Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7664

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1821
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Planschadevergoeding afgewezen. De gebruiksmogelijkheden van de percelen zijn niet gewijzigd door het nieuwe bestemmingsplan. De exploitatie van een volwaardig glastuinbouwbedrijf is nog steeds mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/1821

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. Geelhoed),

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder

(gemachtigde: A. Kleijn).

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 4 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2020 een Skype. De gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder hebben deelgenomen aan deze zitting.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres exploiteerde tot 2017 een glastuinbouwbedrijf op het adres [adres] [huisnummer] te [plaats] . Eiseres is eigenaar van twee percelen, kadastraal bekend sectie [X] -nr. [kadestraat nummer] in totaal 1.49,94 hectare voor een tuin en een kantoor en een perceel Sectie [X] . nr. [kadestraat nummer] van 19 ca voor een transformatorhuisje. Het eerste perceel is een perceel braakliggende tuinbouwgrond, waar voorheen een kas van circa 9.507 m2 stond.

1.2

Op voornoemde percelen geldt sinds de inwerkingtreding op 1 april 2013 (de peildatum) het bestemmingsplan ‘ Glastuinbouwgebied Westland’ (hierna: het nieuwe bestemmingsplan), onherroepelijk geworden bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 september 2014. Op de percelen rust de bestemming ‘Agrarisch-Glastuinbouw (A-GT).’ Daarvoor golden de bestemmingsplannen ‘Buitengebied’, vastgesteld op 24 oktober 1995, en de ‘Parapluherziening bestemmingsplannen buitengebied Westland’, vastgesteld op 26 mei 2009 (hierna: de oude bestemmingsplannen). Onder deze bestemmingsplannen rustte op de percelen van eiseres de bestemming ‘Agrarische doeleinden (A).

1.3

Eiseres heeft op 18 december 2017 bij verweerder een aanvraag ingediend om een tegemoetkoming in planschade als bedoeld in artikel 6.1 van d Wro, als gevolg van het op 1 april 2013 in werking getreden nieuwe bestemmingsplan ‘ Glastuinbouwgebied Westland’. Door dit nieuwe bestemmingsplan is volgens eiseres de realisering van een volwaardig glastuinbouwbedrijf niet meer mogelijk en zijn de gebruiksmogelijkheden van haar percelen sterk beperkt, waardoor zij schade lijdt. Eiseres wijst daarbij naar de wijziging van de bestemming van het naastgelegen perceel van Quartel Asbestverwijdering B.V. in ‘Bedrijf’’. Door deze wijziging langs haar perceelsgrenzen, kan volgens eiseres haar kavel technisch niet meer worden samengevoegd met de Agrarisch-Glastuinbouwgronden die aan de andere kant van de bedrijfsbestemming liggen.

2.1

Verweerder heeft voor de beoordeling van de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade advies gevraagd aan Langhout & Wiarda Bestuursschade- en Omgevingsrecht Deskundigen (hierna: L& W). L&W heeft op 29 mei 2018 een conceptadvies uitgebracht, waarop eiseres haar zienswijze heeft gegeven. Daarna heeft L& W op 25 juli 2018 een definitief advies uitgebracht, waarin wordt geadviseerd de aanvraag van eiseres af te wijzen.

2.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen en aan deze afwijzing het advies van L&W grondslag gelegd.

2.3

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de commissie bezwaarschriften Westland van 29 januari 2019, zijn in het primaire besluit ingenomen standpunt gehandhaafd.

3.1

Eiseres bestrijdt dat de bestemmingswijziging op het naastgelegen perceel niet tot enige waardevermindering leidt. Het perceel van eiseres is te klein om daarop een volwaardig en doelmatig glastuinbouwbedrijf te exploiteren. De waarde van het perceel is dan ook in hoge mate afhankelijk van de mogelijkheid om met naastgelegen percelen alsnog een volwaardig glastuinbouwperceel te vormen (een zogeheten reconstructie). Nu het naastgelegen perceel (oostzijde) onder de vigeur van het nieuwe bestemmingsplan de bestemming “bedrijf” heeft gekregen, is het perceel van eiseres nagenoeg geheel afgesloten van andere percelen met de bestemming A-GT. De corridor van 20 meter die het perceel van eiseres verbindt met achterliggende percelen met bestemming A-GT is onvoldoende om met die percelen een volwaardig en doelmatig glastuinbouwbedrijf te doen ontstaan, zoals bedoeld in artikel 1.36 van de planregels.

3.2

Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat haar beroep zich thans uitsluitend richt op de beperking van de gebruiksmogelijkheden van haar percelen door het nieuwe bestemmingsplan. De rechtbank zal zich bij haar beoordeling dan ook beperken tot bespreking van deze beroepsgrond.

4.1

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

4.2

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582), volgt dat voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling of sprake is van een planologisch nadeliger situatie ten gevolge van een planologische wijziging, zijn slechts ruimtelijke gevolgen relevant. Alleen de objectief te verwachten gevolgen van het nieuwe planologische regime zijn van belang. Subjectieve elementen spelen daarbij geen rol.

4.3

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat, indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies mag uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

4.4

Op de aanvrager rust in beginsel de bewijslast, indien hij een op een advies van een onafhankelijke en onpartijdige deskundige gebaseerd oordeel van het bestuursorgaan omtrent het bestaan van schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro, omtrent de omvang van deze schade, of omtrent het oorzakelijk verband tussen de gestelde schadeveroorzakende planologische wijziging en de gestelde schade bestrijdt.

