Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7323

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
NL20.11646
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Iran, bekering ongeloofwaardig, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.11646

V-nummer: [V-nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. A. Agayev),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 mei 2020 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Shiranian. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraanse nationaliteit. Op 26 augustus 2018 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is opgegroeid in een streng gelovig islamitisch gezin, maar was zelf niet gelovig. Eisers echtgenote komt ook uit een streng gelovig islamitisch gezin. Ongeveer twee jaar na het aangaan van zijn huwelijk is eiser verslaafd geraakt aan opium. Op een gegeven moment kwam een vriend van eiser zijn winkel binnen, nadat hij hem twee jaar niet had gezien. Deze vriend vertelde eiser dat hij was genezen van zijn opiumverslaving en dat zijn vader genezen was van kanker en dat dit kwam doordat hij christen was geworden. Eiser is vervolgens ook christen geworden en zelf ook genezen van zijn opiumverslaving. Twee dagen voor eisers vertrek uit Iran vond er een inval plaats in zijn winkel. Eiser was op dat moment niet aanwezig, maar er werd door de inlichtingendienst tegen zijn vader gezegd dat eiser drugs distribueerde en tegenstander van het regime zou zijn. Op diezelfde dag heeft ook een inval in eisers huis plaatsgevonden. Dit vormde de directe aanleiding voor zijn vertrek uit Iran.

  2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de gestelde bekering tot het christendom en eisers verklaringen over de toegedichte drugshandel en de invallen in zijn winkel en huis niet geloofwaardig.

  3. Ten aanzien van de gestelde bekering heeft verweerder als volgt overwogen. Eisers verklaringen over zijn motieven voor en proces van bekering zijn in grote lijnen ongeloofwaardig. Tijdens het nader gehoor geeft eiser herhaaldelijk ontwijkende antwoorden en verklaringen die afleiden van het onderwerp van de vraag. Hij verklaart bijvoorbeeld uitgebreid over zijn carrière, maar blijft aan de oppervlakte als herhaaldelijk wordt doorgevraagd naar concrete informatie over het bespreken van zijn geloofsovertuiging met zijn vrouw. Ook vragen over zijn innerlijke overtuiging heeft eiser ontwijkend beantwoord. Hij noemt vrijwel alleen maar praktische argumenten wanneer hij het over de islam heeft. Uit zijn verklaringen blijkt niet dat hij op zoek was naar een god of een religie. Ook de bekering stelt hij gelijk met praktische voordelen, zoals afkicken en herenigd worden met zijn gezin. Voorts heeft eiser inconsistent verklaard over zijn gedachten en gevoelens tijdens de kennismaking met het christendom. Tot slot heeft hij tegenstrijdig verklaard over de dag dat hij zich bekeerd voelde. Verder heeft kan eiser slechts zeer summier vertellen over het christendom en lijkt hij weinig te begrijpen van de christelijke leer, hoewel hij heeft verklaard dat hij Bijbelstudie volgt en regelmatig kerkdiensten bezoekt. Met betrekking tot zijn activiteiten heeft eiser slechts zeer algemene en tegenstrijdige antwoorden gegeven. Het enkele bijwonen van kerkdiensten en het evangeliseren is onvoldoende om de bekering aannemelijk te maken. Ook de overgelegde documenten leiden niet tot een ander oordeel. Eiser heeft immers niet inzichtelijk gemaakt welke innerlijke overtuiging ertoe heeft geleid dat hij deze activiteiten uitvoert.

  4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij het vernederend vindt dat verweerder hem niet gelooft, terwijl hij oprecht christen is en wekelijks de kerk bezoekt. De intenties en oprechtheid van een persoon als gelovige zijn niet te meten aan de hand van enkele gesprekken, waarbij naar de mening van eiser het uitgangspunt wantrouwen is. Eiser stelt dat hij zijn gevoelens heeft beschreven en naar zijn kunnen antwoord heeft gegeven op al verweerders vragen.

  5. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij ontwijkende, oppervlakkige en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn proces van bekering. Verweerder heeft aan de hand van Werkinstructie 2019/18 eisers gestelde bekering onderzocht en beoordeeld. Eisers enkele stelling dat zijn oprechtheid niet te meten is aan de hand van enkele gesprekken, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat het onderzoek en de beoordeling onzorgvuldig zijn geweest. Eiser is uitgebreid gehoord (het rapport van het nader gehoor telt 52 pagina’s) en heeft dus alle gelegenheid gehad om de oprechtheid van zijn bekering te onderbouwen. Dat hij niet in staat zou zijn om overtuigende verklaringen af te leggen is niet onderbouwd en blijkt ook niet uit het rapport van het nader gehoor. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zich met de hiervoor onder 3 weergegeven motivering niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers gestelde bekering tot het christendom niet geloofwaardig is.

  6. Verweerder heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over de toegedichte drugshandel en de invallen in zijn winkel en huis niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft dit standpunt in beroep namelijk niet betwist.

  7. Het voorgaande betekent dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is en dat hij de asielaanvraag dus terecht heeft afgewezen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.