Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7554

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
14-08-2020
Zaaknummer
09/837321-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Acht jaar en tbs met dwangverpleging voor doodslag Gaslaan Den Haag

De rechtbank heeft vandaag een 30-jarige man uit Den Haag veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging, voor doodslag op een 80-jarige man in zijn woning aan de Gaslaan in Den Haag op 20 oktober 2018.

Geen zelfverdediging

Volgens de verdachte is hij, toen hij in de woning van het slachtoffer was, door het slachtoffer aangerand en daarna aangevallen. Hij heeft zich verdedigd door het slachtoffer te slaan en de keel dicht te drukken. Hierbij speelden ook zijn emoties een rol, want volgens de verdachte heeft het slachtoffer heeft hem in het verleden misbruikt.

De rechtbank vindt het verhaal van de verdachte niet aannemelijk. Het wordt niet ondersteund door forensisch bewijsmateriaal en bovendien zijn de verklaringen die de verdachte heeft afgelegd niet consistent. Hij heeft in zijn eerste verklaring helemaal niets over de beweerde aanranding gezegd. Het is niet duidelijk geworden waarom hij dat niet heeft gedaan en dat doet afbreuk aan de betrouwbaarheid van zijn verhaal.

Hogere straf

Gedragsdeskundigen hebben, omdat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, oplegging van tbs met voorwaarden geadviseerd. Die maatregel kan volgens de wet slechts met een straf maximaal vijf jaar worden gecombineerd. Daarom heeft de officier van justitie in plaats van acht jaar, vijf jaar gevorderd. De rechtbank is het daar niet mee eens en legt acht jaar gevangenisstraf op, omdat vergelding en normbevestiging in dit geval voorgaan. De rechtbank is het wel met de officier van justitie en de deskundigen eens dat de verdachte behandeld moet worden. Daarom wordt aan de verdachte naast gevangenisstraf de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/837321-18 en 09/038986-18 (tul)

Datum uitspraak: 14 augustus 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,

verblijfsadres: [adres] ,

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Den Haag.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 1 februari 2019, 19 april 2019, 12 juli 2019, 9 oktober 2019, 3 januari 2020, 7 februari 2020, 1 mei 2020 (alle pro forma), 17 juli 2020 (inhoudelijke behandeling) en 31 juli 2020 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G.K. Schoep en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.T. Poort naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 oktober 2018 te 's-Gravenhage [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door opzettelijk (en na kalm beraad en rustig overleg) de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en/of geweld op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] uit te oefenen.

3 Inleiding: aard van de zaak

Het gaat in deze zaak om een gebeurtenis met dodelijke afloop die plaatsvond op 20 oktober 2018 in de woning aan de [adres 2] te Den Haag.

Naar aanleiding van een melding van de bewoner van de [adres 3] dat hij zijn buurman van nummer [adres 2] hulp hoorde roepen en dat hij even later bloeddruppels in het portiek zag liggen, zijn verbalisanten op 20 oktober 2018 te 14.45 uur naar de woning aan de [adres 2] gegaan. Ter plaatse aangekomen keek een verbalisant door de brievenbus van voornoemde woning en zag dat er iemand achter de deur lag. De deur werd vervolgens met geweld opengemaakt. Achter de voordeur zag de verbalisant in de gang het levenloze lichaam van een oudere man op de grond liggen. Deze man bleek te zijn genaamd [naam] (hierna ook te noemen: [slachtoffer] ), 80 jaar oud en de bewoner van de [adres 2] te Den Haag.

Omstreeks 15.30 uur die dag meldde de verdachte zich in het gezelschap van een aantal familieleden op het politiebureau Zuiderpark te Den Haag. De stiefvader van de verdachte gaf aan dat zijn zoon hem had verteld dat hij iemand had vermoord. Het zou al heel lang spelen en zijn zoon zou al eerder hebben vastgezeten voor een mishandeling van deze man. Nu zou zijn zoon hebben verklaard dat hij deze persoon gedood zou hebben. Deze persoon bleek [slachtoffer] te zijn.

