelfde dag als waarop het bestreden besluit is uitgebracht) aan de partner van eiser zijn toegezonden. Ten eerste is dit te laat en ten tweede betwist de partner van eiser dat hij het rapport van 18 juni 2018 heeft ontvangen. Hij stelt alleen het rapport van 22 februari 2018 te hebben ontvangen en hieruit blijken niet de punten die door verweerder aan eiser worden tegengeworpen.

Voorts heeft verweerder in strijd met Werkinstructie 2018/9 en zijn opvolger 2019/17 te weinig gewicht gehecht aan de verklaringen van derden en de bewijsstukken van de LHBTI-organisaties. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte nagelaten de partner en de broer van eiser te horen over de verklaringen van eiser, aangezien zij zijn verklaringen kunnen bevestigen.

De Facebookaccounts van eiser zijn verder ten onrechte in zijn geheel niet bij de besluitvorming betrokken, terwijl dit wel relevant is voor het asielrelaas van eiser. Eiser is namelijk ook via Facebook met de dood bedreigd door familieleden.

Ook heeft eiser de tatoeage ‘love B’ op zijn hand laten tatoeëren, wat een belangrijke aanwijzing is voor het bestaan van een daadwerkelijke liefdesrelatie tussen eiser en zijn partner [A] .

Uit Werkinstructie 2019/17 blijkt bovendien dat elke zaak waarin een LHBTI-motief speelt aan een LHBTI-coördinator voorgelegd moet worden. Uit het bestreden besluit blijkt niet kenbaar dat dit is gebeurd.

3.2.

Beroepsgronden over beoordeling afvalligheid

Voorts heeft verweerder ten onrechte, ondanks het feit dat het geloofwaardig wordt geacht dat eiser een afvallige is, eiser een verblijfsvergunning onthouden. Eiser heeft verklaard over de problemen die hij heeft ondervonden in Afghanistan en Hongarije vanwege zijn afvalligheid en het weigeren om aan islamitische voorschriften gehoor te geven. Uit jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld zaak 200408809/1) volgt dat gebeurtenissen in het verleden als geringe indicaties kunnen gelden om vrees voor vervolging aan te tonen.

De wijze waarop eiser uiting geeft aan het zijn van een afvallige, zal hij ook bij terugkeer blijven doen. Het kan niet van hem worden verwacht dat hij zijn gedrag moet conformeren aan de religieuze praktijken in Afghanistan. Uit de arresten Y en Z en X, Y en Z van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt ook dat de mogelijkheid van terughoudend gedrag geen rol kan spelen bij de beoordeling of de vreemdeling recht heeft op bescherming.

Uit het algemeen ambtsbericht Afghanistan van maart 2019 en de EASO richtlijnen van juni 2018 en juni 2019 volgt dat afvalligen in Afghanistan systematisch als groep worden vervolgd en dat zij gegronde vrees voor vervolging hebben. Het is onmogelijk om een gebrek aan religieuze overtuiging te verbergen in Afghanistan als je daar geboren bent in een islamitisch gezin. Eiser dient daarom als vluchteling te worden erkend. Ter onderbouwing hiervan wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 23 november 2018 (NL18.18478).

Uit het algemeen ambtsbericht Afghanistan van maart 2019 volgt ook dat godslastering en afvalligheid door moslims misdrijven zijn waar volgens de sharia de doodstraf op staat. Juist vanwege deze ernstige consequenties, komt niemand hier openlijk voor uit.

3.3.

Beroepsgronden over tatoeages en uiterlijk van eiser

Eiser voert daarnaast aan dat hij is verwesterd, wat onder andere volgt uit zijn tatoeages en piercings. Dit is door verweerder ten onrechte niet betrokken bij de besluitvorming. Tatoeages zijn daarnaast verboden volgens islamitische wetten en zijn daarom ook een uiting van afvalligheid. Eiser heeft bovendien een tatoeage van een Spaanse voetbalclub op zijn hand en uit een artikel van Radio Free Europe/Radio Liberty volgt dat sport door de Taliban ten strengste verboden is. Deze tatoeage is daarom risico verhogend.

