Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7628

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4414
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

mgevingsvergunning voor veranderen 5 woningen en plaatsen bouwlaag tbv 5 nieuwe woningen geschorst tot 6 weken na uitspraak in beroep; wijziging bouwplan niet aan welstandscommissie voorgelegd en betreft geen wijziging van ondergeshcikte aard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/4414

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 augustus 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 4], allen te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Yildirim).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Langeveld Van

den Heuvel Bouw B.V., te Den Haag, vergunninghoudster.

(gemachtigde: mr. J. Geelhoed).

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de woningen [adres 1] [huisnummer] , [huisnummer] , [huisnummer] , [huisnummer] en [adres 2] [huisnummer] te [plaats] door het wijzigen van de indeling, het maken van constructieve doorbraken, trappen en het plaatsen van een bouwlaag ten behoeve van 5 nieuwe woningen.

Bij besluit van 6 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknr. SGR 20/3009). Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoekers hebben nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2020.

Verzoekers [verzoeker 1] en [verzoeker 3] zijn verschenen, verzoekster [gemachtigde] tevens als gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghoudster zijn verschenen [A] en [B] , bijgestaan door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1

Op 26 april 2018 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor (kort samengevat) het wijziging van de indeling alsmede het realiseren van nieuwe woningen op de percelen [adres 3] [huisnummer] en [adres 2] [huisnummer] te [plaats] . Het bouwplan betreft het realiseren van een extra bouwlaag in de vorm van een kap binnen de maximale bouw- en goothoogte. In deze bouwlaag wil vergunninghoudster 8 huur-appartementen realiseren.

2.2

De Welstands- en Monumentencommissie (de commissie) heeft op 6 juni 2018 een negatief advies afgegeven. De commissie kon wel instemmen met een extra bouwlaag in de vorm van een kapverdieping, maar niet in het aantal dakkapellen. Gezien het aantal en de positionering ervan zouden deze een te opvallend en bepalend onderdeel van het gevelbeeld worden. Het toepassen van rechte gevels en balkons buiten het gevelvlak aan de achterzijde wordt door de commissie eveneens als storend ervaren.

2.3

Bij besluit van 26 juli 2018 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanvraag niet voldoet aan artikel 32 van de Algemene bouwregels van het bestemmingsplan, voor wat betreft het bouwkundig splitsen van bestaande woningen. Voorts is de aanvraag in strijd met de cultuurhistorische waarden op grond van de bestemming “Waarde cultuurhistorie”. Daarnaast voorziet het plan niet in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, voldoet de aanvraag niet aan de bouw- en gebruiksregels van het bestemmingsplan ten aanzien van de bouwhoogte en heeft de commissie negatief geadviseerd.

2.4

Bij besluit van 20 december 2018 heeft verweerder in heroverweging de weigeringsgronden strijd met redelijke eisen van welstand en onvoldoende parkeergelegenheid op eigen grond staande gehouden, maar de overige weigeringsgronden laten vervallen. De weigering vergunning te verlenen is bij dat besluit gehandhaafd.

2.5

Bij uitspraak van 28 april 2020 (zaaknr. SGR 19/934) heeft deze rechtbank het door vergunninghoudster tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft vergunninghoudster hoger beroep ingesteld.

2.6

Het bouwplan, waarvoor vergunninghoudster op 17 juli 2019 een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend, voorziet in het veranderen van de woningen

[adres 1] [huisnummer] tot en met [huisnummer] en [adres 2] [huisnummer] en [huisnummer] te [plaats] door het wijzigen van de indeling, het maken van constructieve doorbraken, trappen en het plaatsen van een bouwlaag ten behoeve van 8 nieuwe woningen op het bouwblok.

Deze aanvraag heeft betrekking op de activiteit het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

2.7

Op 28 augustus 2019 heeft de commissie positief geadviseerd over dit bouwplan.

2.8

Bij het primaire besluit heeft verweerder vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de woningen [adres 1] [huisnummer] , [huisnummer] , [huisnummer] , [huisnummer] en [adres 2] [huisnummer] te [plaats] door het wijzigen van de indeling, het maken van constructieve doorbraken, trappen en het plaatsen van een bouwlaag ten behoeve van 5 nieuwe woningen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit, conform het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 26 maart 2020, gehandhaafd en met inachtneming van de motivering in het advies, de benodigde afwijking verleend voor de parkeereis ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 1°, van de Wabo voor 3 parkeerplaatsen. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat geen rechtsregel het indienen van een gewijzigde aanvraag voor het bouwplan verbiedt. Daarnaast is overwogen dat verzoekers een eigen mening over het bouwplan hebben gegeven (‘verbrokkeld plan, straatbeeld uit balans’), maar geen onafhankelijk, deskundig tegenadvies is overgelegd. Verder is overwogen dat, afgezien van de regels met betrekking tot het parkeren, niet gebleken is dat het bouwplan voorts in strijd is met een van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde weigeringsgronden. Daarnaast is overwogen dat afdoende duidelijk inzichtelijk is gemaakt dat de parkeereis 5 parkeerplaatsen bedraagt. De aanvraag voorziet in 2 parkeerplaatsen op eigen terrein. Voor de overige 3 parkeerplaatsen zijn contracten voor de huur van garageboxen voor 10 jaar overgelegd met een schriftelijke onderbouwing, die zich binnen een loopafstand van maximaal 500 meter bevinden. Daarom heeft verweerder de benodigde afwijking voor de parkeereis toegestaan ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 1°, van de Wabo.

