Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7472

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
13-08-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4720
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Pw, hoofdverblijf, onderzoek verweerder onvoldoende. Voorlopige voorziening is toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/4720

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 augustus 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. K. Lans),

en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, verweerder

(gemachtigde: M. Moberg).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een uitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben de voorzieningenrechter toestemming gegeven om de zaak zonder zitting schriftelijk af te doen.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Voordat kan worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, moet de voorzieningenrechter beoordelen of sprake is van een voldoende spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.

2. Verzoeker voert aan dat hij sinds maart 2020 geen enkele vorm van inkomen heeft. Hij loopt een maand achter met de huur en dreigt zijn woning kwijt te raken. De voorzieningenrechter ziet hierin reden om aan te nemen dat verzoeker voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek.

3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

4. Verzoeker ontving tot 1 maart 2020 een bijstandsuitkering. Verzoeker is in 2019 verschillende keren opgeroepen door de reïntegratieconsulent. Verzoeker heeft geen gehoor gegeven aan de oproepen. De bijstandsuitkering is vervolgens opgeschort en verzoeker is op 5 maart 2020 uitgenodigd voor een rechtmatigheidsonderzoek. Verzoeker is niet verschenen. De bijstandsuitkering is daarop bij besluit van 11 maart 2020 ingetrokken per 1 maart 2020. Tegen dit besluit heeft hij geen rechtsmiddelen aangewend. Op 17 april 2020 heeft verzoeker zich gemeld voor een bijstandsuitkering bij verweerder. Hij heeft daarbij aangegeven dat zijn bijstandsuitkering is ingetrokken, omdat hij niet thuis was. Aan verzoeker is schriftelijk meegedeeld dat hij het aanvraagformulier en de gevraagde gegevens binnen twee weken moest indienen. Dat heeft verzoeker niet gedaan. Op 27 mei 2020 heeft verzoeker zich weer gemeld voor een bijstandsuitkering.

5. Aan de afwijzing van de bijstandsaanvraag heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit de door verzoeker overgelegde bankafschriften (pintransacties) over de periode februari 2020 tot en met 26 mei 2020 blijkt dat verzoeker zijn domicilie in [plaats 1] heeft en dat de [gemeente] hierdoor niet de aangewezen gemeente is om aan verzoeker bijstand te verstrekken.

6. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij zijn hoofdverblijf in [plaats 2] heeft. Verweerder heeft zijn conclusie onterecht gebaseerd op enkele bankafschriften, maar niet op feitelijkheden zoals waar hij feitelijk verblijft, slaapt, doucht, waar hij eet en waar hij zijn begeleiding krijgt. Zijn minderjarige dochter en zijn pasgeboren zoontje wonen wel in [plaats 1] . Hij bezoekt zijn kinderen dagelijks bij hun moeder en daar pint hij ook. In de middag gaat hij altijd terug naar [plaats 2] , omdat zijn geld pas in de middag op zijn rekening wordt gestort. Hij heeft eerder aan verweerder doorgegeven dat hij in de laatste fase van de zwangerschap van zijn vriendin veel in [plaats 1] geweest, omdat zijn vriendin kampte met angst- en paniekstoornissen. Sinds de bevalling steunt hij haar dagelijks, omdat voornoemde klachten nog niet zijn verdwenen. Volgens verzoeker is het niet de bedoeling dat hij gaat samenwonen met zijn vriendin. Zijn vriendin wil zich laten inschrijven in [plaats 2] en daar haar eigen woning zoeken.

7. In een reactie op het verzoek om een voorlopige voorziening heeft verweerder laten weten dat het oordeel dat verzoeker feitelijk niet verblijft in [gemeente] gebaseerd is op de bankafschriften, de voorgeschiedenis waaronder de reden waarom de uitkering eerder is beëindigd en dat wat verzoeker aan mevrouw [A] heeft verteld. Dat verzoeker overdag bij de moeder van zijn kinderen in [plaats 1] verblijft en in de middag weer terug gaat naar zijn eigen huis omdat zijn geld pas in de middag op zijn rekening wordt gestort, strookt niet met wat er uit de bankafschriften zichtbaar wordt.

8.1.

In dit geval loopt de te beoordelen periode van 27 mei 2020 (datum melding) tot en met 11 juni 2020 (datum afwijzingsbesluit).

8.2.

Als uitgangspunt geldt dat verzoeker als aanvrager aannemelijk moet maken dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Hij is daarbij verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze gegeven inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsplicht voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

8.3

Waar een betrokkene zijn woonadres heeft, is daar waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

9. In geschil is of verzoeker zijn hoofdverblijf in de hier in geding zijnde periode had op het adres aan de [adres] te [plaats 2] .

