Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7488

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
09/817096-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 37-jarige man wordt veroordeeld voor een poging tot doodslag en een poging tot afpersing gepleegd tegen een willekeurige voorbijganger. Het slachtoffer is in het gezicht, de borst en de arm gestoken. Dit heeft grote gevolgen gehad voor zijn lichamelijke en geestelijke gezondheid. De deskundigen in deze zaak hebben geconcludeerd dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar lijkt en behandeling nodig heeft voor zijn persoonlijkheidsstoornissen. Gelet op het hoge recidiverisico, het gebrekkige ziektebesef en ziekte-inzicht en de neiging van de verdachte om verantwoordelijkheden buiten zichzelf te leggen, is de rechtbank van oordeel dat tbs met dwangverpleging aangewezen is. Binnen dit kader kan de verdachte op de juiste manier en op het juiste beveiligingsniveau zal worden behandeld. Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf op van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0555
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/817096-20

Datum uitspraak: 10 augustus 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [… 1]

in [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 20 mei 2020 (pro forma) en 27 juli 2020 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P. de Jonge, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. W.J. Koops, naar voren is gebracht.

[benadeelde] heeft zich in deze strafzaak als benadeelde partij gevoegd. Hij werd ter terechtzitting bijgestaan door mr. M.P. de Klerk.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 januari 2020 te ‘s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [benadeelde] van het leven te beroven, opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken in het lichaam (arm en/of bovenlichaam en/of gezicht) van de zich in zijn, verdachtes, nabijheid bevindende [benadeelde] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 04 januari 2020 te ‘s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde] te dwingen tot afgifte van geld en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan deze of aan een derde, te weten aan [benadeelde] toebehoorde

- [benadeelde] vast heeft gepakt en/of beet heeft gepakt en/of een mes tegen de keel van die [benadeelde] heeft gehouden, en/of

-(dreigend) (meermalen) tegen die [benadeelde] heeft gezegd: “geef je geld, ik maak geen geintje, geef je geld”, althans woorden van soortgelijke strekking en/of

- [benadeelde] heeft geslagen er/of gestompt en/of geduwd en/of geschopt en/of getrapt

- [benadeelde] meermalen heeft gestoken met een mes (of - ander-) puntig voorwerp/steekwapen in zijn onderarm en/of borst(vlak) en/of gezicht/hoofd,

welk geweld (onder meer) zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft (gehad) te weten:

-een afgestorven (onder)armspier en/of

- (aan) gezichtsletsel,

-letsel/littekens aan de long/borst,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

De volgende feiten kunnen op grond van de beschikbare bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpositie voor de beantwoording van de bewijsvraag.

De verklaringen van aangever [benadeelde]

Op 5 januari 2020 heeft [benadeelde] aangifte gedaan van een poging tot straatroof. Hij verklaarde dat hij op 4 januari op de [… 1] was in Den Haag. Hij liep naar de [bank] om geld te storten op zijn rekening. Hij had het geld, 3 keer een 50 eurobiljet, in zijn hand en de pinpas stopte hij in de bankautomaat. Hij voelde dat hij opeens gegrepen werd. Er stond iemand achter hem, die persoon had zijn linkerhand op het voorhoofd van [benadeelde] en hield een mes over [benadeelde] heen tegen zijn keel aan. [benadeelde] hoorde de man zeggen: “Geef je geld, ik maak geen geintje, geef je geld". De man haalde het mes van de keel van [benadeelde] af en liet [benadeelde] een beetje los. [benadeelde] kon zich een beetje omdraaien en zag het mes. [benadeelde] zei tegen de man: “Rustig, rustig”. De man zei weer een paar keer “geef je geld” en begon op [benadeelde] in te steken. De eerste keer werd [benadeelde] geraakt over zijn borst en vervolgens bleef de man op hem insteken. [benadeelde] probeerde deze steekbewegingen te ontwijken en de [bank] uit te komen. De man pakte [benadeelde] aan zijn arm vast om hem tegen te houden. De man stak [benadeelde] en het mes zat nog in de onderarm van [benadeelde] . [benadeelde] is uiteindelijk weggerend.2

In een aanvullende verklaring heeft [benadeelde] verklaard dat het mes waarmee hij gestoken werd helemaal door zijn arm is gegaan. De pezen zijn doorgesneden en er is ook een stuk spier afgestorven. Deze spier zou volgens de arts weer aangroeien. Hij heeft bij zijn borst geluk gehad, omdat hij naast zijn buitenlong geprikt is. Volgens de artsen was dit wel diep, maar ze hebben niet gezegd hoe diep. De wond in de borst was ongeveer 2 à 3 centimeter breed. In zijn gezicht had hij zes hechtingen, want hij had daar ook een diepe verwonding.3

