Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7550

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
17-08-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4751
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vovo tijdelijke sluiting koffieshop wegens geweldsincident op straat dat is ontstaan in de inrichting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/4751

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 augustus 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoekster] B.V., te [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. I.A. Kamans),

tegen

de burgemeester van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. E.P. Alonso en S. El Boustati).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de horeca-inrichting in het perceel [straat 1] [huisnummer] te [plaats] voor de periode van drie maanden gesloten, ingaande op 12 juli 2020 om 23.30 uur en eindigend op maandag 28 september 2020 om 23.30 uur.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2020.

Partijen zijn door middel van een skype-verbinding gehoord.

Verzoekster is verschenen in de persoon van [A] , bijgestaan door mr. J.C. Herrewijnen, kantoorgenoot van de gemachtigde van verzoekster.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

De voorzieningenrechter acht in beginsel spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de gevraagde voorziening aanwezig. De voorzieningenrechter zal beoordelen aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel en zo nodig een belangenafweging of er ook voldoende spoedeisend belang is om het treffen van een voorlopige voorziening te rechtvaardigen.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op zondag 28 juni 2020, omstreeks 14.45 uur, is een (geladen) vuurwapen aanwezig geweest in de horeca-inrichting en heeft een bezoeker, na een in de horeca-inrichting ontstaan conflict, op een andere bezoeker geschoten in de directe nabijheid van uw horeca-inrichting. Verzoekster heeft vervolgens besloten de horeca-inrichting voor de duur van twee weken gesloten te houden van zondag 28 juni 2020, 23.30 uur, tot zondag 12 juli, 23.30 uur.

Uit de bestuurlijke rapportage van de politie, team Segbroek, van 5 juli 2020, komt het volgende naar voren.

Op zondag 28 juni 2020, omstreeks 14:45 uur, kreeg de politie een melding van een schietpartij op straat in de nabijheid van uw horeca-inrichting. Ter plaatse wordt door de politie een onderzoek gestart. Ter hoogte van de kruising van de [straat 1] en de [straat 2] is een openbare orde camera geplaatst naar aanleiding van eerdere incidenten. Op die camerabeelden is te zien dat er op zondag 28 juni 2020, omstreeks 14:45 uur, een scooter met twee personen vanaf de [laan] de [straat 1] in komt rijden. De scooter wordt op het trottoir voor supermarkt [supermarkt] geparkeerd, ter hoogte van de kruising met de [straat 2] . De bestuurder blijft bij de scooter staan. De bijrijder loopt over de [straat 1] in de richting van uw horeca-inrichting en gaat naar binnen. Even later loopt de bijrijder weer terug naar de scooter, om daarna weer naar uw horeca-inrichting te lopen en opnieuw naar binnen te gaan. De bijrijder loopt direct langs andere wachtende bezoekers naar voren. Door het voordringen ontstaat onenigheid. Als de

bijrijder vervolgens uw horeca-inrichting verlaat, verlaten tegelijkertijd twee andere bezoekers, met wie de bijrijder onenigheid had, uw horeca-inrichting en lopen met de bijrijder mee. Ongeveer ter hoogte van viswinkel [viswinkel] escaleert de onenigheid in een vechtpartij, waar de bestuurder van de scooter ook bij betrokken is, en uiteindelijk in een schietpartij. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat de bijrijder de straat op loopt, om vervolgens een op een vuurwapen gelijkend voorwerp uit een tasje te pakken dat hij bij zich heeft. Vervolgens is te zien dat de bij rijder het op een vuurwapen gelijkend voorwerp op een van de bezoekers richt en in zijn richting loopt. Daarna is te zien dat de bezoeker wegrent in de richting van de [straat 2] . De bijrijder rent achter de bezoeker aan, terwijl hij het op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de bezoeker blijft richten. Tevens is te zien dat de bijrijder vermoedelijk een handeling verricht aan het op een vuurwapen gelijkend voorwerp (mogelijk het doorladen van het vuurwapen). Op het moment van het incident lopen en fietsen meerdere personen in de directe omgeving van het incident. Ook rijden er auto’s langs de directe omgeving van het incident.