De verdachte werd vervolgens aangehouden en is diverse malen verhoord. Hij heeft verklaard dat hij op de bewuste dag naar [slachtoffer] is toegegaan omdat hij hem wilde confronteren met seksueel misbruik dat in het verleden door [slachtoffer] jegens hem zou hebben plaatsgevonden. Nadat hij bij [slachtoffer] had aangebeld bedacht hij zich en keerde om. [slachtoffer] kwam naar buiten, en nadat zij even hadden gesproken zijn [slachtoffer] en hij, de verdachte, de woning van [slachtoffer] binnengegaan. Nadat de deur was gesloten heeft zich in de hal van de woning een confrontatie voorgedaan, waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen, aldus de verdachte. De verdachte heeft deze verklaring op de terechtzitting herhaald.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd, en zo ja, of hij dat met voorbedachte raad heeft gedaan. Indien sprake is van bewezenverklaring van moord of doodslag, komt de vraag naar de strafbaarheid van het feit en van de verdachte aan de orde, nu namens de verdachte een beroep is gedaan op zelfverdediging. Mocht dat beroep niet slagen, dan dient de rechtbank te beslissen omtrent een op te leggen straf, al dan niet gecombineerd met een maatregel zoals (voorwaardelijke) terbeschikkingstelling.

4 Overwegingen omtrent het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de impliciet primair ten laste gelegde moord en dat de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde moord bepleit. Hij heeft zich ten aanzien van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

De bewijsmiddelen

Op 20 oktober 2018 omstreeks 14.45 uur trof een verbalisant in de woning aan de [adres 2] te Den Haag het levenloze lichaam van [slachtoffer] aan.2

Uit het sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) blijkt het navolgende. Op het lichaam van [slachtoffer] werd onder meer het volgende geconstateerd:

- rechts op het voorhoofd was een paars-rode huidverkleuring door onderhuidse bloeduitstorting met daarin enkele kleine rafelige huidscheuren. Dat letsel was enkele tot tientallen minuten oud ten tijde van het overlijden.

  • -

    in de hals waren er huidverkleuringen en onderhuidse bloeduitstortingen. Ook waren er bloeduitstortingen in de onderhuidse weke delen en spieren van de hals.

  • -

    in de bindvliezen van beide oogleden waren meerdere stipvormige bloeduitstortingen.

De patholoog van het NFI heeft gerapporteerd dat de letsels in de hals bij leven zijn ontstaan door de inwerking van samendrukkend geweld op de hals (verwurging), al dan niet in combinatie met stomp-botsend geweld op de hals. De stipvormige bloeduitstortingen in de bindvliezen van de ogen passen hierbij. Samendrukkend geweld op de hals kan leiden tot verstoring van de bloedvoorziening van de hersenen, met zuurstoftekort van de hersenen en hersenfunctiestoornissen tot gevolg. Daarnaast kan samendrukkend en/of stomp-botsend geweld op de hals aanleiding geven tot (fatale) hartritmestoornissen, middels stimulatie van zenuwknopen in de hals (zgn. ‘nerve effects’).

De hoofdletsels zijn bij leven ontstaan door de inwerking van uitwendig mechanisch stomp-botsend geweld zoals bijvoorbeeld (zich) stoten, vallen of slaan/geslagen worden. De geweldsinwerking op het hoofd heeft geen rol van betekenis gespeeld bij het intreden van de dood.

Het overlijden van [slachtoffer] kan volgens de patholoog van het NFI worden verklaard door samendrukkend geweld op de hals, al dan niet in combinatie met stomp-botsend geweld op de hals.3

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 20 oktober 2018 in de woning van [slachtoffer] aan de [adres 2] te Den Haag de keel van [slachtoffer] heeft dichtgeknepen, en enige tijd dichtgeknepen heeft gehouden.4

Conclusie omtrent het bewijs

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen. Van voorbedachte raad bij het handelen van de verdachte is niet gebleken. Dat betekent dat de impliciet primair ten laste gelegde moord niet wettig en overtuigend bewezen is, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Gelet op de zojuist vastgestelde opzettelijke levensberoving van [slachtoffer] door de verdachte zal de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 20 oktober 2018 te 's-Gravenhage [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door opzettelijk de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen.