De politie heeft op 11 januari 2020 telefonisch contact gehad met [benadeelde] . Hij lag op dat moment nog in het ziekenhuis en kreeg zware medicijnen tegen de pijn. Hij had in zijn arm meer dan 50 hechtingen, in zijn gezicht enkele hechtingen en in zijn borst. Hij moest nog zeker vier weken in het gips met zijn arm omhoog liggen. Over twee weken zouden de hechtingen eruit mogen.4

Medische informatie

Uit een geneeskundige verklaring van 13 maart 2020 blijkt dat [benadeelde] op 4 januari 2020 is onderzocht en dat bij hem het volgende letsel is geconstateerd:

“Uitwendig waargenomen letsel:

Wond rechterwang

Wond borstkas

Wond linkerarm

(…)

Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel? Ja

(…)

Doorsnijding van alle strekpezen van de onderarm en pols links waarvoor operatie

Geschatte duur van de genezing: Vele maanden.” 5

Camerabeelden

Op beelden van de [bank] zag een verbalisant dat op 4 januari 2020 om 18:23:35 uur een man aan kwam fietsen op een zwarte damesfiets. De man had het volgende signalement: getinte huidskleur, ongeveer 30 à 45 jaar oud, zwarte snor, donkere jas, capuchon op, zwarte sjaal voor zijn mond en zwarte broek.

Om 18:23:34 uur liep het slachtoffer de ruimte van de [bank] binnen. Om 18:24:46 uur liep de man de ruimte van de [bank] binnen die hierboven beschreven is. De man pakte direct het slachtoffer vast met zijn linkerarm bij het hoofd van het slachtoffer, hield een groot mes vast met zijn rechterhand en hield deze tegen de keel van het slachtoffer. Het mes zag er als volgt uit: groot vleesmes van ongeveer 20 cm lang en een zilver snijvlak. Het slachtoffer probeerde het mes weg te duwen en praatte tegen de man. Het slachtoffer en de man raakten in een worsteling waarbij het slachtoffer los probeerde te komen van de man. De man hield nog steeds het mes vast in zijn rechterhand. Het slachtoffer verliet de ruimte en probeerde linksaf te rennen in de richting van de [… 1] . Op het moment dat het slachtoffer de ruimte verliet had de man hem nog vast met zijn linkerhand. De man bracht zijn rechterarm naar achter en maakte een stekende beweging in de richting van het slachtoffer.6

In het onderzoek naar betrokkenen bij het steekincident, zijn de hierboven genoemde camerabeelden getoond op TV-West. Naar aanleiding van die uitzending hebben drie familieleden van de verdachte zich (afzonderlijk van elkaar) gemeld bij de politie met de mededeling dat zij op de beelden de verdachte herkenden.7 Op basis daarvan is er een verdenking jegens de verdachte gerezen. De vraag is nu of de verdachte bij bovenstaand incident betrokken is geweest.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig zijn op schrift gestelde requisitoir, gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, overeenkomstig zijn pleitnota, op het standpunt gesteld dat er weliswaar voldoende wettig bewijs is, maar dat het de vraag is of dit wettig bewijs ook overtuigend is. Hij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de bewijsmiddelen. Hij heeft opmerkingen gemaakt over de kwalificatie van feit 2 en daarvoor vrijspraak verzocht.

Op specifieke standpunten van de verdediging zal – voor zover relevant – hierna worden ingegaan.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

In beslag genomen goederen

Op 20 februari 2020 heeft de politie het huis van de verdachte aan de [adres] doorzocht en – onder meer – de volgende goederen in beslag genomen.

Achter de voordeur, in de gang: Zwartkleurige bodywarmer.

Slaapkamer op het bed: Grijskleurig vest/jas.

