Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7369

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
20/22
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Bezwaarschrift DNA gegrond wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer: 09/020233-18

Raadkamernummer: 20/22

Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] ,

[adres] .

De procedure in raadkamer

De rechtbank heeft dit bezwaar op 21 juli 2020 in raadkamer behandeld en heeft kennis genomen van een deel van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.

De veroordeelde is in raadkamer gehoord. Tevens is de officier van justitie mr. R. van Geloven gehoord.

Inleiding

Bij vonnis van 12 september 2019 is de veroordeelde door de politierechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van valsheid in geschrifte tot een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar. De officier van justitie heeft de afname van celmateriaal bevolen ten behoeve van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel. Deze afname heeft plaatsgevonden op 16 december 2019. De veroordeelde heeft op 30 december 2019 het bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA ingediend bij de griffie van deze rechtbank.

Het bezwaar

De veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel. Volgens de veroordeelde zou het hier in de kern gaan om valsheid in geschrifte, waarbij niet valt in te zien hoe DNA-onderzoek realistisch gezien van belang kan zijn bij het opsporen van dergelijke feiten. Het bepalen en verwerken van het DNA is volgens de veroordeelde dan ook disproportioneel. Voorts meent de veroordeelde dat er geen sprake is recidivegevaar. De feiten vonden plaats in een specifieke context en zijn sterk situatief bepaald. Veroordeelde heeft een aanvraag voor een lening vervalst. Zij was op dat moment verwikkeld in een scheidingsprocedure, had de zorg voor haar kinderen en verkeerde in acute financiële problemen. Daardoor is het onaannemelijk is dat de veroordeelde opnieuw dergelijke strafbare feiten zal plegen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard omdat de uitzonderingen zoals in de Wet DNA beschreven niet op de veroordeelde van toepassing zijn en recidive niet valt uit te sluiten.

Het oordeel van de rechtbank

De Wet DNA kent de uitzonderingsbepaling dat geen DNA-onderzoek zal plaatsvinden indien het redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Over de reikwijdte van deze uitzonderingsgrond heeft de Hoge Raad op 13 mei 2008 twee arresten gewezen (ECLI:NL:HR:2008:BC8231 en ECLI:NL:HR:2008:BC8234) en bepaald dat er geen plaats is voor een verdere belangenafweging dan toetsing aan de twee, beperkt uit te leggen, uitzonderingen die artikel 2, eerste lid, van de wet, behelst.

In de aard van de delict, valsheid in geschrifte, ziet de rechtbank geen aanleiding om een uitzonderingsgrond aan te nemen op grond waarvan het DNA-materiaal van de veroordeelde niet in de DNA-databank zou moeten worden opgenomen. Ook bij het plegen van valsheid in geschrifte zijn gevallen denkbaar dat de opsporing gebaat is bij DNA-onderzoek.

De rechtbank is van oordeel dat in de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd grond kan worden gevonden om aan te nemen dat DNA-onderzoek redelijkerwijs niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. De veroordeelde is behoudens de veroordeling voor dit strafbare feit niet eerder veroordeeld voor het plegen van een misdrijf. Het lijkt om een eenmalig incident te gaan dat is begaan onder invloed van bijzondere persoonlijke omstandigheden, te weten: de echtscheiding van de veroordeelde en de daarbij spelende stress en financiële problemen. Alles in samenhang bezien, zijn er naar het oordeel van de rechtbank in dit specifieke geval geen aanwijzingen dat er ten aanzien van de veroordeelde sprake is van een reële verwachting dat zij in de toekomst andere misdrijven zal begaan. Naar het oordeel van de rechtbank is er aldus sprake van de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub b van de Wet DNA, zodat het bezwaar gegrond zal worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal terstond wordt vernietigd.

Aldus gedaan te Den Haag door mr. A.M. Boogers, rechter, in tegenwoordigheid van mrs. L.S. Kalkman en M.N.D. Snel, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 augustus 2020.