Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7669

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
AWB 20/488
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv, TEV, 8 EVRM, belangenafweging, ten onrechte mogelijkheid uitoefenen gezinsleven in Ethiopië meegewogen, beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/488

V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] , [V-nummer] , en [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres 1] , eiseres 1,

[eiser 1] , eiser 1,

[eiseres 2] , eiseres 2,

[eiser 2] eiser 2,

[eiser 3] , eiser 3,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. J.W. van de Wege,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. Metselaar.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 januari 2020 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 10 juli 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens waren aanwezig [referent] (referent) en T. Tzegay (tolk).

Overwegingen

1. Eiseres 1 is geboren op [geboortedatum] , eiser 1 op [geboortedatum] , eiseres 2 op [geboortedatum] , eiser 2 op [geboortedatum] en eiser 3 op [geboortedatum] . Zij hebben de Eritrese nationaliteit. Op 15 mei 2017 heeft referent, de broer van eisers (geboren op 1 mei 2000), een verblijfsvergunning asiel gekregen. Op 31 mei 2017 heeft hij namens eisers machtigingen tot voorlopig verblijf aangevraagd in het kader van een procedure Toegang en Verblijf met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van het EVRM1’. Bij besluit van 6 februari 2018 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat de identiteit van eiseres 2, eiser 2 en eiser 3 niet is aangetoond en omdat de familierechtelijke relatie tussen referent en eisers niet is aangetoond. Eisers hebben daartegen bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft verweerder eisers geïnterviewd op de ambassade in Addis Abeba, Ethiopië, en referent gehoord tijdens een hoorzitting.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder acht de identiteit van eisers en hun familierechtelijke relatie aannemelijk: eisers zijn broers en zussen van referent en hun ouders zijn overleden. Vervolgens heeft verweerder beoordeeld of er tussen eisers en referent sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Ten aanzien van eiser 1 concludeert verweerder dat daar geen sprake van is. Voor de overige eisers neemt verweerder wel aan dat er sprake is van gezinsleven, maar stelt hij zich op het standpunt dat de belangenafweging in hun nadeel uitvalt.

3. Op wat eisers daartegen hebben aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.

4. In geschil is allereerst of er tussen eiser 1 en referent sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder gaat daarbij in het bestreden besluit uit van de minderjarigheid van referent (ten tijde van de aanvraag). Uit het beleid van verweerder volgt dat gezinsleven tussen een minderjarige en zijn meerderjarige broer of zus wordt aangenomen, als uit de feiten en omstandigheden volgt dat er sprake is van daadwerkelijke hechte persoonlijke banden.2 Uit verweerders Werkinstructie 2015/19 (hierna: WI) volgt dat samenwoning kan duiden op dergelijke banden, maar ook dat de banden de gebruikelijke banden moeten overstijgen. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser 1 niet meer kan worden aangemerkt als jongvolwassene die deel uitmaakt van het gezin: ten tijde van de aanvraag was hij 25 jaar en hij heeft gedurende een periode van twee jaar niet met de rest van het gezin samengeleefd. Hij heeft in 2017 het gezin verlaten, waarna hij eerst een jaar in Soedan heeft verbleven en daarna een periode in Ethiopië. In die periode was hij niet financieel afhankelijk van de andere gezinsleden. Wel werd hij financieel ondersteund door zijn broer [naam] , die jaren eerder het gezin al had verlaten en naar Angola is gegaan. Dat eiser 1 een handicap heeft, zoals in beroep is betoogd, heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het gezin te verlaten en ergens anders te gaan wonen. Eisers hebben niet onderbouwd waarom deze niet verder toegelichte handicap zou resulteren in blijvende afhankelijkheid van eiser 1. Tot slot zijn er geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat eiser 1 en referent een bijzondere band hebben die maakt dat er, ondanks het vorenstaande, toch gezinsleven aangenomen zou moeten worden. Dit betekent dat het beroep faalt, voor zover het ziet op eiser 1.

5. Vervolgens is in geschil of verweerder ten aanzien van de overige eisers in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat de belangenafweging in hun nadeel uitvalt.

6. Uit de jurisprudentie van het EHRM3 en de Afdeling4 volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een “fair balance” moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en zijn gezin enerzijds en het Nederlands algemeen belang bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Bij die belangenafweging komt verweerder een zekere beoordelingsruimte toe, zodat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend moet zijn. Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM5 houdt artikel 8 van het EVRM voor een staat geen algemene verplichting in de keuze van domicilie van de leden van een gezin te eerbiedigen. Niettemin kan onder omstandigheden op grond van artikel 8 van het EVRM op verweerder een positieve verplichting rusten om een vreemdeling verblijf hier te lande toe te staan.