9.1

Niet in geschil is dat verzoeker vaak bij de moeder van zijn kinderen is in [plaats 1] . Dat wordt ook bevestigd door de bankafschriften. Daaruit komt naar voren dat verzoeker in de periode van 26 februari tot en met 26 mei 2020 twee keer heeft gepind bij de Plusmarkt voor een bedrag van € 25,94 in de [gemeente] . De overige pintransacties zijn in [plaats 1] geweest. Uit de bankafschriften komt ook naar voren dat hij geld ontvangt van zijn vriendin, [naam] .

9.2.

De vraag die hier rijst is of verweerder voldoende invulling heeft gegeven aan de onderzoeksplicht om de door verzoeker gegeven informatie op juistheid en volledigheid te controleren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is.

De pintransacties geven aanleiding voor een nader onderzoek naar de feitelijke woon- en verblijfsituatie en zijn op zichzelf onvoldoende om een afwijzing van de aanvraag op te baseren. Ook niet als daarbij de in het verweerschrift aangevoerde omstandigheden worden betrokken. Voor zover verweerder verwijst naar de voorgeschiedenis en de reden van beëindiging van de uitkering hecht de voorzieningenrechter er aan te benadrukken dat uiteindelijk tot de intrekking van de uitkering is besloten nadat verzoeker na een opschorting niet is verschenen voor een rechtmatigheidsonderzoek. Wat betreft de voorgeschiedenis is niet geheel duidelijk welke feiten en omstandigheden uit die voorgeschiedenis nu precies doorslaggevend zijn voor verweerder. Voor zover verweerder verwijst naar de mededelingen die verzoeker in een eerder stadium (voorafgaand aan de intrekking) gedaan zou hebben - te weten dat hij vaak bij zijn vriendin in [plaats 1] is – merkt de voorzieningenrechter op dat die mededelingen gedaan (lijken te) zijn in de periode dat hij in 2019 is opgeroepen door zijn reïntegratieconsulent en dat dit dus dateert van geruime tijd voor de aanvraag. Ook daar kan dus niet zonder meer doorslaggevende betekenis aan worden toegekend.

Het had onder deze omstandigheden voor de hand gelegen dat verweerder nader onderzoek zou verrichten naar de woonplaats van verzoeker, dan wel verzoeker de gelegenheid zou bieden nader te onderbouwen dat hij ondanks die pintransacties wel zijn hoofdverblijf in [plaats 2] had. Dat een huisbezoek – een vorm van nader onderzoek – nu geen optie is, gelet op de Coronamaatregelen, is begrijpelijk, maar laat onverlet dat er andere mogelijkheden zijn om de gegeven informatie op juistheid en volledigheid te controleren. Denkbaar is bijvoorbeeld dat verzoeker gevraagd wordt om bijvoorbeeld met gegevens van het openbaar vervoer te onderbouwen dat hij dagelijks vanuit [plaats 1] terug reisde naar [plaats 2] .

9.3

De voorzieningenrechter wijst er op dat niet valt uit te sluiten dat verweerder nadat hij voldoende invulling heeft gegeven aan de onderzoeksplicht alsnog tot de conclusie komt dat verzoeker niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres in [plaats 2] . Toch is de voorzieningenrechter van oordeel dat er in dit geval voldoende aanleiding bestaat om op dit moment een voorlopige voorziening te treffen. Het toekennen van de gevraagde voorziening voorkomt immers dat verzoeker in de tussentijd op straat komt te staan. Het belang dat verzoeker daarbij heeft is naar het oordeel van de voorzieningenrechter groter en zwaarwegender dan het belang dat verweerder heeft bij het voorkomen van een terugvordering als blijkt dat verzoeker toch geen recht heeft op een uitkering.

10. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook toewijzen, het bestreden besluit schorsen en verweerder opdragen om aan verzoeker voorschotten te verstrekken ter hoogte van de voor hem geldende bijstandsnorm, dit met ingang van de datum van het indienen van dit verzoek om een voorlopige voorziening, te weten 15 juli 2020.

11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

12. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter

- schorst het bestreden besluit;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- draagt verweerder op aan verzoeker voorschotten te betalen ter hoogte van de voor hem geldende bijstandsnorm, dit met ingang van 15 juli 2020 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 525,-, te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan op 6 augustus 2020 door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.P. Jadoenathmisier, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.