Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7607

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
24-08-2020
Zaaknummer
SGR 19.3179
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vergunning verleend voor zomerterras, VvE vindt dat vergunning niet afgegeven had mogen worden, vergunning niet in strijd met APV verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/3179

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 augustus 2020 in de zaak tussen

VvE Residentie Seinpost Scheveningen e.a., eisers

(gemachtigde: mr. E.G.M. Huisman),

en

het college van burgemeester en wethouder van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Naghi-Zadeh).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

belanghebbende 1: [A] namens Seinpost Indonesia B.V., vergunninghouder;

belanghebbende 2: Brinkel Beleggingen Onroerend Goed B.V.;

(gemachtigde: mr. R.R. Köhne),

belanghebbende 3: Edange Vastgoed B.V.

(gemachtigde: mr. R.R. Köhne).

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Seinpost Indonesia B.V. een vergunning verleend voor een zomerterras aan de gevel, gelegen op de locatie [locatie] in [plaats] met een totale oppervlakte van 84,24 m². De vergunning geldt ingaande 19 november 2018 tot 19 november 2023 in de periode van 1 maart tot

1 november.

Bij besluit van 11 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2020 middels een Skype-verbinding. Ter zitting hebben eisers en verweerder zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Belanghebbende 2 en 3 hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens waren aanwezig [A] , [B] , [C] , [D] en [E] .

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De gemachtigde van eisers heeft namens de VvE beroep ingesteld. Daarnaast heeft de gemachtigde van eisers namens individuele leden en appartementseigenaren, waaronder

[F] , [G] , [H] , [I] , [J] , [K] , [L] en [C] , beroep ingesteld.

1.2

Op 22 september 2018 heeft belanghebbende 1 (vergunninghouder) een aanvraag ingediend voor een zomerterras naast zijn horeca-inrichting, restaurant Seinpost Indonesia. Verweerder heeft de aanvraag om advies voorgelegd aan de wegbeheerder van het stadsdeel Scheveningen (wegbeheerder) en aan de Adviescommissie Openbare Ruimte (AOR). Beiden hebben ingestemd met het verlenen van de terrasvergunning. Verweerder heeft bij het primaire besluit de gevraagde vergunning verleend en daaraan voorschriften verbonden. In de bezwaarprocedure is de vergunning in stand gebleven.

2. Eisers voeren in beroep aan dat de stukken die ten grondslag liggen aan de verstrekte terrasvergunning een onjuiste weergave van de feiten geven. Eisers betwisten dat de grond gelegen naast het restaurant toebehoort tot het appartementsrecht van vergunninghouder. Als bijlage zijn plattegronden en overzichten met de betwiste kadastrale grens en de betwiste grens van het appartementsrecht overgelegd. Verweerder heeft hierdoor onzorgvuldig gehandeld en de AOR en de wegbeheerder hebben op basis van onjuiste informatie advies gegeven.

De parasols van vergunninghouder hangen boven de grond die eigendom is van de VvE. Hiervan zijn foto’s overgelegd. Hierdoor worden de eigendomsrechten van de VvE aangetast. Er is sprake van evidente privaatrechtelijke belemmeringen.

De vergunninghouder handelt in strijd met het bestemmingsplan door horeca-activiteiten te ontplooien op de binnenplaats, die de bestemming wonen heeft. Er is geen omgevingsvergunning aangevraagd om af te wijken van het bestemmingsplan.

Eisers stellen dat het terras het uiterlijk aanzien van de gemeente ernstig aantast en daarmee voldaan is aan de uitzondering van artikel 2:10, derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: APV). Daarnaast berust op het ontwerp van de architecten auteursrecht en zij stemt niet in met het aangepaste ontwerp en de nieuwe inrichting van de binnenplaats.