5 Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte bij het plegen van het bewezen verklaarde feit heeft gehandeld uit noodweer. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat sprake was van noodweerexces. De verdachte heeft namelijk gehandeld ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van het slachtoffer. Voor zover zou moeten worden geoordeeld dat de verdachte bij zijn verdediging de grenzen van de noodzaak daartoe zou hebben overschreden, is dit veroorzaakt door een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Op grond hiervan dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van dit verweer voorop, dat uit een oogpunt van verklaring van de betrokkenen de verklaring van de verdachte zelf de enige kenbron is van wat zich op 20 oktober 2018 tussen de verdachte en het slachtoffer heeft afgespeeld. Het slachtoffer is immers niet meer in staat te verklaren en zijn visie op het gebeurde is dan ook niet bekend. Dat betekent dat het aankomt op de vraag naar de betrouwbaarheid van hetgeen de verdachte hierover ter terechtzitting heeft verklaard. Die verklaring komt (samengevat) op het volgende neer.

Nadat de verdachte samen met het slachtoffer diens woning was binnengegaan, sloot het slachtoffer de deur af en randde hij de verdachte vrijwel meteen aan door hem bij zijn broek grijpen, dan wel te betasten, ter hoogte zijn kruis. De verdachte heeft hierop enige tijd als verstijfd stilgestaan. Toen hij zich realiseerde wat er gebeurde, heeft de verdachte het slachtoffer van zich afgeduwd en hem een klap gegeven. De verdachte is daarop aangevallen door het slachtoffer dat hem met beide handen bij de keel greep. De verdachte heeft daarop snel gereageerd door de handen van het slachtoffer weg te slaan en vervolgens het slachtoffer bij de keel te grijpen. Er volgde een worsteling, waarbij beiden op de grond vielen en de verdachte op het slachtoffer kwam te liggen. Na verloop van enige tijd, waarbij de verdachte de keel van het slachtoffer bleef omvatten, bewoog het slachtoffer niet meer.

De rechtbank stelt vast dat, anders dan door de raadsman is betoogd, de juistheid van de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat hij door het slachtoffer in zijn kruis is gegrepen, niet wordt ondersteund door de resultaten van het forensisch onderzoek, dat naar aanleiding van die verklaring heeft plaatsgevonden. Tot dat oordeel is het volgende redengevend.

Er heeft op verschillende plaatsen bemonstering plaatsgevonden van de broek die de verdachte ten tijde van het gebeurde droeg. Het resultaat daarvan is neergelegd in een rapport van het NFI van 31 januari 20195 en een nader rapport van het NFI van 12 april 2019.6 Het NFI relateert (samengevat) dat in twee van de drie monsterafnames ter hoogte van het kruis van de broek aanwijzingen zijn gevonden voor de aanwezigheid van het DNA van het slachtoffer. Ook is DNA van het slachtoffer aangetroffen in drie andere bemonsteringen van de broek, genomen van respectievelijk het rechter onderbeen, het linker bovenbeen en het linker onderbeen. Aan het NFI is vervolgens gevraagd of onderzoek mogelijk was op activiteitenniveau, ter beantwoording van de vraag op welke wijze het DNA van het slachtoffer op het kruis van de broek terechtgekomen kan zijn. Het NFI heeft bij email van 12 juli 2019, gericht aan de officier van justitie, laten weten (samengevat) dat de resultaten van een dergelijk onderzoek nauwelijks onderscheid zullen bieden. De kans om DNA aan te treffen ten gevolge van het fysieke contact tussen de verdachte en het slachtoffer is groot, zowel ten gevolge van het grijpen in het kruis als ten gevolge van het andere fysieke contact, waaronder het op elkaar vallen.

De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat weliswaar DNA van het slachtoffer is aangetroffen in twee bemonsteringen van het kruis van de broek van de verdachte, doch dat daarmee nog geenszins vast staat dat dit daar uitsluitend ten gevolge van het grijpen in het kruis door het slachtoffer kan zijn terechtgekomen. De mogelijkheid dat dit is gebeurd als gevolg van de worsteling tussen de verdachte en het slachtoffer is immers minstens even groot, wat mede daaruit volgt dat ook DNA van het slachtoffer is aangetroffen op andere plaatsen op de broek, zoals de onderbenen.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat de verdachte in zijn onderscheiden verklaringen –tegenover de politie, bij zijn voorgeleiding en ter terechtzitting – niet consistent heeft verklaard als het gaat om de bewering dat het slachtoffer hem, verdachte, in het kruis heeft gegrepen en overweegt daartoe het volgende.