7. Verweerder heeft in de eerste plaats het economisch belang bij zijn beoordeling betrokken. Hij laat in het nadeel van eisers meewegen dat het niet aannemelijk is dat referent en zijn gezinsleden binnen afzienbare tijd werk zullen hebben in Nederland, zodat het verblijf van eisers een zware belasting van de openbare kas zal vormen. In het voordeel van eisers is meegewogen dat er een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat niet valt in te zien waarom het gezinsleven niet in Ethiopië voortgezet kan worden. Eisers verblijven daar sinds mei 2019, huren daar een huis en zijn veilig en gezond. In het voordeel van eisers wordt meegewogen dat referent drie jaar rechtmatig in Nederland verblijft en banden met Nederland is aangegaan. Tot slot is overwogen dat niet is gebleken dat referent nog afhankelijk is van eiseres 1 zoals toen hij nog minderjarig was en zij als gezin samenleefden in Eritrea. Referent is inmiddels meerderjarig. Verweerder gaat ervan uit dat hij de banden met zijn gezinsleden op afstand kan voortzetten en weegt dit in hun nadeel mee. Verweerder concludeert dat de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt. Doorslaggevend vindt verweerder het economisch belang, tezamen met de omstandigheid dat het gezinsleven in Ethiopië dan wel op afstand kan worden voortgezet.

8. Ten aanzien van het economisch belang overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel het gelet op de jonge leeftijd van referent logisch is dat hij nog niet in staat is om zijn gezinsleden te onderhouden, betekent dit wel dat de kosten voor onder meer hun verblijf, opleiding en gezondheidszorg door de Nederlandse overheid zal moeten worden betaald. Met name nu het gaat om een eerste toelating, heeft verweerder dat niet ten onrechte in het nadeel van eisers laten meewegen.

9. Ten aanzien van het verblijf in Ethiopië, hebben eisers verwezen naar paragraaf 7.6 van de WI. Daarin staat het volgende:
Er moet sprake zijn van een zekere mate van binding met het andere land om aan te kunnen nemen dat het gezinsleven daar kan worden uitgeoefend. Beoordeel ook of er ten aanzien van het andere land belemmeringen zijn die het uitoefenen van het gezinsleven aldaar onmogelijk maken of bemoeilijken. Denk bijvoorbeeld aan verblijf van het gezin of één van de gezinsleden in een ander land. Betrek bij het beantwoorden van de vraag of het gezinsleven daar kan worden uitgeoefend onder andere: de duur van het verblijf in dit land, de omstandigheden waaronder in het land is verbleven en of er sprake was van een begin van sociale en culturele banden met dat land. Als een gezin of een van de gezinsleden gedurende de reis naar Nederland bijvoorbeeld door omstandigheden een aantal weken in een ander land heeft verbleven, is dit in beginsel niet voldoende om aan te nemen dat het gezin zich daar ook in dat land zou kunnen vestigen.

10. De rechtbank is met eisers van oordeel dat verweerder ten onrechte in hun nadeel heeft meegewogen dat het gezinsleven in Ethiopië kan worden uitgeoefend. Eisers zijn naar dat land toegegaan omdat verweerder hen wilde interviewen op de ambassade aldaar en met het oog op een aansluitend vertrek naar Nederland. Dat zij daar ten tijde van het bestreden besluit inmiddels al enkele maanden verbleven, is te wijten aan het tijdsverloop in de procedure. Dat zij zich in die periode staande hebben kunnen houden, is als zodanig onvoldoende om aan te nemen dat zij zodanige banden hebben met Ethiopië dat van hen verwacht kan worden dat zij hun gezinsleven daar verder uitoefenen. Eisers spreken de taal niet en worden financieel onderhouden door hun broer in Angola, zodat van (een begin van) sociale en culturele banden met Ethiopië geen sprake is. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom er sprake is van een ‘zekere mate van binding’ met Ethiopië.

11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet in redelijkheid kunnen concluderen dat de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt. Verweerder heeft in het bestreden besluit twee punten als doorslaggevend benoemd, namelijk het economisch belang en de mogelijkheid om het gezinsleven in Ethiopië voort te zetten. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat deze twee punten en het gewicht wat daaraan toekomt, met elkaar samenhangen. Nu één van deze twee punten ten onrechte in het nadeel van eisers is meegewogen, dient verweerder de belangenafweging opnieuw te maken. Dit betekent dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit zal worden vernietigd, behoudens voor zover het ziet op de aanvraag van eiser 1.

12. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van €525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, behoudens voor zover het ziet op de aanvraag van eiser 1;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1.050,-, te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2020.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

2 Zie paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000

3 Europees Hof voor de Rechten van de Mens, onder meer het arrest Rodriguez da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006 (ECLI:NL:XX:2006:AV3568)

4 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer uit de uitspraak van 30 maart 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL9912)

5 Zie bijvoorbeeld het arrest Benamar tegen Nederland van 5 april 2005, nr. 43786/04, JV 2005/198