Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7666

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
NL20.13934
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Kroatië, uitstel zienswijze, interstatelijk vertrouwensbeginsel, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.13934


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: J.M.M. van Gils).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.13935, plaatsgevonden op 6 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Murad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 29 januari 2020 een asielaanvraag ingediend in Nederland.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening1 is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om overname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn tweede verzoek om uitstel voor het indienen van de zienswijze heeft afgewezen. Het was voor de gemachtigde van eiser niet mogelijk om contact met eiser te krijgen, gelet op de getroffen maatregelen in verband met het coronavirus. Nu de gemachtigde het voornemen van verweerder van 16 april 2020 niet met eiser heeft kunnen bespreken, is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel genomen. Eiser verwijst hierbij naar de brief van 15 mei 20202 die verweerder naar de voorzitter van de Tweede Kamer heeft verzonden en naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 14 juli 20203 en van zittingsplaats Rotterdam van 10 juni 20204. Daarnaast is verweerder ten onrechte uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. In dit kader wijst eiser op het bericht op de website van Amnesty International van 11 juni 2020 ‘Kroatië: nieuw bewijs voor marteling van migranten en asielzoekers door de politie’ en op de eerdergenoemde uitspraak van zittingsplaats Rotterdam.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder uit coulance, zo blijkt uit het bestreden besluit, de gemachtigde van eiser bij het eerste verzoek daartoe op 30 april 2020 uitstel voor het indienen van een zienswijze heeft verleend tot 14 mei 2020. Op 14 mei 2020 heeft de gemachtigde van eiser nogmaals verzocht om uitstel. Dit verzoek heeft verweerder op 15 mei 2020 afgewezen, onder verwijzing naar zijn in paragraaf C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 neergelegde beleid, en verzocht aan de gemachtigde om andere manieren te onderzoeken om met eiser in contact te komen. Op 18 mei 2020 heeft de gemachtigde van eiser onder protest een zienswijze ingediend.

5. De vraag die zich voordoet is of verweerder vanwege het coronavirus voor het indienen van een zienswijze nog langer uitstel had moeten verlenen. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. De rechtbank erkent dat het leggen van contact door het uitbreken van het coronavirus is bemoeilijkt. Ook verweerder is hier niet (volledig) aan voorbijgegaan, maar heeft gelet hierop uitstel verleend voor het indienen van een zienswijze. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiser en zijn gemachtigde evenwel niet aannemelijk gemaakt dat het leggen van contact in het geheel niet mogelijk was voor 14 mei 2020. Niet gebleken is dat het voor eiser en zijn gemachtigde onmogelijk was om met behulp van videobellen of een reguliere telefoonverbinding, al dan niet door tussenkomst van personeel van het COa5, met elkaar in contact te komen om het gehoor en het voornemen te bespreken. Ook is niet gebleken van andere pogingen, zoals via schriftelijke weg, om contact met elkaar te leggen. Daar komt bij dat 40 werkdagen zijn verstreken tussen 14 mei 2020 en het bestreden besluit van 10 juli 2020. Eiser heeft daardoor uiteindelijk, gerekend vanaf het uitbrengen van het voornemen op 16 april 2020 tot aan het bestreden besluit op 10 juli 2020, twaalf weken de tijd gehad om een zienswijze in te dienen. Het beroep op de uitspraken van de zittingsplaatsen Haarlem en Rotterdam slaagt niet, omdat deze zaken niet vergelijkbaar zijn met de situatie van eiser. Anders dan in deze zaak, heeft verweerder in de zaak van zittingsplaats Haarlem tweemaal uitstel verleend, benadrukt dat de mogelijkheid bestond om een derde keer te verzoeken om uitstel, maar desondanks dit nader uitstel niet verleend. In de zaak van zittingsplaats Rotterdam was de afwijzing van het uitstelverzoek tegelijk met het bestreden besluit aan de eiser bekend gemaakt. Dat is hier niet aan de orde. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

6. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en dat bij

terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM6of artikel 4 van het Handvest7.

7. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Het nieuwsbericht van Amnesty International heeft betrekking op het optreden van Kroatische autoriteiten tegen asielzoekers aan de buitengrens van het land. Niet is gebleken dat Dublinclaimanten in eenzelfde situatie zullen belanden bij overdracht aan Kroatië. Verweerder heeft ter zitting gewezen op het rapport van AIDA (Country report: Croatia, update 2019) van 22 april 2020, waaruit blijkt dat voor Dublinterugkeerders geen obstakels bestaan met betrekking tot de toegang tot de asielprocedure. Met het claimakkoord hebben de Kroatische autoriteiten gegarandeerd dat zij het asielverzoek van eiser inhoudelijk zullen behandelen. Van een mogelijke pushback zal daarom geen sprake zijn. Daarbij is Kroatië ook gebonden aan de Europese asielrichtlijnen. Ook het beroep op de uitspraak van zittingsplaats Rotterdam kan eiser niet baten, nu eiser, anders dan in de zaak waar hij een beroep op doet, niet heeft geprobeerd om een asielverzoek in Kroatië in te dienen. Verweerder heeft zich met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht op het standpunt gesteld dat Kroatië de internationale verplichtingen niet zal schenden. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Verordening (EU) nr. 604/2013

2 Kamerstukken II 2019/20, 19 637, nr. 2605

3 ECLI:NL:RBDHA:2020:6722

4 ECLI:NL:RBDHA:2020:5175

5 Centraal Orgaan opvang asielzoekers

6 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden

7 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie