Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7590

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
24-08-2020
Zaaknummer
AWB - 19 / 10167
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verstrekkingen van het COA. Geen acute medische noodsituatie nu eiseres toegang heeft tot noodzakelijk medische zorg. COA hoeft zelf niet te toetsen aan artikel 64 van de Vw. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/10167

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder

(gemachtigde: mr. F.M.A. Coenen).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder met ingang van 4 januari 2020 het recht van eiseres op opvang en verstrekkingen beëindigd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft per telefoon- en beeldverbinding plaatsgevonden op 23 juli 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1943 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij wordt ondersteund door en staat onder curatele van haar dochter. In de periode van 7 december 2018 tot 7 december 2019 was artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) op eiseres van toepassing waardoor uitzetting achterwege werd gelaten gelet op haar gezondheidstoestand. Op grond hiervan had eiseres recht op opvang door verweerder.

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder besloten om het recht op opvang van eiseres vier weken na 7 december 2019 te beëindigen. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres niet valt onder een van de categorieën van artikel 3, tweede en derde lid, van de Regeling verstrekking asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva). Verweerder overweegt hierbij dat de nieuwe aanvraag van eiseres geen recht op opvang doet ontstaan.

3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Allereerst merkt zij op dat ze op 6 december 2019 een aanvraag heeft ingediend voor medische behandeling en hiervan stukken aan verweerder zijn overgelegd. In beroep overlegt eiseres een medische verklaring van een behandelaar van 17 januari 2020. Gelet op deze stukken is er volgens eiseres een noodsituatie die moet leiden tot verstrekkingen. Eiseres betoogt dat er sprake is van kennelijk onredelijk beleid en dat dit getoetst kan worden door de rechtbank. Ook betoogt ze dat zij voldoet aan de voorwaarde van artikel 3, derde lid, aanhef en onder h, van de Rva en daarom recht heeft op opvang. Ze stelt hierbij dat verweerder zelf een oordeel moet vellen en niet een beslissing van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris) mag afwachten.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Acute medische noodsituatie

5.1.

De rechtbank overweegt dat blijkens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2099) verweerder buiten de situaties die zijn voorzien in de Rva, ook opvang kan verlenen in zeer bijzondere omstandigheden, zoals in het geval van een acute medische noodsituatie, die tot feitelijke opvang nopen. De rechtbank is van oordeel dat de toetsing van ‘een acute medische noodsituatie’ enkel relevant is voor het verstrekken van feitelijke opvang. Eiseres woont bij haar dochter in huis en wordt niet opgevangen door verweerder. Nu eiseres geen feitelijke opvang wenst, kan eventuele dreiging van een acute medische noodsituatie niet leiden tot toewijzing van het gevraagde. De rechtbank wijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:837).

5.2.

De rechtbank overweegt daarnaast dat de Afdeling in de uitspraak van 23 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW0578) heeft geoordeeld dat een acute medische noodsituatie niet in de weg staat aan het beëindigen van de verstrekkingen, indien de desbetreffende vreemdeling ingevolge artikel 10 van de Vw 2000 aanspraak maakt op een voorziening die het intreden van de gevolgen van het achterwege laten van medische behandeling voorkomt. De rechtbank is niet gebleken dat eiseres geen aanspraak maakt op medische voorzieningen of dat zorgaanbieders geen aanspraak kunnen maken op het declareren van de kosten bij het Centraal Administratie Kantoor (CAK). De aanwezigheid van een eventuele acute medische noodsituatie kan dan ook niet leiden tot een recht op verstrekkingen.

5.3.