Anders dan in het advies van de bezwarencommissie is gesteld, is het niet zo dat hetgeen is opgenomen in artikel 8 van de Beleidsregel moet worden gelezen in combinatie met de restrictie van artikel 2:10, derde lid, laatste gedachtestreepje van de APV, waardoor de opgenomen ‘hinder van omwonenden’ niet mag zien op de exploitatie van het terras. Eisers stellen dat er wel degelijk gewicht toekomt aan de genoemde (geluids)hinder, (geur)overlast en privacy-hinder. Uit jurisprudentie van rechtbank Den Haag van 15 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:8629, bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij uitspraak van 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1079, blijkt ook dat verweerder in strijd met haar eigen beleid handelt door een terras op een binnenplaats toe te staan zonder afweging of het terras op die plaats toelaatbaar is.

Ingevolge artikel 2:10, derde lid, van de APV wordt een terrasvergunning geweigerd als er overwegende bezwaren bestaan ten aanzien van schade die door het gebruik wordt toegebracht. Het gebruik van het terras richt schade aan het dak van de parkeergarage en de binnenplaats aan. De garantie op het dak van de parkeerplaats is komen te vervallen omdat de kans op lekkages aanzienlijk wordt vergroot door het terras. Verweerder heeft geen onderzoek gedaan naar de schade die het terras toebrengt.

3. Belanghebbende 2 en 3 zijn eigenaren van het pand waarin het restaurant is gevestigd. Zij hebben per brief van 9 september 2019 aangevoerd dat de gemachtigde van eisers voor het instellen van rechtsmaatregelen namens de VvE een machtiging van de vergadering nodig heeft en die is er niet. Belanghebbende 2 en 3 zijn ook lid van de VvE, maar zij hebben geen opdracht gegeven aan gemachtigde van eisers om (mede) namens hen beroep in te stellen.

Aangezien geen van de weigeringsgronden van artikel 2:10, derde lid, van de APV zich voordoet, is de vergunning terecht verleend. Zij kunnen zich dan ook volledig verenigen met het verweerschrift van verweerder. Zij voeren verder aan dat de parasols op eigen grond staan en niet over de erfgrens heen hangen. Van geuroverlast is daarnaast geen sprake, van geluidsoverlast evenmin. Er is geen schade toegebracht aan het dak van de parkeergarage. Het zichtbeeld van Residentie Seinpost wordt niet, althans niet noemenswaardig, beïnvloed.

Het terras bevindt zich op eigen grond van belanghebbende 2 en 3 en dit is door de advocaat van de VvE zelf bevestigd in diens memo aan de VvE. Onjuist is dat de grond op een afstand van minder dan drie meter van het hart van het restaurantgebouw eigendom zou zijn van de VvE. Het terras bevindt zich ook niet op een binnenplaats, maar in de open ruimte naast en aan de voorzijde van het restaurant, direct grenzend aan de openbare weg.

4. De vergunninghouder heeft zich bij brief van 10 september 2019 aangesloten bij de standpunten uit het verweerschrift en de brief van 9 september 2019 van belanghebbende 2 en 3.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Formele standpunten

5.1

Ter reactie op de brief van 9 september 2019 waarin de machtiging van de gemachtigde van eisers wordt betwist heeft de gemachtigde van eisers op 24 juni 2020 de besluitvorming hierover van de VvE overgelegd. De gemachtigde van belanghebbende 2 en 3 heeft ter zitting erkent dat de gemachtigde van eisers is gemachtigd en heeft die beroepsgrond ter zitting ingetrokken.

De gemachtigde van eisers heeft ter zitting de stelling gecorrigeerd dat het eigendomsrecht niet enkel ziet op het gebouw, maar volgens de tekeningen ruimer is. De beroepsgronden over de eigendom van de grond gelegen naast het restaurant en de hieruit voortvloeiende evidente privaatrechtelijke belemmering zijn ter zitting ingetrokken.

Terrasvergunning

5.2

Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:534, waar verweerder ook naar verwijst, volgt dat bij de beslissing omtrent het verlenen van een terrasvergunning geen integrale afweging kan worden gemaakt van alle in het gebied betrokken ruimtelijk relevante belangen. Bij de beoordeling van een aanvraag van een terrasvergunning wordt slechts getoetst aan de voorschriften in de APV. Dit betekent dat de aanvraag slechts kan worden geweigerd indien deze niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 2:10, derde lid, van de APV. Er is dan ook sprake van een beperkte toets.

