Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7434

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
18-08-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1124
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen arbeidsongeschiktheid voor ZW. Geschikt voor WIA functies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/1124

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C.J.M.M. Verwijmeren),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: G.M. Folkers-Hooijmans).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die eiser krachtens de Ziektewet (ZW) ontving per 9 september 2019 beëindigd.

Bij besluit van 30 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft telefonisch en via Skype plaatsgevonden op 28 juli 2020. Eiser is gehoord, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser was voorheen werkzaam als commercieel medewerker (telefonische verkoop) voor 39,77 uur per week. Hij is op 5 oktober 2015 voor deze werkzaamheden uitgevallen. Na ommekomst van de wachttijd van twee jaar heeft verweerder geweigerd eiser een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen op de grond dat eiser weliswaar ongeschikt was voor zijn eigen werk, maar wel geschikt was voor een viertal andere functies. Met deze functies kan eiser een zodanig loon kan verdienen dat zijn verlies aan verdiencapaciteit minder dan 35% bedraagt. Op 25 februari 2019 heeft eiser zich vanuit de Werkloosheidwet toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met psychische klachten en fibromyalgie. Aan hem is per 27 mei 2019 een ZW-uitkering toegekend.

2.1

Het bestreden besluit houdt in dat eiser per 9 september 2019, de datum in geding, geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Dit berust op het standpunt dat eiser op dat moment niet langer ongeschikt was voor de werkzaamheden behorende bij tenminste één van de functies die voor hem in het kader van de WIA-beoordeling, passend zijn bevonden.

2.2

Nadat eiser zich op 9 september 2019 opnieuw ziek heeft gemeld heeft de verzekeringsarts eiser gezien op het spreekuur van 20 september 2019. De verzekeringsarts achtte eiser per 9 september 2019 voldoende belastbaar om in zijn maatgevende arbeid te hervatten.

3. Eiser voert aan dat hij lijdt aan een doof gevoel en tintelingen in zijn vingers, waardoor hij een verminderde tastzin in zijn vingers en handen heeft. Daarnaast is zijn handcoördinatie en accuratesse duidelijk teruggelopen. Voor een vlot, accuraat en effectief hand- en vingergebruik is tastzin een enorm belangrijke factor. Eiser meent dat de functie van medewerker postkamer/digitaliseerder niet passend voor hem is omdat hij zowel bij het behandelen van de post, inscannen, als bij het digitaal verwerken daarvan een aanzienlijk lager handelings- en werktempo heeft door deze klachten.

Ook vanwege zijn psychische klachten, in het bijzonder zijn hallucinaties, is eiser van mening dat hij die functie niet kan vervullen. Hij kan door deze klachten volledig van slag raken en is dan niet langer bij de les. De klachten komen meerdere malen per dag voor en er is geen peil op te trekken. Eiser betoogt dat hij hierdoor wisselend belastbaar is geen functies op de arbeidsmarkt kan verrichten. Daarnaast is hij ook vaak vermoeid en suf.

4.1

In artikel 19, eerste lid, van de ZW is bepaald dat iemand recht heeft op ziekengeld als hij als gevolg van ziekte of gebreken niet geschikt is voor het verrichten van het eigen werk. De ongeschiktheid om te werken moet rechtstreeks het gevolg zijn van ziekte of gebreken en dat moet objectief medisch vastgesteld kunnen worden.

4.2

Met het eigen werk wordt bedoeld: het laatste voor de ziekmelding verrichte werk. In dit geval geldt als maatstaf gangbare arbeid, zoals die nader geconcretiseerd is bij de beoordeling van de aanspraak van de WIA-uitkering. Bij die beoordeling is een aantal functies voor de betrokken verzekerde geschikt geacht. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder zijn besluiten over de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Het is aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.