Gangkast: Zwarte werkhandschoenen.8

Een verbalisant heeft de in beslag genomen goederen vergeleken met de foto’s van de camerabeelden. De vorm van het logo op de handschoenen op de camerabeelden komt overeen met het logo op de in beslag genomen handschoenen. Het opvallende driehoekje op de in beslag genomen handschoenen is ook zichtbaar op de camerabeelden. De rand van de in beslag genomen bodywarmer bij de mouw, de stiksels en de zwarte rand op de capuchon zijn ook te zien op de camerabeelden.9

Rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut

Het Nederlands Forensisch Instituut heeft onderzoek gedaan aan de aangetroffen handschoenen. Op de onderkant van de wijsvinger aan de buitenzijde van de rechterhandschoen is bloed aangetroffen (AANC3393NL#01). Daarop is het DNA-mengprofiel van minimaal twee personen aangetroffen: een afgeleid DNA-hoofdprofiel van [benadeelde] en DNA-nevenkenmerken van de verdachte. De kans is kleiner dan 1 op 1 miljard dat het afgeleid DNA-hoofdprofiel van iemand anders is dan [benadeelde] .10

Uit een aanvullend rapport van het Nederlands Forensisch Instituut is nader onderzoek gedaan naar de volgende hypotheses:

  • -

    Hypothese 1: De bemonstering bevat DNA van slachtoffer [benadeelde] en de verdachte.

  • -

    Hypothese 2: De bemonstering bevat DNA van slachtoffer [benadeelde] en één willekeurige onbekende persoon.

Het verkregen DNA-mengprofiel AANC3393NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.11

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

De raadsman heeft als alternatief scenario opgeworpen dat niet valt uit te sluiten dat het feit gepleegd zou zijn door de huisgenoot van de verdachte, namelijk [huisgenoot] . Dit alternatief scenario is niet aannemelijk geworden. Een verbalisant heeft een foto van [huisgenoot] naast een foto van de camerabeelden van de [bank] bank gelegd en opvallende verschillen en overeenkomsten benoemd. De neuzen en de neusgaten van [huisgenoot] en de man op de foto hebben een andere vorm. [huisgenoot] heeft op zijn rechterwang een “pukkeltje” en bij de man op de foto is deze niet te zien. Beide personen hebben een zwarte snor, maar de snor van [huisgenoot] heeft een iets andere vorm dan de snor van de man op de foto.12 Gelet op het voorgaande wordt dit alternatief scenario verworpen.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de hierboven genoemde bewijsmiddelen tezamen en in onderling verband bezien niet anders worden uitgelegd dan dat de verdachte de persoon is geweest die [benadeelde] heeft gestoken. Allereerst werd de verdachte door drie familieleden, afzonderlijk van elkaar, herkend op de camerabeelden. In het huis van de verdachte zijn bovendien handschoenen aangetroffen met daarop het DNA van hemzelf en van [benadeelde] . Tot slot vertoont de kleding die in de woning van de verdachte is gevonden grote overeenkomsten met de kleding die op de camerabeelden te zien is.

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de verdachte degene is geweest die meerdere keren met een mes heeft gestoken in het lichaam van [benadeelde] .

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord hoe het handelen van de verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd. De verdachte heeft geen herinnering aan wat er op die dag is gebeurd. Bij gebrek aan een verklaring van de verdachte over waarom hij dit heeft gedaan, moet de rechtbank afgaan op wat objectief gezien vast te stellen is.

Het meerdere keren met een mes steken in een bovenlichaam levert naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer dat met de dood moet bekopen. In het bovenlichaam bevinden zich immers verschillende vitale organen. Uit het door [benadeelde] opgelopen letsel – wonden in het gezicht, de borstkas en de linkerarm – blijkt dat deze vitale organen in het geding zijn geweest. [benadeelde] heeft immers verklaard dat hij geluk heeft gehad dat hij naast zijn buitenlong is geprikt, terwijl die wond volgens de artsen wel diep was.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van fataal letsel gericht, dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank had de verdachte dan ook minst genomen het voorwaardelijk opzet op de dood van [benadeelde] .

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan.

Feit 2

De raadsman heeft om vrijspraak van feit 2 verzocht, omdat de ten laste gelegde bedreiging niet te horen is op de camerabeelden en daarom slechts op één bewijsmiddel rust, namelijk de aangifte. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van [benadeelde] dat deze woorden geuit zijn. Dat het enkele bewijs daarvoor uit de verklaring van [benadeelde] volgt, doet daar niets aan af. Niet ieder onderdeel van de tenlastelegging hoeft immers dubbel te worden belegd met een bewijsmiddel.