De verdachte is voor het eerst door de politie gehoord op de dag van het gebeurde, te weten op 20 oktober 2018. Dat verhoor vond plaats van 21.53 uur tot 22.40 uur in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte. In het proces-verbaal van de politie bevindt zich een woordelijke uitwerking van dat verhoor.7 De verdachte heeft bij dat verhoor met geen woord te kennen gegeven dat het slachtoffer hem heeft aangerand door hem in het kruis te grijpen. Hij heeft, desgevraagd, uitvoerig verteld wat er die dag was gebeurd. De verdachte verklaart dat hij naar het huis van het slachtoffer is gegaan omdat hem iets dwars zat: “Al die jaren dat ik misbruikt ben geweest eh…Zat me heel erg dwars, elke dag. En…ik kreeg eh…Het idee om met hem in gesprek te gaan daar over. Met die pedofiel, met die man die me jaren heeft misbruikt. (…) Een paar jaar dat hij mij misbruik heeft maar ik heb er jaren mee gelopen (…) Ik heb zelfs slapeloze nachten, dat ik met zweet wakker wordt en dat ik het gevoel heb dat hij me weer aanrandde, en misbruikte, en dat is heel erg, gewoon vies gevoel, echt een heel vies gevoel” .

Over wat er na het sluiten van de deur is gebeurd verklaart de verdachte in dit verhoor niet meer en anders (maar dat wel bij herhaling) dan dat het slachtoffer hem meteen heeft aangevallen en hem bij de keel heeft gegrepen.

Bij het verhoor tegenover de rechter-commissaris op 23 oktober 2018 verklaart de verdachte voor het eerst dat het slachtoffer hem bij zijn kruis pakte. In het daarop volgende verhoor tegenover de politie op 26 oktober 2018 voegt de verdachte daar (voor het eerst) aan toe: “Daarop ging er weer van alles door me heen. Ik werd weer bang, ik was verdrietig, ik werd boos, maar ik wou het niet, ik wou niet aangerand worden”.

Aan de verdachte is ter terechtzitting gevraagd waarom hij niet al bij zijn eerste verhoor tegenover de politie heeft verteld dat het slachtoffer hem in het kruis zou hebben gegrepen. De verdachte heeft daarop geantwoord dat hij dit niet heeft gedaan “omdat hij zich schaamde”. Dat merkt de rechtbank evenwel niet aan als een aannemelijke verklaring voor het achterwege laten van een kennelijk (zoals uit de latere verklaringen van de verdachte zou moeten volgen) voor de verdachte zo belangrijke feitelijkheid. De verdachte heeft immers in datzelfde eerste verhoor uitgebreid verklaard over het misbruik dat in het verleden zou hebben plaatsgevonden en hoe vies hij zich voelde bij de gedachte dat hij weer werd aangerand. Daarmee valt niet te verenigen dat de verdachte zich geremd zou voelen om niet meteen te verklaren dat nu juist een herhaling van die aanranding zo’n belangrijke rol heeft gespeeld bij zijn handelen tegenover het slachtoffer op 20 oktober 2018. Wat dan wel de reden is geweest dat de verdachte eerst later over deze beweerde aanranding door het slachtoffer heeft gesproken is onduidelijk. Mogelijk was het een psychotische beleving (waaraan de verdachte volgens gedragsdeskundigen onderhevig is) dan wel een voortschrijdend inzicht omtrent zijn in te nemen procespositie. Maar deze inconsistenties in de verklaringen van de verdachte doen afbreuk aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring als geheel omtrent het gebeurde tussen hem en het slachtoffer op 20 oktober 2018.

De enkele verklaring van de verdachte is mede in verband hiermee onvoldoende om de stellingen omtrent het aanranden van hem door het slachtoffer en/of de door hem gestelde aanval door het slachtoffer aannemelijk te kunnen achten. Nu die stellingen niet door andere feiten en/of omstandigheden worden ondersteund is de slotsom dat de aan het beroep op noodweer ten grondslag gelegde feiten niet aannemelijk zijn geworden zodat het beroep op die exceptie wordt verworpen. Aan het subsidiair gedane beroep op noodweerexces wordt bij deze stand van zaken niet toegekomen.

