Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7516

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
NL20.5738
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag - Afghaanse - FMMU-advies terecht aan de bestreden besluitvorming ten grondslag gelegd - vermogen om te verklaren - asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden - artikel 3.6ba van het Vb 2000 - beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.5738


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.G.J.M. Lucassen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A. Wieman).


Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van een videoverbinding (Skype) plaatsgevonden op 16 juli 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen O. Salim. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1943 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Op 23 oktober 2018 heeft zij onderhavige aanvraag ingediend.

2. Eiseres heeft – samengevat weergegeven – aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij Afghanistan heeft verlaten vanwege problemen met haar schoondochter. Na het overlijden van haar zoon [zoon 2] op 26 december 2015 door een auto-ongeluk, heeft haar schoondochter eiseres bedreigd en onder druk gezet om het huis te verkopen. Ook is de gehandicapte zoon van eiseres [zoon 1] , die bij haar in huis woonde, door de schoondochter mishandeld en uitgescholden. Hoewel eiseres niet instemde met de verkoop van het huis, hebben haar schoondochter en diens familie, die werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Afghanistan, alle spullen uit het huis gehaald om het huis verkoop klaar te maken. De buren van eiseres hebben eiseres geholpen het huis gedeeltelijk weer in te richten en hebben eiseres vervolgens ook geholpen om het huis in het geheim te verkopen en met de opbrengst daarvan Afghanistan te verlaten. Eiseres is met haar gehandicapte zoon per vliegtuig naar Turkije gevlucht. Toen zij in Turkije waren, belde de schoondochter van eiseres haar en zei zij tegen eiseres dat ze hen konden terugvinden en dat zij nergens in de wereld veilig zouden zijn. Eiseres heeft haar simkaart weggegooid en is vervolgens met behulp van reisagenten met haar zoon per boot naar Griekenland gevlucht. In Griekenland is haar zoon overleden. Met behulp van een reisagent heeft eiseres per vliegtuig naar Nederland kunnen reizen.

Bij terugkeer naar Afghanistan vreest eiseres door de schoonfamilie van haar overleden zoon [zoon 2] te worden gedood, omdat zij geld willen voor de verkochte woning. Eiseres heeft in Afghanistan geen gezins- of familieleden wonen, nu haar voornoemde zonen zijn overleden, haar echtgenoot en haar zoon [zoon 3] al eerder zijn overleden, haar zoon [zoon 4] is meegenomen door de Taliban, haar dochters [dochter 1] en [dochter 2] in Oezbekistan en Iran verblijven en haar dochter [dochter 3] in Nederland verblijft.

Ter onderbouwing van haar relaas heeft eiseres tijdens de gehoren de volgende stukken overgelegd:

- tazkera van eiseres;

- tazkera van zoon [zoon 1] ;

- een kopie van de overlijdensakte van zoon [zoon 2] ;

- overlijdensakte van zoon [zoon 3] ;

- twee Griekse documenten omtrent het overlijden van zoon [zoon 1] ;

- een kopie van een kaart voor pensioen martelaarschap van haar echtgenoot.

Bij haar zienswijze heeft eiseres voorts de volgende stukken overgelegd:

- medische verklaring van drs. [arts] , arts, van 17 januari 2020.

- medisch dossier van eiseres, bijgewerkt tot 6 februari 2020.

3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;

- eiseres heeft verklaard dat haar man en zoon [zoon 3] zijn overleden door de burgeroorlog in Afghanistan;

- eiseres heeft verklaard dat haar zoon [zoon 4] is meegenomen door de Taliban;

- eiseres heeft verklaard dat haar zoon [zoon 2] is overleden door een auto-ongeluk;

- eiseres heeft verklaard dat haar zoon [zoon 1] is overleden tijdens zijn verblijf in Griekenland;

- eiseres heeft verklaard dat haar dochters [dochter 1] en [dochter 2] in Oezbekistan en Iran verblijven;

- eiseres heeft verklaard dat haar dochter [dochter 3] in Nederland verblijft;

- eiseres heeft verklaard dat zij een weeskind was en verder geen familie heeft in Afghanistan;

- eiseres heeft verklaard dat zij na het overlijden van haar zoon [zoon 2] problemen heeft ondervonden met haar schoondochter over het huis.

4. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als ongegrond.

Verweerder heeft de verklaringen van eiseres over haar identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Gelet op de twee overgelegde Griekse documenten heeft verweerder eiseres ook gevolgd in haar verklaringen dat haar zoon [zoon 1] in Griekenland is overleden. Verweerder heeft daarbij wel opgemerkt dat de verklaringen van eiseres omtrent de gezondheid van [zoon 1] niet overeenkomen met de verklaringen die haar dochter [dochter 3] tijdens haar asielprocedure heeft afgelegd. Gezien de overgelegde Griekse documenten, wordt eiseres ondanks de tegenstrijdige verklaringen over de gezondheid van [zoon 1] wel gevolgd in haar verklaringen over zijn overlijden in Griekenland. Tevens heeft verweerder eiseres gevolgd in haar verklaring dat haar dochter [dochter 3] in Nederland verblijft, alsmede dat het zou kunnen dat haar dochters [dochter 1] en [dochter 2] in het buitenland wonen en eiseres geen contact meer met hen heeft.

Verweerder heeft eiseres niet gevolgd in haar stelling dat haar echtgenoot en haar zoon [zoon 3] zijn overleden. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er gerede twijfel bestaat aan de verklaringen van eiseres ten aanzien van haar overige gezins- en familieleden in Afghanistan, waardoor zij deze verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt. Tot slot heeft verweerder de verklaringen van eiseres over de gestelde problemen met haar schoondochter niet geloofwaardig geacht. Eiseres kan volgens verweerder derhalve niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76), (het Vluchtelingenverdrag). Eiseres heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van ‘more than normal emotional ties’ tussen eiseres en haar in Nederland verblijvende, meerderjarige dochter [dochter 3] , waardoor het weigeren van verblijf in Nederland geen strijd oplevert met het recht op familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarnaast is in het geval van eiseres geen sprake van een samenstel van bijzondere omstandigheden die zich in Nederland voordoen, waardoor zij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), aldus verweerder. Eiseres komt wel in aanmerking voor tijdelijke toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling van artikel 64 van de Vw 2000. Het uitstel van vertrek is verleend voor de duur van maximaal 6 maanden.

5. Eiseres kan zich met deze beslissing niet verenigen en stelt – samengevat weergegeven – dat verweerder zowel tijdens de gehoren als bij het beslissen onvoldoende rekening heeft gehouden met haar lichamelijke en geestelijke beperkingen. Eiseres beroept zich hierbij op de Werkinstructie 2010/13 (Behandeling van medisch advies-zaken) en de Werkinstructie 2015/8 (Instructie bijzondere procedurele waarborgen). Gelet op haar leeftijd en medische situatie zijn haar ten onrechte inconsistente verklaringen tegengeworpen. Daarnaast zijn de verklaringen van haar in Nederland wonende dochter onvoldoende meegewogen ter verbetering van de verklaringen van eiseres. Eiseres twijfelt daarnaast aan de volledigheid en nauwkeurigheid van het advies van de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (FMMU) van 13 november 2018, gelet op de door eiseres inmiddels overgelegde medische informatie. Ook heeft de FMMU op het formulier niet de vraag beantwoord op welke wijze de aanwezige medische klachten kunnen interfereren met het horen. Verweerder heeft voorts ten onrechte geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot het doen van een medisch onderzoek als bedoeld in artikel 18 van Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn), artikel 3.109e van het Vb 2000 en paragraaf C1/4.4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

Eiseres voert verder aan dat zij te goeder trouw documenten heeft overgelegd die volgens haar dochter deels onjuist blijken te zijn. Dat documenten niet juist zijn, wil echter niet zeggen dat kan worden geconcludeerd dat het overlijden van haar echtgenoot en zoon [zoon 3] niet geloofwaardig is en dat er gerede twijfel dient te zijn aan het overlijden van zoon [zoon 2] en de vermissing van zoon [zoon 4] .