Ook heeft de raadsman betoogd dat geen sprake is van een poging tot afpersing omdat het steken met een mes geen afpersingshandeling is. Aan dat betoog gaat de rechtbank voorbij. Uit de aangifte en de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat het de verdachte te doen was om geld en dat hij in een worsteling met [benadeelde] terechtkwam toen deze weigerde zijn geld af te geven. Tijdens deze worsteling is [benadeelde] meerdere keren door de verdachte gestoken met het mes in zijn onderarm, borst en gezicht. De handelingen van de verdachte kunnen niet anders worden uitgelegd dan dat deze erop gericht waren om geld van [benadeelde] afhandig te maken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 ten laste gelegde poging tot afpersing heeft begaan. De verdachte zal partieel worden vrijgesproken van het gedachtestreepje slaan, stompen, duwen, schoppen en trappen omdat dat niet volgt uit de bewijsmiddelen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 4 januari 2020 te ‘s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven, opzettelijk met een mes meermalen heeft gestoken in het lichaam (arm en bovenlichaam en gezicht) van de zich in zijn, verdachtes, nabijheid bevindende [benadeelde] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 4 januari 2020 te ‘s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde] te dwingen tot afgifte van geld dat geheel aan [benadeelde] toebehoorde

- [benadeelde] vast heeft gepakt en een mes tegen de keel van die [benadeelde] heeft gehouden, en

- dreigend tegen die [benadeelde] heeft gezegd: “geef je geld, ik maak geen geintje, geef je geld”, en

- [benadeelde] meermalen heeft gestoken met een mes in zijn onderarm en borst en gezicht,

welk geweld onder meer zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft (gehad) te weten:

-een afgestorven onderarmspier en

- aangezichtsletsel, en

- letsel aan de borst,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar was.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich , met verwijzing naar het reclasseringsrapport, op het standpunt gesteld dat er een tussenvonnis dient te worden gewezen, zodat – zoals geadviseerd door de reclassering – een maatregelenrapport kan worden opgemaakt. Hij heeft zich verder over de strafbaarheid van de verdachte niet uitgelaten.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport van 1 mei 2020, opgemaakt door drs. S.H. van Schagen, GZ-psycholoog, en de aanvulling van 19 juni 2020. Deskundige Van Schagen concludeert dat bij de verdachte sprake is van een ander gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, zwakbegaafdheid en differentiaal diagnostisch een licht verstandelijke beperking en een stoornis in het gebruik van cannabis, cocaïne en alcohol, deels in remissie in een gereguleerde omgeving. Aangezien de verdachte bijna continue psychotisch is, al dan niet getriggerd of versterkt door het gebruik van middelen, het chronische karakter van de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid differentiaal diagnostisch een licht verstandelijke beperking en de langdurige verslaving aan middelen, is het aannemelijk dat er ten tijde van het tenlastegelegde hiervan ook sprake was. Deskundige Van Schagen kon geen betrouwbare uitspraken doen over de eventuele doorwerking van de aanwezige stoornissen op de tenlastegelegde feiten, aangezien de verdachte ten tijde van het eerste rapport nog een ontkennende verdachte was. Daardoor kon er ook vanuit gedragskundig oogpunt niets gezegd worden over de kans op herhaling van soortgelijke strafbare feiten, ook omdat er geen sprake is van een patroon van fysiek geweld. Er zijn wel risico factoren die in beeld kunnen worden gebracht, maar op grond daarvan kunnen er geen betekenisvolle uitspraken gedaan worden over toekomstig gewelddadig gedrag van de verdachte. De risico factoren zijn: schending van voorwaarden, slachtoffer van geweld (waaronder ernstige pesterijen) in jeugd, zowel gedwongen als vrijwillige behandelingen in het verleden, onderbroken schoolcarrière met perioden van absenties en problematisch arbeidsverleden, verslaving aan verschillende middelen (verleden en huidig [gereguleerd]), in het verleden instabiliteit met betrekking tot wonen en financiën. Positief is dat er geen patroon is van fysieke geweldsdelicten, er sprake is van een beperkte justitiële documentatie, er geen negatieve beïnvloeding lijkt te zijn vanuit criminele organisaties of personen, dat geen sprake is van een antisociale houden en dat hij al acht jaar zelfstandige woonruimte heeft kunnen behouden. De verdachte staat open voor hulp bij praktische zaken (zoals bij zijn financiën en dagbesteding) en bij het abstinent blijven van middelen. De verdachte is gemotiveerd voor het gebruik van antipsychotica.