Uit de verklaring van de bezoeker, het slachtoffer van het incident, blijkt het volgende. Hij was als bezoeker in de horeca-inrichting aanwezig om wiet te kopen. Terwijl hij stond te wachten om te worden geholpen, zag hij een andere bezoeker, de bijrijder, binnenkomen en voordringen. Vervolgens heeft hij iets gekocht en liep hij achter de bijrijder aan naar buiten. Buiten escaleert de situatie en wordt er geduwd en geslagen. Vervolgens zag de bezoeker dat de bijrijder iets op hem richtte en hoorde hij een klik. Daarna is hij weggerend. Vlak voordat hij de hoek van de [straat 2] had bereikt, hoorde hij een schot. Direct daarna voelde hij een ruk aan zijn T-shirt. Later bleek dat er twee gaatjes in zijn T-shirt zaten. Vervolgens vluchtte de bezoeker weg van de plaats van het incident.

Er zijn meerdere getuigen die zich in de directe omgeving van het incident in de [straat 1] bevonden. Een aantal van hen heeft verklaard een vuurwapen te hebben gezien. Gezien het feit dat het incident plaatsvond op klaarlichte dag, dat er meerdere mensen op straat waren en de directe omgeving van het incident zich kenmerkt door de aanwezigheid van veel woningen, had het schietincident zeer ernstige gevolgen kunnen hebben. Daarnaast is de impact van dit incident op de [straat 1] zeer groot. De politie heeft de afgelopen periode meerdere signalen uit de buurt ontvangen, die erop duiden dat omwonenden en ondernemers zich niet veilig voelen in de [straat 1] . De [straat 1] betreft een focusgebied waarin de openbare orde en het woon- en leefklimaat onder druk staat. Dit incident zet de openbare orde en het woon- en leefklimaat verder onder druk. Uit gesprekken met omwonenden en ondernemers uit de straat, gevoerd door wijkagenten, komt naar voren dat meerdere omwonenden als gevolg van het schietincident bang en geschrokken zijn.

Naar aanleiding van deze informatie heeft verweerder op 7 juli 2020 telefonisch aan verzoekster laten weten voornemens te zijn om de horeca-inrichting te sluiten voor drie maanden.

Verzoekster heeft op 8 juli 2020 haar zienswijze daarop kenbaar gemaakt.

3. Verzoekster kan zich in het primaire besluit niet vinden en voert daartoe – kort samengevat – het volgende aan.

Verzoekster kan geen verwijt gemaakt worden van het voornoemde incident. Er is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, welke zich ook elders had kunnen voordoen. Er is geen relatie tussen de horeca-inrichting en de dader anders dat hij een bezoeker was. Dat betreft toeval.

De woordenwisseling die ontstond in de horeca-inrichting leek te zijn gesust. Het was voor verzoekster niet voorzienbaar dat daarna toch een escalatie plaatsvindt op straat. Het is in Nederland niet gebruikelijk dat personen vuurwapens bij zich dragen, zodat ook daarmee het incident voor verzoekster niet voorzienbaar was.

Na het incident heeft verzoekster alle medewerking verleend aan politie en is zij op verzoek van verweerder overgegaan tot vrijwillige sluiting van de horeca-inrichting voor de duur van twee weken.

Inmiddels heeft verzoekster vergaande maatregelen getroffen om herhaling van een dergelijk incident te voorkomen. Daarmee is geen noodzaak meer voor het sluiten aangezien alle denkbare maatregelen getroffen zijn. Het primaire besluit heeft daarom een punitief karakter.

Dit alles maakt dat er reden bestaat voor verweerder om te volstaan met een waarschuwing.

Daarbij is ook van belang dat de dader door de politie is aangehouden.

4. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

5. Ingevolge artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a en f, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: APV) kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien:

a. naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting door de aanwezigheid van de horeca-inrichting nadelig wordt beïnvloed;

f. zich in of vanuit de horeca-inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de horeca-inrichting gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting.

Ingevolge artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder c, van de APV, kan de burgemeester een horeca-inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren indien een van de in artikel 2:28, vijfde of zesde lid, genoemde situaties zich voordoet.