Gelet op de ondersteunende verklaringen van de dochter, dienen deze volgens eiseres als geloofwaardig te worden bestempeld. Het is, gelet op de geloofwaardig bevonden identiteit, nationaliteit en herkomst, de verklaringen van de dochter van eiseres en (een deel van) de overgelegde documenten, tezamen met de situatie in Afghanistan zoals die bekend is uit algemene bronnen van landeninformatie, voldoende aannemelijk dat de mannelijke gezinsleden van eiseres zijn overleden en haar vrouwelijke gezinsleden zich in het buitenland bevinden. Er zijn geen andere gezinsleden meer in Afghanistan die voor eiseres kunnen zorgen bij terugkeer. Eiseres kan niet alleen worden teruggestuurd naar Afghanistan zonder zekerheid dat haar gezinsleden daar nog wonen.

Ten aanzien van de gestelde problemen met haar schoondochter, stelt eiseres dat het wel aannemelijk is dat zij kans heeft gezien haar huis te verkopen en dat de opmerkingen van verweerder hierover speculatief zijn. Eiseres stelt daarnaast dat de kwalificaties van haar verklaringen als ‘bijzonder’ en ‘niet logisch’, onvoldoende zijn om tot ongeloofwaardigheid te komen.

Tot slot beroept eiseres zich op haar bijzonder schrijnende situatie. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat haar omstandigheden niet bijzonder en individueel van aard zijn. Eiseres is op zeer jonge leeftijd uitgehuwelijkt en moeder geworden, heeft geen opleiding kunnen genieten, is slachtoffer van huiselijk geweld, heeft meerdere dierbaren verloren, heeft ernstige medische problemen, is op hoge leeftijd en heeft geen netwerk in Afghanistan. Er zijn sterke aanwijzingen dat zij zich bij terugkeer niet zal kunnen handhaven, mede gelet op gender gerelateerde aspecten en de algemeen bekende, slechte positie van vrouwen in Afghanistan.

Ter onderbouwing heeft eiseres de volgende stukken overgelegd:

- medisch dossier van eiseres, bijgewerkt tot 23 juni 2020;

- e-mail van I. Ntagengerwa, POH GGZ Almelo/Hengelo, van 6 februari 2020.

6. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

FMMU-advies

7.1.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat verweerder ervan mag uitgaan dat een overeenkomstig het Protocol opgesteld FMMU-advies voldoet aan de vanuit een oogpunt van vakkundigheid te stellen eisen en zorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank verwijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2086, onder 8.1 en 8.2). Verweerder dient zich ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht ervan te vergewissen dat een door de FMMU uitgebracht advies naar totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Als de vreemdeling ná het uitbrengen van het FMMU-advies, maar vóór het afnemen van de gehoren medische informatie inbrengt die de FMMU niet bekend was ten tijde van het opstellen van dat advies, vereist de zorgvuldigheid dat verweerder onderzoekt wat deze informatie betekent voor het horen van de vreemdeling en zo nodig de FMMU daarover raadpleegt.

7.2.

De rechtbank stelt vast dat eiseres voorafgaand aan de gehoren geen medische informatie heeft ingebracht. Hoewel de gemachtigde van eiseres bij brief van 4 maart 2019 voorafgaand aan het eerste gehoor en in de correcties en aanvullingen op het rapport van het eerste gehoor, diverse medische klachten van eiseres heeft aangevoerd, was deze informatie gebaseerd op de eigen waarnemingen van de gemachtigde en werden deze klachten niet met medische stukken onderbouwd. De in beroep aangevoerde stelling van eiseres dat het FMMU-advies van 13 november 2018 niet volledig en nauwkeurig zou zijn, nu de FMMU in het formulier niet heeft beantwoord op welke wijze de aanwezige medische klachten van invloed kunnen zijn op het horen, volgt de rechtbank niet. In het FMMU-advies en het daaraan ten grondslag liggende dossier, staat onder punt 3b. opgenomen: “Er zijn wel medische klachten geconstateerd, echter hieruit voort vloeien geen beperkingen die relvant [sic] zijn voor het horen en/of beslissen.” De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de enkele stelling dat eiseres uit beleefdheid zou hebben gezegd dat het goed met haar gaat, niet maakt dat de conclusie van de FMMU dat eiseres gehoord kon worden, onjuist zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op het voorgaande niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld en heeft verweerder het FMMU-advies van 13 november 2018 terecht aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

Vermogen om te verklaren

7.3.