In het aanvullend rapport van 19 juni 2020 heeft deskundige Van Schagen als volgt gerapporteerd. De eerdere gehele ontkenning en het gebrek aan herinnering aan het hem tenlastegelegde kunnen vanuit gedragskundig oogpunt niet verklaard worden en zijn niet specifiek voor de ziekelijke stoornissen en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Het is niet onwaarschijnlijk dat de combinatie van de ziekelijke stoornissen en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in enige mate hebben doorgewerkt tot de totstandkoming van de tenlastegelegde feiten. Het is echter niet mogelijk dit verder te preciseren, aangezien er geen nauwkeurige forensische analyse heeft kunnen plaatsvinden. Amnesie is niet specifiek voor de ziekelijke stoornissen of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens die bij de verdachte aanwezig zijn. Middelengebruik kan mogelijk wel leiden tot een afname van het korte termijn geheugen. Het is echter onduidelijk of, wat en hoeveel de verdachte gebruikt heeft voorafgaand aan het tenlastegelegde. Over wat dit mogelijk zegt over het toekomstbeeld van de verdachte kan vanuit gedragskundig oogpunt geen uitspraak gedaan worden. De verdachte heeft de neiging om de verantwoordelijkheid voor problemen buiten zichzelf te plaatsen.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport van 1 mei 2020, opgemaakt door drs. B.E.A. van der Hoorn, psychiater in samenwerking met C.E. Brom-Zoet, psychiater in opleiding, en de aanvulling van 20 juni 2020. De psychiaters concluderen dat bij de verdachte sprake is van schizofrenie, minimaal zwakbegaafdheid en een stoornis in het gebruik van cocaïne, cannabis en alcohol. Dit is zeer waarschijnlijk matig tot ernstig. De verdachte heeft ontkend in die zin dat hij zegt zich het gebeuren niet te herinneren, waardoor het niet mogelijk was te onderzoeken of deze stoornissen aanwezig waren ten tijde van het tenlastegelegde. De verdachte heeft wel gezegd de afgelopen drie jaar dagelijks in meer of mindere mate last te hebben gehad van psychotische symptomen en dagelijks cocaïne, cannabis en alcohol te hebben gebruikt tot eind januari 2020. Door de ontkennende houding van de verdachte kunnen de psychiaters ook geen uitspraken doen over de toerekening aan de verdachte of het recidiverisico.

In het aanvullende rapport van 20 juni 2020 heeft deskundige Van der Hoorn als volgt gerapporteerd. De door de verdachte aangegeven retrograde amnesie kan en zijn eerdere stellige ontkenning kunnen, vanuit psychiatrische expertise, niet goed verklaard worden. De door de verdachte aangegeven amnesie is absoluut niet specifiek voor de combinatie van psychopathologie zoals deze bij de verdachte speelt. Er is gedeeltelijk een link te leggen tussen het ziektebeeld en het (gepleegde) strafbare feit. De psychiater is van mening dat er wel een relatie is tussen de combinatie van psychopathologie en de hem ten laste gelegde feiten, zonder de mate ervan precies te kunnen duiden. De verdachte heeft de neiging verantwoordelijkheden buiten zichzelf te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat de rapportages op deugdelijke wijze tot stand zijn gekomen. Zij kan zich verenigen met de overwegingen en de conclusies van de deskundigen en neemt deze dan ook tot uitgangspunt.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, er van uit gegaan moet worden dat er bij de verdachte ernstige persoonlijkheidsstoornissen bestaan. De rechtbank stelt vast dat bij de verdachte sprake is van een ander gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, zwakbegaafdheid en differentiaal diagnostisch een licht verstandelijke beperking en een stoornis in het gebruik van cannabis, cocaïne en alcohol, deels in remissie in een gereguleerde omgeving. Hoewel er vanuit gedragskundig oogpunt geen uitspraken gedaan kunnen worden over de toerekeningsvatbaarheid, overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op het duurzame karakter van deze stoornissen, de aard van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze heeft begaan, acht de rechtbank een verband tussen de bewezenverklaarde feiten en de bij de verdachte bestaande stoornissen eveneens aannemelijk. Daarbij heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat de verdachte al gedurende langere tijd psychotisch is. Om deze reden acht de rechtbank de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Dit betekent dat de verdachte wel strafbaar is voor de door hem gepleegde feiten.