Verweerder heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de wijziging van de aanvraag, die op het aantal appartementen zag, namelijk van 8 naar 5, als een beperkte wijziging dient te worden aangemerkt. Zodoende was een nieuwe officiële omgevingsvergunning-aanvraag niet vereist. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de reactie van SCALA architecten van 27 februari 2020 niet als een deskundig tegenadvies kan worden beschouwd, omdat in dit document niet wordt ingegaan op de inhoud van het welstandsadvies en daarmee het positieve welstandsadvies van 28 augustus 2019 inhoudelijk niet wordt bestreden.

4. Verzoekers voeren aan dat met de bouw niet wordt voldaan aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan en dat afspraken van het gemeentelijk dakopbouwbeleid worden genegeerd. Daarnaast stellen verzoekers dat met dit bouwplan het gemeentelijk beschermd stadsgezicht onherstelbaar wordt geschonden. Verder wijzen verzoekers er op dat de bijbehorende - en door de welstandscommissie ambtelijk voorbereide toetsingen - een kap tonen over vrijwel het volledige blok en ook de 8 - in de aanvragen - genoemde appartementen. De nu afgegeven omgevingsvergunning behelst slechts 5 huisnummers, waarmee duidelijk wordt dat hetgeen gerealiseerd gaat worden, zeker geen volledige kap zal zijn. Er is verder volgens verzoekers aantoonbaar burenrecht geschonden en bij diverse vergunningaanvragen aantoonbaar op oneigenlijke wijze gebruik gemaakt van huisadressen die niet in bezit zijn van de projectontwikkelaar. Het vergunde bouwplan voldoet op geen enkele manier aan de door de commissie afgegeven adviezen. Door niet te bouwen op [adres 1] [huisnummer] , [huisnummer] en [huisnummer] , maar wel te bouwen op [adres 1] [huisnummer] , ontstaat daar ter plekke een zelfstandig appartement in een dakopbouw. Dit is volgens het bestemmingsplan niet toegestaan. Door de ‘hap eruit’ boven [adres 1] [huisnummer] , [huisnummer] en [huisnummer] is niet langer sprake van de door welstand benoemde ‘herkenbare kapverdieping rondom’. ‘De oorspronkelijke waardevolle karakteristiek van het pand of ensemble, gelegen in gemeentelijk beschermd stadsgezicht’ wordt door dit handelen aangetast. Daarnaast stellen verzoekers dat in het bestreden besluit ten onrechte is vermeld dat het tegenadvies door een deskundige ontbrak, aangezien een deskundige van Scala Architecten op de hoorzitting het woord heeft gevoerd en op 27 februari 2020 een pleitnotitie heeft aangeleverd.

Vervolgens voeren verzoekers aan dat voor de wijziging in het bouwplan een nieuwe officiële aanvraag ingediend had moeten worden. Tenslotte is sprake van een tekort van 3 parkeerplaatsen en voldoen de 5 parkeerplaatsen niet aan de eisen, aldus verzoekers.

5. De door verweerder opgeworpen vraag of verzoekster [verzoeker 3] ontvankelijk is in haar beroep vergt naar het oordeel van de voorzieningenrechter nader onderzoek en leent zich daarom niet voor beantwoording in deze procedure. Dit betekent dat de voorzieningenrechter op dit moment niet tevens uitspraak kan doen in de bodemprocedure. Ten aanzien van de overige verzoekers doet deze vraag zich niet voor.

6.1

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie onder meer haar uitspraken van 15 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2717) en van 26 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2002), wordt degene die verzoekt om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk in beginsel verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op het door hem ingediende verzoek. Dit is anders indien aannemelijk wordt gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt.

6.2

Laatstgenoemde situatie doet zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voor ten aanzien van de panden [adres 1] [huisnummer] , [huisnummer] en [huisnummer] , die in eigendom zijn van verzoekster [verzoeker 3] . De stelling van verzoekers dat bij de vergunningaanvraag ten onrechte gebruik is gemaakt van deze adressen slaagt dan ook, gelet op deze jurisprudentie van de Afdeling. Dit kan echter niet leiden tot schorsing van het bestreden besluit, aangezien de door verweerder verleende omgevingsvergunning geen betrekking heeft op de adressen die geen eigendom zijn van de ontwikkelaar.

7.1

Ten aanzien van de stelling van verzoekers dat het vergunde bouwplan op geen enkele manier aan de door commissie afgegeven adviezen voldoet acht de voorzieningenrechter van belang dat het bouwplan is behandeld in de vergadering van de commissie van 28 augustus 2019. Het advies luidt als volgt:

“het veranderen van de winkels en woningen [adres 1] [huisnummer] tot en met [huisnummer] en [adres 2] [huisnummer] en [huisnummer] door het wijzigen van de indeling, het maken van constructieve doorbraken, trappen en het plaatsen van een bouwlaag ten behoeve van 8 woningen op het bouwblok.