Het bewezen verklaarde feit is een strafbaar feit en de verdachte is daarvoor strafbaar, nu geen (andere) feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De op te leggen straf en/of maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat hij, gelet op de ernst van het gepleegde feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid zoals vastgesteld door het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC), een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren passend acht. Het PBC adviseert evenwel de verdachte te behandelen in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden. De officier van justitie acht zich daardoor voor een dilemma geplaatst, nu tbs met voorwaarden uitsluitend kan worden opgelegd in combinatie met een gevangenisstraf die de duur van vijf jaren niet te boven gaat. De officier van justitie kiest in dit dilemma voor de noodzaak van het opleggen van de maatregel van tbs met voorwaarden en vindt het om die reden aanvaardbaar dat de op te leggen gevangenisstraf wordt beperkt tot vijf jaren. Vandaar dat de officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, alsmede dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van tbs met voorwaarden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank het beroep op noodweerexces honoreert, niet aan de voorwaarden wordt voldaan voor de oplegging van een tbs-maatregel. Subsidiair heeft de raadsman oplegging van een tbs met voorwaarden verzocht. Mocht de rechtbank het beroep op noodweer of noodweerexces verwerpen, heeft de raadsman verzocht aan de verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van zijn voorarrest en de maatregel tbs met voorwaarden op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Algemene overwegingen omtrent de op te leggen straf

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en is gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Doodslag behoort tot de ernstigste strafbare feiten die de wet kent. De wetgever heeft voor dit misdrijf als maximumstraf een gevangenisstraf van vijftien jaren vastgesteld. Binnen de rechtspraak bestaan voor dit delict geen landelijke oriëntatiepunten. Hoewel de rechtbank zich realiseert dat iedere zaak uniek is en het in die zin lastig is om te vergelijken met andere zaken, lijkt het erop dat doorgaans voor een enkelvoudige doodslag een gevangenisstraf wordt opgelegd van tussen de acht en twaalf jaren. Dat neemt niet weg dat het gedrag dat tot toepassing van deze strafbepaling leidt, vele verschillende vormen kan aannemen, zodat in ieder concreet geval dient te worden nagegaan welke mate van ernst daaraan uit een oogpunt van straftoemeting moet worden toegekend. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

De verdachte heeft het slachtoffer bezocht in zijn eigen woning en hem in het halletje van die woning op het hoofd geslagen en gewurgd. Daarna heeft de verdachte het levenloze lichaam van het slachtoffer achtergelaten in de woning.

Met zijn handelen heeft de verdachte een 80-jarige man op gewelddadige wijze het leven ontnomen. In zijn eigen woning is het slachtoffer geconfronteerd met geweld van een aanvaller tegen wie hij fysiek niet was opgewassen. Hoewel het slachtoffer, ondanks zijn gevorderde leeftijd, nog vitaal was, had hij tegen de verdachte geen schijn van kans.

De verdachte heeft de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan, zoals een broer van het slachtoffer namens diens familie in zijn slachtofferverklaring heeft verwoord. Ook de samenleving als geheel is door het handelen van de verdachte geschokt. Het handelen van de verdachte heeft, zoals blijkt uit onderdelen van het strafdossier, bij diegenen die daarvan op de hoogte zijn geraakt, zoals omwonenden en bekenden, gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen.

Uit de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, zoals hiervoor omschreven, volgt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. Het bewezen verklaarde feit moet als zodanig ernstig worden beschouwd, dat het in beginsel in aanmerking zou komen voor een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

Vervolgens dient te worden nagegaan of de persoon van de verdachte of zijn persoonlijke omstandigheden invloed hebben op de strafoplegging en zo ja, in welke mate.