Voorts volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat als uitgangspunt geldt dat verweerder en de bestuursrechter van de door de vreemdeling tijdens de gehoren afgelegde verklaringen mogen uitgaan. Daarvoor is wel onder meer vereist dat de gehoorambtenaar tijdens de gehoren rekening houdt met eventuele beperkingen die blijken uit het FMMU-advies en die voor het horen relevant zijn. Ook moet de gehoorambtenaar tijdens het horen alert blijven op signalen dat de vreemdeling niet in staat is zijn asielrelaas naar voren te brengen of vragen daarover te beantwoorden. Verder is vereist dat uit de verslagen van de gehoren niet blijkt dat de vreemdeling onmiskenbaar niet in staat is geweest zijn asielrelaas naar voren te brengen en vragen daarover te beantwoorden. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraken van de Afdeling van 27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2086) en van 19 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:551).

7.4.

Zoals reeds is overwogen onder 7.2., blijkt uit het FMMU-advies van 13 november 2018 dat eiseres kan worden gehoord en dat uit de bij haar geconstateerde medische klachten geen beperkingen voortvloeien die relevant zijn voor het horen dan wel het beslissen.

7.5.

Verder blijkt uit de rapporten van de gehoren dat de betreffende gehoormedewerkers alert waren op signalen dat eiseres niet in staat was haar asielrelaas naar voren te brengen of vragen daarover te beantwoorden. Zo hebben de gehoormedewerkers eiseres gevraagd of zij zich in staat voelde het betreffende gehoor te laten plaatsvinden, waarop eiseres steeds bevestigend heeft geantwoord. Verder hebben de gehoormedewerkers eiseres erop gewezen dat zij te kennen moest geven wanneer zij behoefte had aan een pauze. Van deze mogelijkheid heeft eiseres tijdens het eerste gehoor en het nader gehoor gebruik gemaakt. Tevens zijn door de gehoormedewerkers zelf pauzes ingelast. De gehoormedewerkers hebben eiseres ook tijdens de gehoren gevraagd hoe het met haar ging dan wel of zij in staat was het gehoor voort te zetten. Verder hebben de gehoormedewerkers eiseres na afloop van het betreffende gehoor gevraagd of zij opmerkingen had over de manier waarop het betreffende gesprek was verlopen en heeft eiseres hierop steeds ontkennend geantwoord. Ook de medewerkers van Vluchtelingenwerk Nederland, die aanwezig waren bij het eerste gehoor en het nader gehoor, hebben tijdens de gehoren geen opmerkingen gemaakt over de wijze waarop de gehoren zijn verlopen. De gemachtigde heeft dit ook niet gedaan in de correcties en aanvullingen op het rapport van het aanmeldgehoor en het eerste gehoor. Ten aanzien van het rapport van het nader gehoor heeft de gemachtigde in de correcties en aanvullingen het volgende opgemerkt: “[Eiseres] vond het nader gehoor heel erg zwaar, hetgeen ook blijkt uit het verslag. Ze geeft aan dat het erg lang duurde, ik kreeg het een paar keer heel erg benauwd en ben bijna flauwgevallen. Het ging zo slecht met mij, iemand van VVN nam me bij de arm en nam me mee naar buiten, dat was heel lief. Ook kreeg ik anderhalf uur pauze om bij te komen. Ik wilde het gehoor graag afmaken zodat ik maar één dag hoefde te vertellen over mijn problemen. Ik kreeg pauzes als ik het nodig had. [Eiseres] is tevreden over de bejegening, Wel zijn mede door haar lichamelijke en geestelijke beperkingen (ouderdom, analfabetisme etc.) wat fouten in het gehoor geslopen.” In het licht van hetgeen in zoverre naar voren komt over het verloop van het nader gehoor, is de omstandigheid dat eiseres op leeftijd is, analfabeet is en tijdens het nader gehoor een aantal maal gepauzeerd heeft vanwege kortademigheid, om haar benen te strekken, wat water te drinken en even tot rust te komen, onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat eiseres onmiskenbaar niet in staat was haar asielrelaas naar voren te brengen en vragen daarover te beantwoorden. De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat uit de rapporten van de gehoren blijkt dat voldoende rekening is gehouden met de behoeftes van eiseres.