6 De oplegging van straf en maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging en een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Hij heeft subsidiair (namelijk voor het geval dat de rechtbank tbs met voorwaarden de meest geschikte maatregel zou achten) verzocht dat de rechtbank een tussenvonnis wijst, de zaak heropent en de reclassering opdracht geeft om een maatregelenrapport op te stellen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, zoals al vermeld, op het standpunt gesteld dat tussenvonnis dient te worden gewezen, zodat er conform het reclasseringsrapport een maatregelenrapport wordt opgemaakt.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich op 4 januari 2020 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en een poging tot afpersing gepleegd tegen een willekeurige voorbijganger, namelijk aangever [benadeelde] . Terwijl [benadeelde] bij de geldautomaat geld aan het storten was, werd hij uit het niets door de verdachte in een houdgreep genomen waarbij een mes op zijn keel werd gezet. Daarna heeft een worsteling plaatsgevonden en heeft de verdachte [benadeelde] meerdere keren in zijn bovenlichaam, gezicht en arm gestoken. De verdachte heeft daardoor het leven van [benadeelde] op het spel gezet. Dat het steken door de verdachte geen fatale afloop heeft gehad, is een gelukkige omstandigheid die niet is te danken aan het handelen van de verdachte.

[benadeelde] heeft ernstig letsel opgelopen, waardoor met name het functioneren van zijn pols/arm nog steeds, en hoogstwaarschijnlijk blijvend, ernstig is beperkt. Een half jaar na het incident is hij nog altijd niet in staat om te werken. Uit de voorgelezen slachtofferverklaring ter zitting blijkt hoe groot de gevolgen voor [benadeelde] zijn geweest en ook in de toekomst nog zullen zijn.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan buitengewoon ernstige misdrijven en heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde] . Deze feiten hebben zonder enige aanleiding plaatsgevonden en zijn zoals genoemd gepleegd tegen een willekeurige voorbijganger. Dergelijke gebeurtenissen leiden bovendien tot maatschappelijke onrust en angst.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van de verdachte van 26 juni 2020, waaruit blijkt dat hij eerder veroordeeld is, maar niet voor vergelijkbare feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op diverse rapportages over de verdachte, zoals de onder 5.3 genoemde rapportages van drs. S.H. van Schagen en van drs. B.E.A. van der Hoorn.

Van Schagen heeft in het advies van 1 mei 2020 opgemerkt dat het vanuit zorgoverwegingen wenselijk is dat de behandeling die voorafging aan detentie, wordt voortgezet (op dezelfde locatie of in een soortgelijke kliniek) gericht op het optimaliseren van de medicatie, abstinentie van middelen en op het opbouwen van een zinvolle dagstructuur, rekening houdend met de beperkte verstandelijke vermogens van de verdachte.

Ook Van der Hoorn heeft een behandeladvies gegeven. Hij adviseert een hermeting van het IQ en het in kaart brengen van het adaptief functioneren van de verdachte, zodat zijn verstandelijke vermogens specifieker geduid kunnen worden en de verdere behandeling hierop aangepast. Ten tijde van het onderzoek leek de anti-psychotische medicatie van de verdachte nog niet geoptimaliseerd. De psychiater acht het wenselijk hiernaar te kijken en eventueel de medicatie aan te passen om zijn kwetsbaarheid om psychotisch te ontregelen te verminderen. Verder wordt geadviseerd te proberen de nog kortdurende, gedwongen abstinentie van middelen te bestendigen. In verband met zijn beperkte verstandelijke vermogens is het belangrijk dat de verdachte brede ondersteuning krijgt op alle levensgebieden, zoals psychiatrische zorg en hulp bij financiën, huisvesting en daginvulling.

In aanvulling op de eerder uitgebrachte adviezen heeft deskundige Van der Hoorn ter terechtzitting van 27 juli 2020 verklaard dat de behandeling die de verdachte nodig heeft kan worden opgelegd door middel van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel of via de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden. Bij bijzondere voorwaarden bestaat het risico dat een verdachte die niet meewerkt zijn voorwaardelijke straf moet uitzitten en dan onbehandeld terugkeert in de maatschappij. Bij oplegging van een tbs-maatregel verloopt de terugkeer in de maatschappij meer geleidelijk.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het advies van GGZ Reclassering Fivoor Den Haag van 23 juli 2020, opgemaakt door [medewerker reclassering] . In het rapport wordt onder andere geschreven dat oplegging van bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke straf onvoldoende waarborg biedt. Als de verdachte zich binnen dat kader onttrekt aan de behandeling (bijvoorbeeld bij psychische ontregeling/decompensatie), kan de consequentie zijn dat een (deel van de) voorwaardelijke straf ten uitvoer wordt gelegd. De kans is daardoor aanwezig dat de verdachte uiteindelijk zonder afgeronde behandeling en benodigde kaders terugkeert in de maatschappij.