Omtrent de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie, gedateerd 17 juni 2020. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder, op 12 oktober 2015, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een geweldsdelict. Deze veroordeling betreft een poging tot zware mishandeling gepleegd op 29 mei 2015 tegen hetzelfde slachtoffer als in onderhavige zaak. De toedracht was volstrekt vergelijkbaar. Hiernaar gevraagd heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij aanvankelijk aarzelde het slachtoffer weer op te zoeken, omdat hij bang was dat hij weer agressief tegen hem zou worden. Desondanks heeft de verdachte ervoor gekozen het slachtoffer weer op te zoeken en weer eindigde dat met geweldpleging door de verdachte – deze keer dus met dodelijke afloop voor het slachtoffer. De rechtbank houdt hiermee ten nadele van de verdachte rekening.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het (gezamenlijke) Pro Justitia-rapport van E.A. Kuiper, psychiater i.o., onder supervisie van A.E. Grochowska, psychiater, en L. Vermeulen, GZ-psycholoog, verbonden aan het PBC, gedateerd 3 oktober 2019. De rapporteurs concluderen dat er bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de geestvermogens in de vorm van een (complexe) posttraumatische stressstoornis (PTSS), als gevolg van ernstig seksueel misbruik. Ook is sprake van een zwakke persoonlijkheidsstructuur, waarbij een persoonlijkheidsstoornis niet kan worden uitgesloten. Daarnaast is sprake van psychotische klachten, die als gevolg van de zwakke persoonlijkheidsstructuur in combinatie met PTSS kunnen voorkomen, maar ook als gevolg van een losstaande psychotische stoornis. Bovendien wordt een stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol vastgesteld.

Dit alles was ook aanwezig ten tijde van het bewezen verklaarde. De rapporteurs achten het aannemelijk dat de verdachte overspoeld werd door emoties toen hij in contact stond met het slachtoffer. Op dat moment kan zijn agressieregulatie in het gedrang zijn gekomen. Helemaal omdat er sprake is cannabisgebruik, kan de verdachte het gevoel met de realiteit kwijt raken. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat de verdachte kort vóór het ten laste gelegde een toename van stress en psychotische belevenissen ervoer. Gezien de doorwerking van de vastgestelde stoornissen in het bewezen verklaarde, wordt geadviseerd het bewezen verklaarde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

De rechtbank neemt deze conclusies over en legt deze ten grondslag aan haar beslissing dat het bewezen verklaarde de verdachte verminderd kan worden toegerekend. Dit heeft een matigende werking op de op te leggen straf.

Een en ander brengt de rechtbank tot de tussenconclusie dat voor de bewezen verklaarde doodslag oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, in beginsel passend is.

Advies omrent een op te leggen maatregel

In voornoemd Pro Justitia-rapport concluderen de rapporteurs dat de kans op hernieuwde geweldsescalaties op korte termijn als laag wordt ingeschat, maar op lange termijn als verhoogd als de problematiek van de verdachte onbehandeld blijft.

Volgens de rapporteurs heeft de verdachte een langdurige, uitgebreide en geïntegreerde behandeling binnen een forensisch kader nodig voor zijn complexe problematiek en daarmee het terugdringen van het risico op recidive. Hierbij is primair van belang dat de medicamenteuze behandeling voor de psychotische problematiek wordt geoptimaliseerd en dat de psychotische problematiek diagnostisch nauwkeurig in kaart wordt gebracht. Daarnaast wordt geadviseerd om aandacht te hebben en een adequate behandeling op te starten voor het seksuele trauma. Tevens moet een adequate behandeling worden opgestart voor de stoornis in het gebruik van middelen, en moet een psychotherapeutische

behandeling worden opgestart voor het verstevigen van de persoonlijkheid, waarbij het met name van belang is dat de verdachte leert zijn emoties te herkennen, erkennen en er adequaat naar te handelen. Bovendien is het van belang dat hij op een adequate wijze leert om te gaan met problemen en stress.

De rapporteurs zijn van mening dat tbs met voorwaarden een voldoende kader zou kunnen zijn, gezien het lage acute recidiverisico, in combinatie met het (daarom) niet nodig achten van een hoog beveiligingsniveau, en gezien de motivatie van de verdachte om behandeld te worden voor zijn complexe problematiek. Wel is zeer van belang dat er een adequate en uitgebreide behandeling wordt opgestart, om ook het risico op ernstig geweld op de lange termijn te verlagen. Deze behandeling zou volgens de rapporteurs het beste tot zijn recht komen op een FPK, wegens de hoge zorgintensiteit en mogelijkheden tot resocialisatie. Indien de strafmaat dit toelaat, zou een dergelijke behandeling goed kunnen passen in het kader van tbs met voorwaarden.