7.6.

Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij niet in staat was om adequaat te verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat zij daar niet in is geslaagd. Eiseres heeft geen rapport van een medisch deskundige overgelegd waaruit blijkt dat zij ten tijde van het aanmeldgehoor op 26 oktober 2018, het eerste gehoor op 8 maart 2019 dan wel het nader gehoor op 18 april 2019 niet consistent, coherent of volledig kon verklaren. Eiseres heeft weliswaar haar patiëntendossier overgelegd waaruit blijkt dat zij sinds 7 mei 2019 onder andere geheugenproblemen ervaart en vergeetachtig is, maar verweerder betoogt terecht dat hieruit nog niet volgt dat zij ten tijde van de gehoren niet in staat was om heldere en consistente verklaringen af te leggen. Evenmin volgt hieruit dat verweerder hierdoor verplicht was nader onderzoek te doen naar het vermogen van eiseres om te verklaren. Zoals verweerder terecht aanvoert, blijkt ook niet uit het FMMU-advies van 13 november 2018 dat eiseres niet in staat was om helder en consistent te verklaren. Verweerder is gelet op het voorgaande terecht uitgegaan van de verklaringen van eiseres die zij tijdens de gehoren heeft afgelegd. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1211). De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres gelet op paragraaf C1/4.4.4 van de Vc 2000 ook op eigen initiatief en kosten een forensisch medisch onderzoek kan regelen in geval verweerder een dergelijk onderzoek niet relevant vindt, hetgeen zij niet heeft gedaan.

Geloofwaardigheid van het asielrelaas

7.7.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het overlijden van de echtgenoot van eiseres, het overlijden van zoon [zoon 3] , het overlijden van zoon [zoon 2] , alsmede de verdwijning van zoon [zoon 4] door de Taliban niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden. Daartoe heeft verweerder kunnen overwegen dat eiseres in de gehoren niet consistent heeft verklaard, zij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd met hetgeen haar dochter [dochter 3] heeft verklaard ten tijde van haar asielprocedure, en voorts dat eiseres ter onderbouwing van het overlijden van haar echtgenoot en zoon [zoon 3] documenten heeft overgelegd (te weten een door Bureau Documenten echt bevonden overlijdensakte van haar zoon [zoon 3] en een kopie van een kaart voor pensioen martelaarschap van haar echtgenoot), die gelet op haar eigen verklaringen en de verklaringen van haar dochter [dochter 3] inhoudelijk niet juist blijken. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat ten aanzien van dermate aangrijpende gebeurtenissen van eiseres verwacht mag worden dat zij consistent en/of meer concreet kan verklaren over deze gebeurtenissen en wanneer deze hebben plaatsgevonden, hetgeen zij niet heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het voorgaande voldoende gemotiveerd uiteengezet in de besluitvorming en in het verweerschrift. Anders dan eiseres heeft betoogd, blijkt bovendien uit de besluitvorming dat verweerder de verklaringen van dochter [dochter 3] heeft betrokken in de beoordeling van het asielrelaas van eiseres. Dit neemt echter niet weg dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van eiseres en haar dochter, en dat eiseres daarnaast ter onderbouwing van haar asielrelaas documenten heeft overgelegd die inhoudelijk niet juist blijken, waardoor het overlijden van haar echtgenoot, het overlijden van zoon [zoon 3] , het overlijden van zoon [zoon 2] alsmede de verdwijning van zoon [zoon 4] door de Taliban, niet aannemelijk zijn gemaakt.