3.4.

Beroepsgronden over beoordeling van eisers relaas

Verweerder heeft verder onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser en het feit dat hij analfabeet is. Eiser heeft een gebrek aan onderwijs gehad en ook dit is onvoldoende kenbaar bij de beoordeling betrokken. Verweerder werpt ten onrechte het niet begrijpen van vragen, problemen met data, het geven van foutieve data en de problemen om abstracte vragen goed te begrijpen en hier correct en gedetailleerd antwoord op te geven, tegen.

De beslismedewerker van het voornemen, mevrouw [D] , is bovendien niet volledig objectief ten aanzien van het beoordelen van de seksuele gerichtheid van een ongeschoolde asielzoeker. Bij de zienswijze is een artikel van dagblad Trouw van 20 april 2016 overgelegd waarin mevrouw [D] heeft verklaard dat zij hoogopgeleide Iraniërs eerder gelooft dan een laagopgeleide Afghaan. Hierdoor voldoet de besluitvorming niet aan de voorwaarden van artikel 10, derde lid, van de Procedurerichtlijn. Dat het bestreden besluit door een andere beslismedewerker is geschreven, doet daar niet aan af, nu na het uitbrengen van een voornemen er in het merendeel van de dossiers geen inhoudelijke wijzingen meer plaatsvinden. Bovendien had verweerder reeds door het niet in het voornemen betrekken van de hiervoor onder 3.1. genoemde Facebookaccounts, een nieuw voornemen dienen uit te brengen.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. LHBTI-asielmotief

6.1.

Eiser stelt dat hij, vanwege zijn analfabetisme en een gebrek aan onderwijs, problemen heeft ondervonden bij het horen door verweerder, omdat hij door zijn niveau en referentiekader niet altijd in staat is om consistent en coherent te verklaren. De rechtbank overweegt dat niet is gesteld, noch is gebleken, dat eiser medische en/of psychische problematiek heeft, waardoor hij beperkingen heeft bij het verklaren. De enkele omstandigheid dat eiser analfabeet is, heeft verweerder daartoe onvoldoende kunnen achten. Uit het rapport gehoor opvolgende aanvraag blijkt dat eiser zelf initiatief heeft genomen en voorafgaand aan het gehoor aan de tolk heeft gevraagd om eenvoudig te vertalen. Uit het rapport volgt ook dat de gehoormedewerker hier rekening mee heeft gehouden en eiser heeft gevraagd om, als eiser een vraag niet begrijpt, eiser dit aan zal geven. Daarnaast blijkt uit het rapport dat de gehoormedewerker vragen heeft herhaald en heeft uitgelegd. Na afloop van het gehoor heeft eiser bovendien verklaard dat hij tevreden was over de manier waarop het gesprek is verlopen, hij geen verdere op- of aanmerkingen had en hij de tolk goed heeft begrepen en goed heeft kunnen verstaan. Verweerder heeft derhalve niet ten onrechte gesteld dat van eiser verwacht mag worden dat hij consistent en coherent verklaart. De rechtbank ziet in de aangevoerde beroepsgronden op dit punt dan ook geen reden voor de conclusie, dat verweerder de tegenstrijdige verklaringen van eiser niet mee mag nemen in de besluitvorming of deze niet mag tegenwerpen. Ook de stelling van eiser, dat het voornemen niet objectief tot stand zou zijn gekomen vanwege vooringenomenheid van de beslismedewerker, doet er niet aan af dat verweerder van eiser mag verwachten dat hij consistent en coherent verklaart. Dat de opsteller van het voornemen in 2016 in het dagblad Trouw uitspraken heeft gedaan, betekent niet dat het voornemen niet op de juiste gronden is genomen. Daarnaast is het bestreden besluit door een andere beslismedewerker genomen en hadden eventuele onjuiste gronden of overwegingen uit het voornemen hierin gecorrigeerd kunnen worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder derhalve niet ten onrechte geen nieuw voornemen uitgebracht. Dat verweerder de Facebookaccounts van eiser in het voornemen niet heeft meegewogen, leidt evenmin tot een ander oordeel, nu verweerder in het bestreden besluit naar aanleiding van deze accounts niet een ander standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de gestelde seksuele geaardheid van eiser, en eiser de aanvullende motivering in het bestreden besluit in beroep aan de orde heeft kunnen stellen.