6.1

De primaire arts heeft eiser op 8 juli 2019 op het spreekuur gezien, waarbij een lichamelijk en psychisch onderzoek is verricht. In zijn rapport vermeldt de verzekeringsarts dat uit de medische informatie van de behandeld specialist blijkt dat de artritis psoriatica in mei 2019 compleet in remissie is en dat de pijnklachten van eiser functioneel zijn geduid als fibromyalgie. De verzekeringsarts constateert een discrepantie tussen de bevindingen bij onderzoek en de klachten. Uit het dagverhaal blijkt dat eiser in staat is zichzelf te verzorgen, boodschappen doet en activiteiten ontplooit. Eiser is lid van een schietvereniging met antieke wapens die worden bediend met beide handen. Behalve concentratie dient eiser daarbij over een vaste hand en sterke vingers te beschikken. Er mag dus worden uitgegaan van een zekere belastbaarheid, gelet op de belasting die deze hobby met zich mee brengt, aldus de verzekeringsarts. Verder is eiser naar eigen zeggen sinds zijn 15e jaar bekend met hallucinaties. Naar het oordeel van de verzekeringsarts is er geen sprake van toegenomen beperkingen en is eiser per 9 september 2019 geschikt te achten voor de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies, en daarmee tenminste voor de functie van administratief ondersteuner (document scanner).

6.2

Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) op 24 december 2019 een rapport uitgebracht. Dit is gebaseerd op dossieronderzoek, eigen medisch onderzoek en informatie van de reumatoloog van 7 mei 2019, de verwijsbrief naar de GGZ van 5 september 2019, de brief van Bergman Clinics van 7 november 2019 en de brief van Parnassia van 19 december 2019. De verzekeringsarts b&b heeft in zijn rapport opgenomen dat de reumaklachten en fibromyalgie al bekend waren ten tijde van de beoordeling door de verzekeringsarts en dat voorts in bezwaar informatie van Parnassia is ontvangen waaruit blijkt dat er geen antipsychoticum aan eiser is voorgeschreven. Naar het de mening van de bezwaararts b&b is er naar aanleiding van de ontvangen informatie geen aanleiding om meer beperkingen aan te nemen. Eiser maakt bij onderzoek geen depressieve, angstige of sterk vermoeide indruk. Hij heeft weliswaar een verminderde knijpkracht in de handen, maar verder geen functionele beperkingen. Hij kan met moeite op zijn rechterbeen staan ten gevolge van de pijn in zijn rechterheup. De functie van documentscanner is een lichte functie en niet psychisch belastend. Eiser is dan ook geschikt te achten voor deze functie, aldus de bezwaararts b&b.

7.1

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de uitslag van het medisch onderzoek van de primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts b&b onzorgvuldig dan wel onjuist is. Er zijn geen aanwijzingen dat deze artsen de klachten van eiser niet serieus genoeg hebben onderzocht. Uit de betreffende rapporten blijkt dat zij aandacht hebben besteed aan alle klachten van eiser. Ook heeft de verzekeringsarts b&b medische informatie van de behandelend sector bij zijn oordeelsvorming betrokken.

7.2

Uit de voorhanden informatie van de behandelend artsen heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden dat de beperkingen zijn onderschat door de verzekeringsartsen. Met betrekking tot de gewrichtsklachten van eiser blijkt uit de informatie van de behandelend reumatoloog dat de artritis volledig in remissie is. Wat betreft de psychische klachten heeft de behandelend psychiater in zijn rapport van 15 december 2019 vermeld dat eiser sinds eind oktober 2019 onder behandeling is met op de voorgrond psychotische klachten die in relatie lijken te staan tot de stress die eiser ervaart, dat is gestart met medicatie en dat nog verdere diagnostiek zal plaatsvinden. Hieruit kan de rechtbank niet afleiden dat eiser hierdoor niet in staat zou zijn om te werken dan wel dat hij slechts wisselend belastbaar zou zijn. Zij merkt daarbij op dat van deze behandelaar geen nadere informatie voorhanden is waarin wordt vermeld wat verdere diagnostiek heeft uitgewezen.

8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank van oordeel is dat eiser per 9 september 2019 in staat moet worden geacht de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies, in het bijzonder de functie van administratief medewerker (document scanner), te verrichten. Eiser heeft daarom per die datum geen recht meer op een ZW-uitkering.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 4 augustus 2020 door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.