De reclassering schat het recidiverisico als hoog in, als wordt gekeken naar de voorgeschiedenis, de verslavingsproblematiek, de psychiatrische problematiek, het gebrekkige ziektebesef en ziekte-inzicht en de huidige psychosociale problemen. De mate van onmacht bij de verdachte is groot en er zijn weinig tot geen beschermende factoren. Ook het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt als hoog ingeschat.

Volgens de reclassering is voor waarborging van de benodigde behandeling een strikter kader nodig, zodat tbs met voorwaarden geïndiceerd is. Dit kader wordt noodzakelijk geacht om recidive te voorkomen en ter bevordering van de bescherming van de veiligheid van personen of goederen. De verdachte heeft langdurig intensieve hulp en ondersteuning nodig. Oplegging van een tbs met voorwaarden waarborgt behandeling en begeleiding gedurende een langere tijd en kan de verdachte perspectief bieden voor de toekomst. De reclassering adviseert, als dit kader van de tbs met voorwaarden in overweging wordt genomen, de zaak voor de duur van drie maanden aan te houden en de reclassering opdracht tot het uitbrengen van een maatregelenrapport te geven om de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van een dergelijke maatregel te onderzoeken.

Welke straf of maatregel is passend?

De deskundigen in deze zaak hebben geconcludeerd dat de verdachte moet worden behandeld voor zijn psychische problemen en dat hij hulp nodig heeft op nagenoeg alle levensterreinen. De rechtbank moet de vraag beantwoorden in welk kader deze behandeling moet plaatsvinden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Zoals al onder 5.3 overwogen, leed de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten aan een ander gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, zwakbegaafdheid en differentiaal diagnostisch een licht verstandelijke beperking en een stoornis in het gebruik van cannabis, cocaïne en alcohol, deels in remissie in een gereguleerde omgeving.

De deskundigen hebben het recidiverisico niet kunnen inschatten, gelet op de (aanvankelijk) ontkennende houding van de verdachte en het feit dat hij zegt zich niets meer te herinneren. Met de reclassering is de rechtbank echter van oordeel dat het recidiverisico als hoog moet worden ingeschat. De bewezenverklaarde feiten zijn zeer gewelddadig van aard, zonder dat daarvoor enige aanleiding bestond. Het strafblad van de verdachte laat zien dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor dergelijke misdrijven. Het is verder opmerkelijk dat de verdachte zegt geen enkele herinnering aan het voorval te hebben. De deskundigen hebben daarover gezegd dat dit niet past bij de persoonlijkheidsstoornis van de verdachte en dat enige mate van berekendheid niet kan worden uitgesloten. Daar komt bij dat de verdachte een gebrekkig ziektebesef en ziekte-inzicht heeft en de neiging heeft verantwoordelijkheden buiten zichzelf te leggen. Dit alles baart de rechtbank grote zorgen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een gevaar vormt voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen en dat behandeling van zijn stoornissen noodzakelijk en vereist is om herhaling te voorkomen. De rechtbank acht het onverantwoord om de verdachte zonder behandeling in de maatschappij te laten terugkregen. Om die reden is een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden in dit geval niet passend en is het strikte kader van de tbs-maatregel aangewezen.

Gelet op het hoge recidiverisico, het gebrekkige ziektebesef en ziekte-inzicht en de neiging van de verdachte om verantwoordelijkheden buiten zichzelf te leggen, ziet de rechtbank geen heil in het opleggen van tbs met voorwaarden. Dit kader is te licht om ervoor te zorgen dat de verdachte op de juiste manier en op het juiste beveiligingsniveau zal worden behandeld. Het risico is te groot dat de verdachte niet zal meewerken aan de voorwaarden, met alle gevolgen van dien. De rechtbank ziet dan ook geen andere mogelijkheid dan de terbeschikkingstelling van de verdachte te gelasten en daarbij te bepalen dat hij van overheidswege wordt verpleegd. Aan de wettelijke eisen daarvoor is voldaan. De door de verdachte begane feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist de oplegging van deze maatregel. Het veiligheidsrisico is, zoals uit het voorgaande blijkt, niet op een andere manier af te wenden.

Nu de tbs-maatregel zal worden opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, is sprake van een ongemaximeerde tbs als bedoeld in artikel 38e Sr en kan de totale duur van de op te leggen maatregel om die reden een periode van vier jaar te boven gaan.

