Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7373

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
18-08-2020
Zaaknummer
NL20.10824
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AA - herhaalde aanvraag, geen nieuwe elementen of bevindingen, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.10824


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.M. Rietveld).


Procesverloop
Bij besluit van 11 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.10825, plaatsgevonden op 30 juli 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. K. Zajk, als waarnemer van haar gemachtigde. Als tolk is verschenen R. el Haddar. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten.

1.1.

Op 26 februari 2018 heeft eiseres een eerste asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 15 juni 2018 is de aanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Bij uitspraak van 19 juli 2018 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het hiertegen ingediende beroep, ongegrond verklaard (NL18.11382). In hoger beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 27 augustus 2018 de uitspraak van de rechtbank bevestigd (201806041/1/V3).

1.2.

Op 27 december 2019 heeft eiseres opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Die aanvraag ligt ten grondslag aan het nu bestreden besluit. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiseres geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Verweerder heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.

2. Als er geen relevante wijziging van het recht is, toetst de rechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of verweerder de aanvraag niet ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759). Nieuwe elementen of bevindingen zijn feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en dus moesten worden aangevoerd. Daaronder vallen ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van dat eerdere besluit konden en dus moesten worden overgelegd.

3. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Op hetgeen namens haar in beroep is aangevoerd, gaat de rechtbank – voor zover van belang – hierna in.

4. Eiseres voert aan dat verweerder de onderhavige aanvraag ten onrechte heeft aangemerkt als herhaalde aanvraag. Nu de eerste aanvraag volgens eiseres niet inhoudelijk is beoordeeld kan de onderhavige aanvraag niet worden gekwalificeerd als een herhaalde aanvraag. Eiseres wijst in dit kader op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 16 november 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:14024). Volgens eiseres is artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) in de vorige asielprocedure onvoldoende dan wel summier getoetst. Zo is niet gebleken dat verweerder de band met Duitsland heeft getoetst aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden.

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de onderhavige asielaanvraag terecht heeft aangemerkt als een opvolgende aanvraag. Eiseres heeft immers eerder – op 26 februari 2018 – een asielaanvraag ingediend, die door verweerder niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, van de Vw. De door eiseres aangehaalde uitspraak van 16 november 2017 kan haar niet baten omdat geen sprake is van een soortgelijke zaak. In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak waar eiseres naar heeft verwezen, is de eerste asielaanvraag, anders dan in dit geval, niet in behandeling genomen op grond van artikel 30 van de Vw en heeft verweerder de tweede asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ten aanzien van de stelling van eiseres dat er tijdens haar eerste asielprocedure onvoldoende dan wel summier is getoetst aan artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vb, heeft verweerder in het verweerschrift terecht opgemerkt dat het besluit van 15 juni 2018 de rechterlijke toets heeft doorstaan en in rechte vaststaat. De stelling van eiseres dat haar zwangerschap een nieuw element of bevinding is, volgt de rechtbank niet. Tijdens de eerdere procedure had eiseres ook al een gezin in Nederland. Dat eiseres thans in Nederland onder controle staat van het ziekenhuis in verband met haar zwangerschap, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

5. Eiseres voert verder aan dat het getuigt van willekeur dan wel dat het de keuzevrijheid van verweerder is om te toetsen aan artikel 28, eerste lid van de Vw in samenhang met artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, dan wel de Dublinprocedure toe te passen. Het komt volgens eiseres ten onrechte ten nadele van haar dat verweerder er niet voor heeft gekozen de Dublinprocedure toe te passen. Het verblijfsrecht in Duitsland was tijdelijk en dat is inmiddels verlopen. Op grond van de Dublinverordening zou Nederland de asielaanvraag volgens eiseres daarom aan zich moeten trekken. Daarnaast kan in het kader van de Dublinprocedure het gezinsleven worden betrokken in de belangenafweging. Het had op de weg van verweerder gelegen om dit gebrek te herstellen, aldus eiseres.

5.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in eerste instantie de Dublinprocedure heeft toegepast, maar dat het claimverzoek van verweerder door Duitsland is afgewezen omdat eiseres in Duitsland internationale bescherming heeft. Verweerder heeft vervolgens terecht vastgesteld dat de Dublinverordening niet van toepassing is (zie pagina 3, laatste alinea, van het bestreden besluit). Voor het oordeel dat sprake is van willekeur, ziet de rechtbank geen grond.

6. Eiseres voert verder aan dat sprake is van een inbreuk op artikel 8 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en dat verweerder artikel 8 van het EVRM ruim had moeten toetsen alleen al gelet op de wederzijdse afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar zoon. De echtgenoot van eiseres heeft de Nederlandse nationaliteit en haar zoon heeft in Nederland een verblijfsrecht. Eiseres heeft verwezen naar diverse arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en jurisprudentie van de Afdeling waaruit volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een "fair balance" moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en de kinderen enerzijds, en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Verder heeft eiseres gewezen op artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Verweerder had in ieder geval een belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM moeten maken binnen de kan- bepaling van artikel 30a, eerste lid, van de Vw, aldus eiseres.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het verweerschrift terecht heeft gewezen op artikel 3.6a, tweede lid, van het Vb. Op grond van dat artikel is verweerder niet gehouden ambtshalve te toetsen aan artikel 8 van het EVRM, ook niet via een belangenafweging. Gelet daarop slaagt het beroep dat eiseres heeft gedaan op artikel 8 van het EVRM niet. Dat eiseres nu zwanger is, doet hieraan niet af.

7. Eiseres voert aan dat de vertrektermijn die is opgenomen in het bestreden besluit onjuist en niet haalbaar is gelet op de coronacrisis. Eiseres stelt dat het voor haar niet mogelijk is om terug te keren naar Duitsland.

7.1.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat verweerder een onjuiste vertrektermijn heeft opgenomen in het bestreden besluit. In de onderhavige procedure is niet aannemelijk gemaakt dan wel anderszins gebleken dat eiseres geen verblijfsvergunning meer heeft in Duitsland, dan wel dat eiseres haar vluchtelingenstatus daar is verloren. In dat geval schrijft artikel 62a, derde lid, van de Vw voor dat de vreemdeling wordt opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van de lidstaat te begeven die hem in het bezit heeft gesteld van een geldige verblijfsvergunning. Ten aanzien van de stelling dat de vertrektermijn die is opgenomen in het bestreden besluit vanwege de coronacrisis niet haalbaar is, overweegt de rechtbank dat dit het voorgaande niet anders maakt. Voor zover dit nog een actueel beletsel is, is dat slechts een tijdelijk beletsel.

8. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van

mr. K.A. Linthout, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is gedaan op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.