De rechtbank neemt de conclusie uit het Pro Justitia-rapport over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat bij de verdachte sprake is van een verhoogd recidiverisico op de lange termijn en dat, teneinde dat risico te verminderen, een langdurige en uitgebreide behandeling van de verdachte, zoals door de deskundigen beschreven, noodzakelijk is.

Eindoordeel omtrent de op te leggen straf

Uit het vorenoverwogene blijkt dat de rechtbank en de officier van justitie het eens zijn over de hoogte van de straf die, in aanmerking genomen de ernst van het feit en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, acht jaren zou moeten bedragen. Ook bestaat tussen de rechtbank en de officier van justitie geen verschil van mening omtrent de noodzaak van langdurige en uitgebreide behandeling van de verdachte teneinde het recidiverisico te verminderen.

De rechtbank is het echter niet met de officier van justitie eens dat bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf doorslaggevend zou moeten zijn dat ingevolge artikel 38, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht de door het PBC geadviseerde tbs met voorwaarden niet kan worden opgelegd tezamen met een gevangenisstraf langer dan vijf jaren. De rechtbank acht het dan ook onjuist om – gelijk de officier van justitie met zijn eis heeft gedaan – de op te leggen gevangenisstraf te verlagen tot vijf jaren, teneinde de oplegging van tbs met voorwaarden mogelijk te maken. Niet alleen zou dat de met strafoplegging te dienen doelen van vergelding en normbevestiging ten onrechte achterstellen bij het strafdoel speciale preventie, ook wordt daarmee het karakter van tbs met voorwaarden miskend. Of deze ‘lichtere’ vorm van tbs kan worden opgelegd, is immers niet alleen afhankelijk van de bereidheid van de verdachte om mee te werken aan eventueel op te leggen voorwaarden, maar ook van de ernst van het delict en het gevaar voor recidive.8 Bij zeer ernstige delicten, zoals in onderhavige zaak, is oplegging van tbs met voorwaarden niet aangewezen.

De rechtbank zal aan de verdachte dan ook de in aanmerking komende straf, en wel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, opleggen.

Eindoordeel omrent de op te leggen maatregel


Nu tbs met voorwaarden, gelet op de op te leggen straf, niet meer aan de orde is, resteert de vraag of de door de rechtbank noodzakelijk geachte behandeling in het kader van tbs met dwangverpleging kan en moet worden opgelegd.

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarde voor het opleggen van tbs dat het begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel eist en dat zulks tevens geldt voor verpleging van overheidswege. Daartoe is redengevend dat het begane feit zeer ernstig is en de verdachte reeds eerder voor een feit dat gepaard ging met geweld is veroordeeld. Het recidiverisico op lange termijn is verhoogd en de complexe problematiek van de verdachte die daaraan ten grondslag ligt, vereist intensieve en langdurige behandeling. Dat het acute recidiverisico wordt ingeschat als laag, legt onvoldoende gewicht in de schaal om thans af te zien van het opleggen van de maatregel van tbs met dwangverpleging. De rechtbank zal die maatregel dan ook opleggen. Daarbij merkt zij op dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam, zodat de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren te boven kan gaan.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke taakstraf zal worden toegewezen en dat het aantal door de verdachte te verrichten uren taakstraf wordt vastgesteld op nihil.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging bepleit.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen, nu een toewijzing van deze vordering niet meer opportuun is. Gelet op de op te leggen straf en maatregel dient toewijzing van deze vordering geen redelijk doel.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 4.4 bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

doodslag;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte en beveelt, dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met het parketnummer 09/038986-18.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. du Pon, voorzitter,

mr. B.W. Mulder, rechter,

mr. B.J. de Groot, rechter,

in tegenwoordigheid van W.H. Ng en mr. T.F.W. Ramler griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 augustus 2020.

Mr. De Groot is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018284156, van de politie eenheid Den Haag, Districtsrecherche Den Haag-West, met bijlagen.

2 Einddossier, proces-verbaal van bevindingen, blz. 24.

3 Forensisch Dossier, rapport van het NFI d.d. 18 januari 2019, blz. 38-40.

4 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 17 juli 2020.

5 Forensisch dossier, blz. 280

6 Forensisch dossier, blz. 287

7 Einddossier, blz. 238

8 Kamerstukken II 2008-09, 31 823, nr. 3, p. 3.