Zoals onder 5.3 is overwogen, worden de bewezenverklaarde feiten de verdachte verminderd toegerekend. Zijn strafbaarheid is dus niet geheel uitgesloten. Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte, naast de tbs-maatregel, ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. Wat betreft de hoogte van de op te leggen straf heeft zij aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten (voor wat betreft feit 2) en bij straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De feiten rechtvaardigen het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank acht echter – gezien de verminderde toerekening van de feiten aan de verdachte – een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren passend en geboden.

De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen redenen om het onderzoek te heropenen, tussenvonnis te wijzen en een maatregelenrapportage op te laten maken.

7 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde] , bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P. de Klerk, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 28.854,81. Mr. De Klerk heeft verzocht dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Dit bedrag bestaat uit € 13.854,84 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 28.356,81, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de post beschadigde kleding gematigd dient te worden. De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor de post griffierecht civiele procedure.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de posten beschadigde kleding en gederfde inkomsten te matigen. Hij heeft verzocht om de rest van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, vanwege onevenredige belasting van het strafgeding. Hij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de immateriële schade.

7.3

Het standpunt van de benadeelde partij

De raadsman van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting de vordering toegelicht en gepersisteerd bij de ingediende vordering.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De posten eigen risico (€ 385,-) en kosten medische advisering (€ 242,-) zijn voldoende onderbouwd en zullen worden toegewezen. Dat de kleding van de benadeelde partij is beschadigd is voldoende onderbouwd, maar de omvang van de schade begroot de rechtbank naar billijkheid op € 350,-. Het meerdere van deze schadepost zal worden afgewezen. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 977,- aan materiële schade toewijzen.

Voor het overige van de vordering ten aanzien van de materiële schade zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de overige schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd. Voor vergoeding van het griffierecht in een civiele procedure is in deze strafrechtelijke procedure geen plaats.

Immateriële schade

Namens de verdachte is de immateriële schade niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook integraal toewijzen.

Totaal

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 15.977,-, bestaande uit € 977,- aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de immateriële schade toewijzen met ingang van 4 januari 2020, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. De wettelijke rente over de materiële schade zal worden toegewezen met ingang van 17 juli 2020, de datum waarop de vordering is ingediend.

Kosten

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, aangezien de verdachte ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht. De schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd voor een bedrag van € 15.977,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over de immateriële schade met ingang van 4 januari 2020 en over de materiële schade met ingang van 17 juli 2020, beide tot de dag van algehele voldoening. Als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 114 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 287 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

poging tot doodslag;

ten aanzien van feit 2:

poging tot afpersing, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaar;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van de veroordeelde en beveelt dat de veroordeelde van overheidswege zal worden verpleegd;

de vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 15.977,-, bestaande uit € 977,- aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over de immateriële schade met ingang van 4 januari 2020 en over de materiële schade met ingang van 17 juli 2020, beide tot de dag van algehele voldoening, te betalen aan [benadeelde] ;

wijst de vordering ten aanzien van de beschadigde kleding voor het meerdere af;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor zover de vordering niet is toegewezen of afgewezen;

bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en in de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.977, te vermeerderen met de wettelijke rente over de immateriële schade met ingang van 4 januari 2020 en over de materiële schade met ingang van 17 juli 2020, beide tot de dag van algehele voldoening, ten behoeve van [benadeelde] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 114 dagen; het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.A. Sturm, voorzitter,

mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, rechter,

mr. K.C.J. Vriend, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Schuttevaer en mr. M.N.D. Snel, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 augustus 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het SummIT-nummer: DH1R020004, [naam onderzoek] , van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Den Haag-Centrum, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 233).

2 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] van 5 januari 2020, p. 26-27.

3 Proces-verbaal van verhoor aangever [benadeelde] van 16 januari 2020, p. 38-39.

4 Proces-verbaal van bevindingen van 11 januari 2020, p. 84.

5 Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring van 13 maart 2020, p. 190.

6 Proces-verbaal van bevindingen van 6 januari 2020, p. 73-74.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 8 februari 2020, p. 54; proces-verbaal van verhoor [getuige 2] van 8 februari 2020, p. 56; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 23 februari 2020, p. 144.

8 Proces-verbaal van bevindingen van 20 februari 2020, p. 136.

9 Proces-verbaal van bevindingen van 1 mei 2020, p. 185-186.

10 Geschrift, te weten een NFI-rapport van 6 april 2020, p. 197-198.

11 Geschrift, te weten een NFI-rapport van 20 april 2020, p. 201.

12 Proces-verbaal van bevindingen van 14 april 2020, p. 182-183.