Ingevolge het door verweerder gevoerde beleid wordt in geval van een eerste overtreding van aantreffen van een wapen ten aanzien van een horeca-inrichting bestuursdwang toegepast in de vorm van een bevel tot sluiting van de inrichting voor de duur van 3 maanden.

6. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

Partijen zijn het er over eens dat het schietincident op 28 juni 2020 een zeer ernstige verstoring van de openbare orde oplevert. Een gedeelte van het betoog van verzoekster komt er in essentie op neer komt dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor dit schietincident.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter slaagt dit betoog niet. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar vaste jurisprudentie van de Afdeling

(1 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ:1133) waarin is overwogen dat de persoonlijke verwijtbaarheid van de ondernemer geen rol speelt bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van de inrichting noopt. Slechts aan de orde is de vaststelling of sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde die in directe relatie staat met de aanwezigheid dan wel met de exploitatie van de inrichting.

Tussen partijen is niet in geschil dat de ruzie, welke aanleiding bleek voor het schietincident, is ontstaan in de horeca-inrichting. Dit is een andere situatie dan die in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2017:6437) waarnaar verzoekster heeft verwezen. In die zaak was het immers niet duidelijk of de zedenincidenten een relatie hadden met de horeca-inrichting. Dat medewerkers van verzoekster de ruzie al hadden gesust in de horeca-inrichting is niet van belang. Zoals hiervoor overwogen is slechts aan de orde of de verstoring van de openbare orde in directe relatie staat met de horeca-inrichting.

Verweerder heeft hierbij voorts van belang mogen achten dat het een welbekend feit is en ook in de media en politiek breed uitgemeten is dat de leefbaarheid in de [straat 1] al enige tijd onder druk staat. Er zijn in de [straat 1] meerdere incidenten met wapens, waaronder steekincidenten, geweest. De coffeeshops in de [straat 1] komen regelmatig voor in politieregistraties en zorgen er in zeker mate voor dat een bepaald publiek naar de [straat 1] wordt getrokken. Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorts mogen wijzen op de omstandigheid dat de bedrijfsvoering van een coffeeshop niet te vergelijken is met die van een supermarkt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onvoldoende onderbouwd waarom het in het verweerschrift genoemde steekincident uit 2018 bij de beoordeling betrokken mag worden. Verzoekster heeft ter zitting onweersproken gesteld dat zij door verweerder niet op de hoogte is gebracht van het feit dat dit steekincident in relatie tot de horeca-inrichting zou staan. Het kan verzoekster dan ook niet verweten worden dat zij destijds geen maatregelen getroffen heeft naar aanleiding van het incident of dat er wel iets aan te merken is op de exploitatie van de horeca-inrichting.

De voorzieningenrechter deelt hoe dan ook wel het standpunt van verweerder dat door de feiten als hierboven vastgesteld de openbare orde zeer ernstig is verstoord en het woon- en leefklimaat zeer ernstig is aangetast. De omstandigheid dat verzoekster en haar werknemers van de sluiting nadelige financiële gevolgen ondervinden heeft verweerder minder van belang kunnen achten dan de belangen die zijn gemoeid met de bescherming van de openbare orde en veiligheid en van voorkoming van nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat. Daarbij heeft verweerder kunnen wijzen op de met de maatregel beoogde doelen, te weten het afgeven van een signaal en het beschermen van de buurt. Met name voor het afgeven van een signaal is een tijdelijke sluiting de meest gerede oplossing. De door verzoekster na het incident getroffen maatregelen van het plaatsen van een metaaldetector en tourniquet zullen mogelijk nieuw wapengeweld dat wordt gelinkt aan een bezoek aan de shop kunnen beperken, maar heeft verweerder daartoe onvoldoende mogen achten. Gelet hierop is van een punitief karakter bij het primaire besluit geen sprake. Ter zitting heeft verweerder overigens laten weten dat buurtbewoners bij de gemeente hebben aangeven effect van de sluiting te ervaren.

7. Gezien het voorgaande heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen besluiten tot sluiting van de horeca-inrichting voor een periode van drie maanden. Het besluit zal naar verwachting in bezwaar kunnen standhouden. Daarom bestaat geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening en wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier, op 10 augustus 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze beslissing niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.