Ook de omstandigheid dat eiseres in beginsel zelf de zorgkosten moet betalen en pas wanneer zij de rekeningen niet langer kan betalen het CAK de zorgkosten vergoedt, maakt het voorgaande niet anders. Van belang is dat eiseres toegang heeft tot noodzakelijk medische zorg. Wanneer eiseres deze zorg niet kan betalen, is er door middel van het CAK een mogelijkheid om de noodzakelijke zorg voort te zetten. Hoewel het begrijpelijk is dat eiseres aanvullende hulp of niet-noodzakelijke zorg wil continueren, kan dit niet leiden tot een plicht voor verweerder om de Rva-verstrekkingen voort te zetten. Overigens ziet de rechtbank niet zonder meer in dat ook de dochter van eiseres uit hoofde van haar curatorschap zal moeten opdraaien voor de kosten van noodzakelijke medische zorg alvorens het CAK hiertoe kan worden ingeschakeld.

Toetsing door verweerder

6.1.

Volgens eiseres ontvangt verweerder zijn bevoegdheid uit artikel 3 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers en wordt deze bevoegdheid ingevuld door artikel 3 van het Rva. Eiseres betoogt daarom dat verweerder de aangevoerde feiten en omstandigheden zelfstandig moet toetsen en op basis daarvan een beslissing moet nemen of eiseres recht heeft op verstrekking op grond van artikel 3, derde lid, aanhef en onder h, van de Rva. Op grond van dit artikel heeft eiseres recht op opvang en verstrekkingen als zij rechtmatig in Nederland verblijft, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f of h, van de Vw 2000, en zich, naar het oordeel van de staatssecretaris, feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000.

6.2.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 10 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:86) geoordeeld dat aan verweerder specifieke taken en bevoegdheden zijn opgedragen met betrekking tot de opvang van asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen. Bij de Rva zijn regels gesteld met betrekking tot de verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen. Aan verweerder is niet in algemene zin de taak en bevoegdheid opgedragen vreemdelingen die zulks behoeven, opvang te verlenen. Uitsluitend in de gevallen voorzien in de Rva kunnen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen jegens verweerder aanspraak maken op verstrekkingen.

6.3.

Het beroep van eiseres op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) slaagt daarom niet. Een op Nederland rustende verdragsrechtelijke verplichting om in bepaalde gevallen ook aan andere vreemdelingen buiten de reikwijdte van de Rva opvang te bieden, brengt niet met zich dat deze verplichting op verweerder rust. Een onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die geen aanspraak heeft op voorzieningen van verweerder en die meent op grond van een op Nederland rustende verdragsrechtelijke verplichting aanspraak te hebben op opvang, dient zich te wenden tot de staatssecretaris. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:722).

6.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voor zijn beslissing niet zelfstandig mag toetsen of eiseres voldoet aan de voorwaarden voor verstrekkingen wanneer de vraag of voldaan is aan de toepasselijke vereisten wettelijk afhankelijk is gesteld van een beslissing van de staatssecretaris. Uit voorgaande uitspraak van de Afdeling volgt dat verweerder een zelfstandig bestuursorgaan is dat niet hiërarchisch ondergeschikt is aan de staatssecretaris. Verweerder is niet bevoegd om een beslissing te nemen namens de staatssecretaris. Nu voor toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder h, van de Rva een oordeel van de staatssecretaris nodig is en er geen positief oordeel is, kan verweerder niet anders dan concluderen dat eiseres niet voldoet aan de vereisten.

6.5.

De rechtbank merkt op dat indien eiseres een spoedeisend belang heeft bij de voortzetting van de Rva-verstrekkingen of toegang tot een zorgverzekering, zij een verzoek om een voorlopige voorziening kan indienen hangende de bezwaar- of beroepsprocedure over het besluit van de staatssecretaris inzake haar aanvraag voor een verblijfsvergunning. Onderhavige procedure strekt uitsluitend tot de beoordeling of verweerder de Rva-verstrekkingen moet voortzetten. Blijkens het voorgaande is verweerder daarbij gebonden aan de Rva.

Conclusie

7. Eiseres voldoet niet aan een van de voorwaarden van de Rva. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het recht op Rva-verstrekkingen heeft beëindigd.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier. De uitspraak is gedaan op 10 augustus 2020.

de rechter is verhinderd te

ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.