Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7640

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
22-08-2020
Zaaknummer
NL20.14820
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring. Reguliere aanvraag was ingediend na het opleggen van de maatregel. Gronden zijn niet bestreden en er is een risico op onttrekking. Overdracht naar Tsjechië is niet in dit beroep in geschil. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.14820


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Agayev),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).


Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2020. Eiseres is door middel van telehoren gehoord. Ter zitting is zij bijgestaan door mr. A. Dogan, als waarnemer van haar gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Jappar. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft de Kazachse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1971.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3e. in verband met haar aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over haar identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;

en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiseres heeft de gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel van bewaring niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden reeds voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en aan te nemen dat een significant risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken.

4. Eiseres heeft naar voren gebracht dat zij niet in bewaring had mogen worden gesteld nu zij een aanvraag had ingediend voor verblijf bij partner en hierop nog niet was beslist. De rechtbank stelt vast dat blijkens het besluit van 30 juli 2020, waarin deze reguliere aanvraag wordt afgewezen, de aanvraag is ingediend op 30 juli 2020. Ook blijkens het vertrekgesprek van 29 juli 2020 heeft eiseres verklaard dat ze een procedure wil starten om verblijf bij partner aan te vragen. Eiseres had ten tijde van de inbewaringstelling nog geen aanvraag ingediend, waardoor verweerder deze omstandigheid niet mee heeft hoeven nemen in zijn afweging om de maatregel op te leggen.

5. Eiseres voert aan dat de maatregel van bewaring een uiterste maatregel is en dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Dat eiseres zich heeft gehouden aan de meldplicht doet aan het voorgaande niet af. Uit de gronden blijkt een significant risico dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en verweerder heeft niet het risico hoeven nemen dat eiseres zich niet meldt als de overdracht in zicht is.

6. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat zij niet teruggestuurd kan worden naar Tsjechië voor de behandeling van haar asielaanvraag. De rechtbank volgt hierover het betoog van verweerder dat hetgeen eiseres aanvoert niet kan leiden tot de onrechtmatigheid van de bewaring, nu het betoog ziet op de overdracht en zij dit moet aanvoeren in de procedure met betrekking tot de overdracht.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is gedaan op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.