Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7563

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
12-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 7073
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres komt niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag, omdat de echtgenoot niet woonachtig was in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland. Van schending van de artikelen 14 en 8 van het EVRM is geen sprake. Verweerder heeft niet in strijd met het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel gehandeld. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 19/7073

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Şeker),

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Bij beschikking van 31 december 2018 heeft verweerder het recht op de kinderopvangtoeslag 2016 van eiser definitief vastgesteld op nihil.

Bij beslissing op bezwaar van 30 september 2019 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 28 juli 2020 telefonisch plaatsgevonden. De gemachtigde van eiseres heeft deelgenomen aan de telefonische zitting. Eiseres was aanwezig bij de gemachtigde en heeft via een tolk deelgenomen aan de zitting. Namens verweerder heeft deelgenomen [A] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is op 31 juli 2013 in het huwelijk getreden met [B] (de echtgenoot). De echtgenoot was in 2016 woonachtig in Turkije en is de vader van het kind op wie de kinderopvangtoeslag betrekking heeft (het kind).

2. Eiseres heeft voor het berekeningsjaar 2015 een tegemoetkoming in de kosten voor de kinderopvang aangevraagd (de aanvraag). Op grond van artikel 15, vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) wordt de aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor de daaropvolgende berekeningsjaren.

3. Aan eiseres is bij beschikking van 28 december 2015 een voorschot kinderopvangtoeslag voor het berekeningsjaar 2016 toegekend van € 17.463. Dit voorschot is bij beschikking van 22 augustus 2016 herzien naar € 17.180.

4. De kinderopvangtoeslag 2016 is vervolgens definitief vastgesteld op nihil.

Geschil
5. In geschil is of verweerder de kinderopvangtoeslag voor het berekeningsjaar 2016 terecht definitief heeft vastgesteld op nihil.

6. Eiseres voert -samengevat- aan dat zij van de kinderopvang en de kinderopvangtoeslag afhankelijk was om te kunnen werken en aldus voldoende inkomen te hebben om haar echtgenoot naar Nederland over te laten komen. Volgens eiseres levert de weigering om kinderopvangtoeslag toe te kennen ongeoorloofde discriminatie op in de zin van artikel 14 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook wordt daarmee inbreuk gemaakt op artikel 8 van het EVRM. In dat verband doet eiseres een beroep op het arrest Chavez-Vilchez.1 Daarnaast stelt eiseres dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel, dat de beschikking van

31 december 2018 onzorgvuldig is voorbereid, omdat geen belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat deze beschikking is genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het bijzonder met het motiveringsbeginsel. Eiseres doet tevens een beroep op de hardheidsclausule en stelt dat zij onvoldoende financiële draagkracht heeft om het bedrag van de terugvordering te betalen.

7. Verweerder stelt dat eiseres niet in aanmerking komt voor kinderopvangtoeslag, omdat de echtgenoot wordt aangemerkt als toeslagpartner en hij in 2016 niet woonachtig was in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland. Van schending van de artikelen 14 en 8 van het EVRM is geen sprake. Verder stelt verweerder dat niet in strijd met het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel is gehandeld en dat het beroep op de hardheidsclausule niet kan slagen.

Beoordeling van het geschil

8. In de aanvraag is niet vermeld dat eiseres een partner heeft. Niet in geschil is dat de echtgenoot als toeslagpartner van eiseres dient te worden aangemerkt. Aangezien de echtgenoot in het jaar 2016 in Turkije woonde, wordt niet aan de voorwaarden van artikel 1.6, derde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko) voldaan. De Wko biedt geen ruimte van die voorwaarden af te wijken op grond van de stelling dat de echtgenoot geen inkomen had en eiseres van de kinderopvang en de kinderopvangtoeslag afhankelijk was. Er bestaat daarom geen recht op kinderopvangtoeslag.

9. Het in artikel 1.6, derde lid, van de Wko uitsluiten van de aanspraak op kinderopvangtoeslag ingeval de toeslagpartner buiten het grondgebied van de Europese Unie of Zwitserland woont en werkt, vormt weliswaar een onderscheid als bedoeld in artikel 14 van het EVRM maar voor dat onderscheid bestaat een redelijke en objectieve rechtvaardiging. Dit onderscheid is dus niet discriminerend zodat er geen reden is om artikel 1.6, derde lid, van de Wko vanwege strijd met artikel 14 van het EVRM buiten toepassing te laten.2 Het beroep op artikel 14 van het EVRM slaagt dus niet.