5.1

In het advies van 25 juli 2018 is L&W nagegaan in hoeverre de planologische wijziging eiseres in een (planologisch) nadeliger positie heeft gebracht. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen de bebouwings- en de gebruiksmogelijkheden. Door middel van een vergelijking van de elkaar opvolgende planologische regimes zijn de schadefactoren bezien en afgewogen. In het advies concludeert L&W dat de gebruiksmogelijkheden in relatie tot het voorafgaande regime niet ten nadele van eiseres zijn gewijzigd. Ook ingevolge de parapluherziening van 26 mei 2009 diende op de percelen van eiseres sprake te zijn van een volwaardig glastuinbouwbedrijf. Daarbij diende een glastuinbouwbedrijf over minimaal 15.000m² aan glasopstanden te beschikken. Bij een oppervlakte kleiner dan 15.000m², maar groter dan 5000m² diende middels een advies van een glastuinbouwdeskundige te worden aangetoond dat de teelt op beperkte schaal bedrijfseconomisch verantwoord en levensvatbaar is. Deze regeling is in het nieuwe bestemmingsplan ongewijzigd gehandhaafd.

5.2

Door eiseres is ter zitting bestreden dat de in 5.1 vermelde regeling ongewijzigd is gebleven in het nieuwe bestemmingsplan. Zij heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2014 in het beroep tegen het nieuwe bestemmingsplan. Zij betoogt dat daaruit naar voren komt dat in het nieuwe bestemmingsplan een andere bepaling dan in het oude bestemmingsplan is opgenomen met betrekking tot de aan te houden oppervlakte-eis aan kassen voor een volwaardig glastuinbouwbedrijf. De rechtbank stelt evenwel vast dat verweerder dit betoog ter zitting heeft weersproken en dat eiseres haar betoog niet nader heeft toegelicht. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan het advies van L&W op dit punt. Eiseres kon dus onder het voorafgaande regime al met dezelfde beperkingen worden geconfronteerd wat betreft de oppervlakte-eis aan kassen. De rechtbank neemt ook aanmerking dat verweerder heeft aangegeven dat het voorbereidend Coördinerend Overleg (VCO), welke de functie van glastuinbouwdeskundige vervult zoals genoemd in het bestemmingsplan in artikel 1.42, alsmede de LTO, eveneens van opvatting zijn dat eiseres haar percelen zowel nu als in de toekomst overeenkomstig de bestemming ‘Agrarisch-Glastuinbouw’ kan gebruiken en dat er op de percelen voldoende ruimte is om een volwaardig glastuinbouwbedrijf van minimaal 5.000 m2 te realiseren. Eiseres heeft haar standpunt dat er geen volwaardig glastuinbouwbedrijf op haar percelen meer kan bestaan, niet met een tegenrapport onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om eiseres in haar standpunt te volgen. Aan de stelling dat de percelen van eiseres in waarde zijn gedaald als gevolg van het feit dat op de naastgelegen percelen de bestemming “bedrijf” is gaan vigeren, komt de rechtbank niet meer toe, nu eiseres haar beroep heeft beperkt tot de beperking van de gebruiksmogelijkheden van haar percelen. Overigens blijkt uit de beoordeling van het VCO dat eiseres het naastgelegen bedrijf niet nodig heeft om een volwaardig glastuinbouwbedrijf te exploiteren dat bedrijfseconomisch verantwoord en levensvatbaar is.

5.3

Het betoog van eiseres dat haar percelen volgens moderne maatstaven te klein zijn om nog een volwaardig en doelmatig glastuinbouwbedrijf te kunnen exploiteren, kan haar niet baten. Nog daargelaten de juistheid van dit betoog, is die situatie immers niet het gevolg van de planologische wijziging. Hetzelfde geldt voor de vorm van het perceel. De door eiseres ingebrachte Marktanalyse glastuinbouwlocatie vloeivelden Suiker Unie Puttershoek van Agro Advies van 30 april 2014, waarin redenen zijn vermeld waarom het wenselijk is om voor een vierkante of rechthoekige kas te kiezen, kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden. Voorts heeft eiseres een Blog ingebracht, dat is geschreven door Zwinkels, waarin wordt vermeld dat de gemeente Westland een leegstaand bedrijf elders binnen de gemeente niet levensvatbaar heeft geacht vanwege de gerende vorm. Ook dit is geen aanleiding tot een ander oordeel, nu ook dit ziet op de vorm van het perceel. Overigens volgt de rechtbank verweerder dat eiseres met de door haar ingebrachte stukken de onrendabiliteit van haar perceel als tuinbouwbedrijf niet heeft aangetoond.

5.4

Gelet op het vorenstaande heeft eiseres geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van het advies van L&W naar voren gebracht. Het advies van L&W biedt naar het oordeel van de rechtbank inzicht in de feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat eiseres als gevolg van de bestemmingsplanwijziging niet in een nadeliger planologische positie is komen te verkeren. Verweerder heeft dit advies dan ook aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder het verzoek om vergoeding van planschade terecht heeft afgewezen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 11 augustus 2020 door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. S.P. Jadoenathmisier, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.