De rechtbank ziet ook verder geen aanknopingspunten voor het oordeel, dat verweerder in strijd met Werkinstructie 2019/17 heeft gehandeld. Op pagina 2 van het verweerschrift van 27 mei 2020 heeft verweerder vermeld dat deze zaak conform deze Werkinstructie is voorgelegd aan een LHBTI-coördinator van verweerder. Dat dit niet kenbaar uit de besluitvorming blijkt, maakt niet dat niet van de juistheid van deze mededeling van verweerder kan worden uitgegaan.

6.2.

Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag heeft eiser voor het eerst verklaard dat hij een seksuele relatie heeft gehad met zijn neef in Afghanistan en dat hij dit niet eerder aan verweerder en aan zijn gemachtigde heeft durven vertellen. Tijdens het gehoor heeft de gehoormedewerker in reactie hierop aangegeven dat eiser alle nieuwe feiten en omstandigheden had dienen aan te geven op de kennisgeving van zijn opvolgende aanvraag en dat, indien hij dit niet doet, dit in principe buiten beschouwing wordt gelaten wat voor eigen rekening en risico komt (pagina 4, rapport gehoor opvolgende aanvraag). Vervolgens heeft de gehoormedewerker besloten de gestelde relatie met de neef tijdens het gehoor niet te bespreken, nu deze relatie al zou spelen tijdens de vorige asielaanvraag en dit onderwerp niet op de kennisgeving is aangegeven (pagina 5, rapport gehoor opvolgende aanvraag). De rechtbank constateert dat verweerder de gestelde seksuele relatie met de neef wel heeft meegewogen in de besluitvorming (pagina 5 van het voornemen en pagina 6 van het bestreden besluit). Verweerder heeft zich hierbij naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat dit niet tot een andere conclusie leidt inzake de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele geaardheid van eiser.

6.3.

De rechtbank overweegt verder dat overgelegde stukken, zoals de verklaringen van derden, foto’s en screenshots, weliswaar kunnen dienen als ondersteuning van eisers gestelde seksuele geaardheid, maar dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2848, onder 3.3.) volgt, dat de vreemdeling zelf tegenover verweerder aan de hand van zijn eigen verklaringen zijn geaardheid aannemelijk moet maken. Zoals reeds is overwogen, is tijdens de eerste asielprocedure eisers gestelde seksuele geaardheid niet geloofwaardig geacht en staat dit in rechte vast. In de onderhavige procedure ligt de nadruk op eisers eigen verklaringen tijdens het gehoor opvolgende aanvraag. Volgens eisers verklaringen is het nieuwe element in de onderhavige aanvraag, dat hij een relatie heeft met [A] . Gezien de tegenstrijdigheden in zijn verklaringen over die relatie die door verweerder in het voornemen (pagina’s 3 en 4) en in het bestreden besluit (pagina’s 3 en 4) zijn tegengeworpen, heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eiser middels zijn verklaringen zijn gestelde seksuele geaardheid niet geloofwaardig heeft gemaakt. De stelling van eiser, dat die tegenstrijdigheden er niet zijn, volgt de rechtbank, na kennisneming van de genoemde gehoren van [A] , niet. Het bij verweerder opvragen van de aanvullingen en correcties op die gehoren, en van de (uiteindelijk) positieve beslissing op de asielaanvraag van [A] , acht de rechtbank in dit stadium van de procedure in strijd met de goede procesorde. Eiser heeft daar pas bij brief van 5 augustus 2020 expliciet om gevraagd, en niet valt in te zien dat hij dat niet (veel) eerder had kunnen doen. Eiser heeft steeds enkel om overlegging van genoemde gehoren van [A] gevraagd.

Dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de tegenstrijdigheden niet reeds ten tijde van het gehoor te constateren en eiser hiermee te confronteren, volgt de rechtbank niet. De beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser door (onder andere) zijn verklaringen te vergelijken met die van zijn gestelde partner, heeft immers plaatsgevonden na afloop van het gehoor opvolgende aanvraag. De rechtbank acht hierbij tevens van belang dat eiser van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om correcties en aanvullingen op het rapport gehoor opvolgende aanvraag in te dienen en, naar aanleiding van het voornemen waarin de tegenstrijdigheden staan genoemd, een zienswijze heeft ingediend.

Het betoog van eiser dat verweerder zowel [A] , als de broer van eiser had moeten horen, slaagt evenmin. Uit Werkinstructie 2019/17 onder 3.2.2 volgt dat verweerder in twijfelgevallen, bijvoorbeeld als sprake is van een partner, er (in bijzondere gevallen) bij wijze van uitzondering voor zou kunnen kiezen om de derde te horen. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat in de onderhavige zaak geen sprake was van een dergelijk twijfelgeval.

Concluderend heeft verweerder de door eiser overgelegde verklaringen van derden niet van doorslaggevend belang hoeven aan te merken.

6.4.

Volgens eiser is verweerder ten onrechte niet ingegaan op de homoseksuele geaardheid die aan hem wordt toegedicht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit wel in zijn besluitvorming heeft meegenomen. Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat de uiterlijke kenmerken die eiser aanvoert niet aannemelijk maken dat mensen hem als homoseksueel zien. Ook heteroseksuele mannen kunnen immers tatoeages hebben, oorbellen dragen en hun wenkbrauwen epileren. Ten aanzien van de Facebookaccounts heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van enige dreiging, en dat evenmin is gebleken dat eisers familie in Afghanistan op de hoogte is van zijn uitlatingen op Facebook. De in beroep overgelegde screenshots van WhatsApp berichten die de dochter van de zus van eiser namens haar moeder en oom zou hebben geschreven, zijn hiertoe onvoldoende. Dat zijn familie in Nederland wel op de hoogte is van deze Facebookberichten heeft verweerder in dit kader niet relevant kunnen achten, nu eiser heeft verklaard dat hij van hen geen problemen heeft ondervonden. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij, voordat hij naar Afghanistan terugkeert, deze Facebookberichten verwijdert, nu de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser alsmede zijn relatie met [A] , niet ten onrechte ongeloofwaardig zijn bevonden.

7. Afvalligheid en verwestering

7.1.

In het voornemen (pagina’s 6 en 7) en in het bestreden besluit (pagina 8) heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in de vorige asielprocedure van eiser in rechte is vast komen te staan dat hij geen problemen heeft ondervonden vanwege zijn afvalligheid. Verweerder heeft voorts geconcludeerd dat, nu eiser in de onderhavige procedure heeft verklaard dat er met betrekking tot het niet hebben van een religie geen wijzigingen zijn ten opzichte van zijn vorige asielprocedure, in het geval van eiser niet is gebleken van geringe indicaties en het niet aannemelijk wordt geacht dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag omdat hij geen religie heeft. In het aanvullend verweerschrift van 22 juli 2020 komt verweerder terug op dit standpunt, door te stellen dat eiser blijkens zijn verklaringen niet als afvallige moet worden aangemerkt, maar als een persoon die zonder geloof door het leven gaat. Voorts heeft verweerder zich in het aanvullend verweerschrift op het standpunt gesteld dat in de besluitvorming is nagelaten te beoordelen of van eiser kan worden verlangd dat hij zich conformeert aan de islamitische regels in het land van herkomst. Verweerder heeft in het aanvullend verweerschrift deze beoordeling alsnog verricht en zich daarbij op het standpunt gesteld, dat van eiser kan worden verlangd dat hij zich bij terugkeer in Afghanistan conformeert aan deze regels. Gelet hierop, verzoekt verweerder de rechtbank het beroep gegrond te verklaren, met instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.

7.2.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in zoverre sprake is van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is om die reden gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en zal onderzoeken of in het kader van finale geschilbeslechting aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.

7.3.

Verweerder heeft in het aanvullend verweerschrift beoordeeld of van eiser kan worden verlangd dat hij zich conformeert aan de islamitische regels in Afghanistan en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat voor deze beoordeling van belang is of eiser aangemerkt dient te worden als ‘afvallige’, en of aan de omstandigheid dat eiser het islamitische geloof niet belijdt, een overtuiging ten grondslag ligt. Verweerder meent dat, gezien de verklaringen van eiser hierover, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit het geval is. Verweerder verwijst hierbij allereerst naar het rapport van het eerste gehoor van 20 oktober 2014, waaruit volgens verweerder blijkt dat eiser onder andere heeft verklaard dat hij erg jong was toen zijn ouders overleden, hij niet religieus is opgevoed, niemand hem ooit iets over het geloof heeft verteld en hij vanwege zijn analfabetisme niets over het geloof heeft geleerd. Verweerder is van oordeel dat nu uit de antwoorden van eiser blijkt dat hij nooit actief een religie heeft beleden, niet gesteld kan worden dat eiser als ‘afvallige’ moet worden aangemerkt. Op basis van de verklaringen van eiser moet hij volgens verweerder aangemerkt worden als een persoon die zonder geloof door het leven gaat. Volgens verweerder blijkt daarnaast uit de verklaringen van eiser niet, dat hieraan een innerlijke overtuiging ten grondslag ligt. Ook uit de verklaringen van eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag van 17 oktober 2019 kan volgens verweerder niet worden afgeleid dat het niet belijden van een geloof bij eiser het gevolg is van een innerlijke overtuiging. Uit de antwoorden die eiser ten tijde van het gehoor opvolgende aanvraag heeft gegeven, blijkt volgens verweerder veeleer dat het niet belijden van een geloof samenhangt met zijn levensstijl en zijn gestelde seksuele geaardheid. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat onder deze omstandigheden van eiser kan worden verlangd dat hij zich bij terugkeer conformeert aan de islamitische regels, zoals hij ook altijd heeft gedaan voordat hij Afghanistan heeft verlaten.

7.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder (op pagina’s 5 en 6 van het aanvullend verweerschrift) deugdelijk gemotiveerd en terecht tot de conclusie komt, dat in het geval van eiser niet gesproken kan worden van afvalligheid, omdat hieraan blijkens de eigen verklaringen van eiser geen innerlijke overtuiging aan ten grondslag ligt. Voorts heeft verweerder zich deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat zijn westerse levensstijl een uiting is van een religieuze overtuiging. Verweerder heeft zich gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3735) derhalve op het standpunt kunnen stellen dat van eiser kan worden verlangd dat hij zich bij terugkeer in Afghanistan conformeert aan de islamitische regels, zoals eiser eerder heeft gedaan, waardoor hem geen vervolgingsgrond zal worden toegedicht door een actor van vervolging, noch dat hij risico zal lopen op een onmenselijke behandeling. Dat eiser een tatoeage van een voetbalclub op zijn hand heeft en, zoals hij ter zitting heeft aangekondigd, van plan is nog meer tatoeages te laten zetten, doet daar niet aan af.

8. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000. Hetgeen eiser verder (ter zitting) heeft aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen het inreisverbod.

De rechtbank ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Frieling, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment, voor zover nodig, alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is gedaan op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.