Voorts heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat, nu het gestelde overlijden van zoon [zoon 2] niet geloofwaardig is bevonden, eiseres reeds hierom niet wordt gevolgd dat zij problemen heeft ondervonden met haar schoondochter.

Voorts heeft verweerder kunnen overwegen dat de verklaringen van eiseres over de gestelde problemen met haar schoondochter ook op zichzelf niet overtuigen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het voorgaande voldoende gemotiveerd uiteengezet in de besluitvorming en in het verweerschrift.

Verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

7.8.

Uit het beleid van verweerder, vastgelegd in paragraaf B11/2.5 van de Vc 2000, en uit artikel 3.6ba van het Vb 2000, volgt dat verweerder tot het moment waarop de beslissing op een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onherroepelijk is geworden, ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan verlenen onder een andere beperking dan voorzien in artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000, indien sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen. Verweerder maakt terughoudend gebruik van deze bevoegdheid om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder een andere beperking dan voorzien in artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000.

Verweerder verstaat onder bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 3.6ba van het Vb 2000 in ieder geval dat omstandigheden individueel van aard zijn. Tenzij in genoemde paragraaf van de Vc 2000 anders is bepaald, kent verweerder niet op voorhand een bepaald gewicht toe aan omstandigheden. Hoe omstandigheden meewegen in de beoordeling hangt af van het samenstel van aangevoerde omstandigheden. Verweerder hanteert geen limitatieve opsomming van te betrekken omstandigheden. Bijzondere en individuele omstandigheden kunnen – onder meer – hun oorzaak vinden in:

- ( Ernstige) medische problemen (van één of meerdere gezinsleden);

- Overlijden in Nederland van een gezinslid;

- Gender gerelateerde aspecten met name eerwraak en huiselijk geweld; of

- Traumatiserende ervaringen die in Nederland hebben plaatsgevonden.

Verweerder maakt alleen gebruik van deze bevoegdheid indien sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die zich in Nederland voordoen.

7.9.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de door eiseres bij haar zienswijze en in beroep aangevoerde omstandigheden in het bestreden besluit en het verweerschrift kenbaar heeft betrokken. Zo heeft verweerder betrokken dat eiseres een Afghaanse, analfabetische vrouw op leeftijd is, die op jonge leeftijd is uitgehuwelijkt en geen opleiding heeft genoten. Verweerder heeft voorts betrokken dat, gelet op de geloofwaardigheidsbeoordeling van haar asielrelaas, niet geloofwaardig wordt geacht dat eiseres als alleenstaande vrouw in Afghanistan als bedoeld in paragraaf C7/2.4.5 van de Vc 2000 dient te worden aangemerkt en dat niet aannemelijk is dat zij geen netwerk zou hebben bij terugkeer. Verweerder heeft verder overwogen dat eiseres sinds 22 oktober 2018 in Nederland verblijft en dat niet gebleken is dat sindsdien bijzondere en individuele omstandigheden zijn ontstaan. Hoewel geloofwaardig is geacht dat de zoon van eiseres in Griekenland is overleden en begraven, is geen sprake van het overlijden van een gezinslid in Nederland. Verweerder heeft zich daarnaast op het standpunt kunnen stellen dat de kwestie van huiselijk geweld pas in beroep is aangevoerd en heeft derhalve terecht geconcludeerd dat van de voornoemde voorbeelden uit paragraaf B11/2.5 van de Vc 2000 enkel de medische problematiek van toepassing is, waarvan de ernst nader onderzocht zal worden in de procedure ten aanzien van artikel 64 van de Vw 2000.

7.10.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het geval van eiseres geen sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die zich in Nederland voordoen die aanleiding geeft tot het ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Verweerder heeft kunnen overwegen dat de voornoemde omstandigheden daartoe niet voldoende zijn.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Frieling, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment, voor zover nodig, alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is gedaan op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.