Akkoord

Het bouwplan is getoetst aan de Welstandsnota en beoordeeld in het kader van de

gebiedsaanduiding ‘Overige zone – Gemeentelijk beschermd stadsgezicht’.

Eerder had de commissie reeds ingestemd met een extra bouwlaag in de vorm van een

kapverdieping op dit blok. Zij kon daarbij instemmen met het aantal dakkapellen, echter

niet met de positionering daarvan. In het voorliggende voorstel is de positie van de

dakkapellen beter gerelateerd aan de onderliggende gevel. De commissie beoordeelt dit

positief.”

7.2

Uit dit advies blijkt dat de commissie op 28 augustus 2019 het bouwplan heeft beoordeeld dat betrekking had op de adressen [adres 1] [huisnummer] tot en met [huisnummer] en [adres 2] [huisnummer] en [huisnummer] , dus op 8 appartementen. Ter zitting heeft verweerder noch vergunninghoudster kunnen aangeven van welke datum de gewijzigde bouwtekeningen dateren waarbij het aantal appartementen waarop dakopbouwen zullen worden gerealiseerd is teruggebracht van 8 naar 5. Blijkens de bouwtekeningen die zich onder de gedingstukken bevinden, gedingstuk B10, hebben op 20 september 2019 en 22 oktober 2019 wijzigingen van het bouwplan plaatsgevonden, dit dus nadat de commissie over het bouwplan heeft geadviseerd. Dit betekent dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk is dat de commissie geen kennis heeft genomen van het gewijzigde bouwplan. Verweerder had in dit geval daarom opnieuw de commissie moeten consulteren vanwege de wijziging van de aanvraag die tot een onderbreking in de rij van geschakelde dakopbouwen aan de zijde van de [adres 1] leidt. Nu deze beoordeling niet heeft plaatsgevonden, staat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet vast dat het gewijzigde bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Dit betekent dat het primaire besluit in strijd met artikel 2.10, lid, aanhef en onder d, van de Wabo is verleend.

8.1

Omtrent de stelling van verzoekers dat voor de wijziging in het bouwplan een nieuwe aanvraag ingediend had moeten worden wijst de voorzieningenrechter op vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie bijvoorbeeld haar recente uitspraak van 1 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:950) en de uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:34), dat geen nieuwe bouwaanvraag is vereist indien een wijziging of aanvulling van een bouwaanvraag wijzigingen van ondergeschikte aard betreft. De vraag of zich een wijziging van ondergeschikte aard voordoet, dient per concreet geval te worden beantwoord. Indien de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden ingediend. De Afdeling hanteert daarbij het criterium of de wijziging van een bouwplan van wezenlijke invloed is op de ruimtelijke uitstraling van het pand.

8.2

Bij het aan de orde zijnde bouwplan is dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, anders dan verweerder heeft gesteld, ontegenzeggelijk het geval. Daarom had naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voor de wijziging van het bouwplan (van een dakopbouw op 8 appartementen naar een dakopbouw op 5 appartementen) een nieuwe aanvraag ingediend moeten worden. De ruimtelijke uitstraling van het gewijzigde bouwplan is immers wezenlijk anders doordat er een onderbreking in de rij van dakopbouwen aan de zijde van de [adres 1] zal ontstaan. Daarmee wordt een inbreuk gemaakt op het beeld van een aaneengesloten rij geschakelde dakopbouwen dat het oorspronkelijke bouwplan zou hebben gemaakt in een beschermd stadsgezicht. In geval van een beschermd stadsgezicht is de ruimtelijke kwaliteit van het gebied als geheel van belang en daarin treedt in dit geval, naar voorlopig oordeel, een nogal ingrijpende wijziging op. Daargelaten dat niet gebleken is dat het gewijzigde bouwplan aan de commissie ter advisering is voorgelegd, zie hiervoor onder 7.2, had verweerder ook om deze reden niet zonder nieuwe aanvraag op basis van de gewijzigde tekeningen een omgevingsvergunning mogen verlenen.

8.3

Dit bekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat de omgevingsvergunning ook om deze reden ten onrechte is verleend en verweerder het primaire besluit bij het bestreden besluit had moeten herroepen. Naar verwachting zal het bestreden besluit om die reden in beroep niet in stand blijven. Daarom zullen zowel het bestreden besluit als het primaire besluit worden geschorst tot zes weken na de uitspraak in beroep.

8.4

Gelet hierop behoeven de overige verzoeksgronden geen bespreking meer.

9. Er is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Wel zal verweerder het betaalde griffierecht aan verzoekers moeten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

  • -

    schorst het bestreden besluit en het primaire besluit tot zes weken na verzending van de uitspraak op het beroep;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoekers te vergoeden.

Deze uitspraak is op 13 augustus 2020 gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.