10. Artikel 8 van het EVRM kan onder omstandigheden positieve verplichtingen meebrengen, die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privé-, familie- en gezinsleven.3 Uit hetgeen eiseres over haar situatie heeft gesteld blijkt niet van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een dergelijke positieve verplichting moet worden aangenomen om over te gaan tot het verlenen van kinderopvangtoeslag.4 Ook de verwijzing naar het arrest Chavez-Vilchez baat eiseres niet. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een afhankelijkheidssituatie als in dat arrest bedoeld en dat door de beschikking van 31 december 2018 en de daarmee samenhangende terugvordering van de verstrekte voorschotten, het verblijfsrecht van de echtgenoot feitelijk wordt gefrustreerd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de echtgenoot in 2017, dus ruim voordat het recht op kinderopvangtoeslag op nihil werd gesteld, naar Nederland is gekomen. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat artikel 1.6, derde lid, van de Wko vanwege strijd met artikel 8 van het EVRM buiten toepassing moet worden gelaten.

11. Voor zover eiseres stelt dat zij erop mocht vertrouwen dat het voorschot juist was berekend, slaagt deze beroepsgrond niet. Uit artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het vijfde lid, van de Awir vloeit voort, dat aan het verlenen van een voorschot niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat.5 Het voorschot is bovendien verleend naar aanleiding van de door eiseres ingediende aanvraag waarin niet is vermeld dat sprake is van een toeslagpartner. Verweerder heeft aldus ten tijde van de voorschotbeschikkingen van deze gegevens mogen uitgaan en heeft eiseres op basis hiervan geïnformeerd over haar aanspraak op kinderopvangtoeslag. Eiseres heeft voor haar stelling dat een medewerker van verweerder haar desgevraagd heeft verteld dat zij op deze manier een juiste aanvraag indiende, geen bewijsstukken overgelegd. Zij heeft dan ook niet aangetoond dat sprake is van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete en ondubbelzinnige toezegging waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.6 Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan dan ook niet slagen.

12. Verweerder heeft de kinderopvangtoeslag dus terecht herzien en de ten onrechte betaalde kinderopvangtoeslag geheel teruggevorderd. In artikel 26 van de Awir is bepaald dat indien een herziening van een tegemoetkoming leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd is. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 23 oktober 20197, overwogen dat in artikel 26 van de Awir weliswaar een betalingsverplichting van de belanghebbende is neergelegd, maar dat hierin niet imperatief is voorgeschreven dat verweerder het gehele bedrag van de belanghebbende moet terugvorderen. Daarmee is de Afdeling teruggekomen op haar eerdere jurisprudentie.8

13. Nu het bestreden besluit dateert van voor de uitspraak van de Afdeling van

23 oktober 2019, heeft verweerder daar in het bestreden besluit dus geen rekening mee kunnen houden. In zoverre is van een onzorgvuldig genomen besluit dan ook geen sprake. Uit het verweerschrift volgt verder dat in het kader van de terugvordering in beroep een belangenafweging heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft in dat verband van belang mogen achten dat het systeem van de Awir er op is gericht dat het bedrag van het voorschot zoveel mogelijk wordt afgestemd op het bedrag waarop de definitieve berekening wordt vastgesteld. Verder is van belang dat eiseres, zoals toegelicht in het verweerschrift, kan vragen om een persoonlijke betalingsregeling, afgestemd op haar betalingscapaciteit, als zij door de terugvordering in financiële problemen raakt. Met verweerder ziet de rechtbank geen bijzondere omstandigheden die maken dat de terugvordering van eiseres in dit geval onevenredig is met het daarmee te dienen doel.

14. Eiseres heeft haar stellingen dat de beschikking strijdig is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet geconcretiseerd. Ook overigens is dit niet gebleken.

15. Met betrekking tot het door eiseres gedane verzoek om toepassing van de hardheidsclausule, overweegt de rechtbank dat de hardheidsclausule van artikel 47 van de Awir niet van toepassing is op de situatie van eiseres en dat de Awir geen andere hardheidsclausule bevat. De Wko voorziet evenmin in een algemene hardheidsclausule. Het beroep van eiseres op de hardheidsclausule treft daarom geen doel.

16. Gelet op het voorgaande, zal het beroep ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

19 augustus 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

1 Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354

2 ABRvS, ECLI:NL:RVS:2017:2540, overwegingen 3.6. e.v. en ABRvS, ECLI:NL:RVS:2018:3296

3 ABRvS, ECLI:NL:RVS:2019:435 en ABRvS, ECLI:NL:RVS:2018:2491

4 ABRvS, ECLI:NL:RVS:2018:2491 en ABRvS, ECLI:NL:RVS:2018:3296

5 ABRvS, ECLI:NL:RVS:2009:BJ3389

6 ABRvS, ECLI:NL:RVS:2015:1939

7 ABRvS, ECLI:NL:RVS:2019:3536

8 ABRvS, ECLI:NL:RVS:2019:3536, overweging 5.8