5.3

Op grond van artikel 2:10, derde lid, van de APV wordt een vergunning geweigerd, indien tegen de verlening daarvan overwegend bezwaar bestaat uit een oogpunt van:

 doelmatig beheer en onderhoud van de weg, daaronder mede begrepen de bescherming van de belangen van het rij- en voetgangersverkeer en de verdeling van gebruiksmogelijkheden van de weg;

 bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, tenzij het betreffende voorwerp op grond van de Woningwet dient te worden getoetst aan de redelijke eisen van welstand;

 schade die door het gebruik aan de weg wordt toegebracht; of

 te verwachten hinder voor de omgeving als gevolg van het gebruik van de weg ten behoeve waarvan de vergunning wordt gevraagd, tenzij daarop regels bij of krachtens de Wet milieubeheer of het bepaalde in de artikelen 2:27 tot en met 2:29, 2:33A en artikel 4:6 van toepassing is.

Artikel 2:10 van de APV behelst een vergunningplicht voor het plaatsen van voorwerpen op de weg. De weigeringsgronden zien met name op de gevolgen die het plaatsen van de voorwerpen op de weg met zich brengt. Ook bij het beoordelen van hinder als bedoeld in artikel 2:10, derde lid, van de APV gaat het om de inrichting van de openbare ruimte met het oog op de bruikbaarheid van de weg.

5.4

Gezien deze beperkte toets is de rechtbank van oordeel dat de hinder die eisers in beroep stellen, zoals geluidshinder en (geur)overlast, niet valt binnen het beoordelingskader waaraan de aanvraag wordt getoetst. Deze hinder kan het gevolg zijn van de exploitatie van het terras en deze aspecten spelen een rol bij het al dan niet verlenen van een exploitatievergunning en de voorschriften die daaraan worden verbonden. Eisers kunnen hierover voorts een verzoek tot handhaving van de openbare orde indienen als dit optreedt in een mate die de geldende normen overschrijdt. Daargelaten dat de gestelde schade aan het dak van de parkeergarage niet is onderbouwd, is deze evenmin in verband te brengen met een weigeringsgrond van artikel 2:10, derde lid, van de APV nu deze schade niet is aan te merken als schade aan een openbare weg of inrichting van de openbare ruimte. Aangezien de genoemde hinder niet valt onder de weigeringsgrond van artikel 2:10, derde lid, van de APV en niet is gebleken dat de aanvraag op grond van de andere weigeringsgronden dient te worden afgewezen, was verweerder bevoegd de gevraagde vergunning te verlenen.

5.5

Uit de Afdelingsuitspraak van 20 februari 2019 volgt tevens dat artikel 2:10 van de APV niet meebrengt dat een aanvraag voor een terrasvergunning getoetst dient te worden aan het bestemmingsplan. Alleen bij de vaststelling van het bestemmingsplan dan wel een verzoek om handhaving op grond hiervan en bij de verlening van de exploitatievergunning dient te worden beoordeeld of de woon- en leefsituatie in de omgeving van de horeca-inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig zal worden beïnvloed. Een verzoek om handhaving van het bestemmingsplan dan wel de verlening van een exploitatievergunning is bij de behandeling van dit beroep niet aan de orde. Er wordt daarom door de rechtbank niet verder ingegaan op de aangevoerde gronden die hierop zien.

5.6

In het verlengde hiervan treft de verwijzing van eisers naar de uitspraak van deze rechtbank van 15 juni 2016 en de Afdelingsuitspraak van 19 april 2017 geen doel. Uit deze uitspraken volgt dat bij het nemen van een besluit op een aanvraag ingevolge artikel 2:28 van de APV een afweging gemaakt moet worden of een terras op een bepaalde plaats toelaatbaar is, gelet op de kwaliteit van de woon- en leefsituatie aldaar. Nu dit artikel echter ziet op een exploitatievergunning in de horeca en de toetsing van een exploitatievergunning

niet aan de orde is, slaagt het beroep op deze uitspraken niet.

5.7

Ook hetgeen overigens is aangevoerd, kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Maas, griffier. De beslissing is gedaan op 10 augustus 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.