Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7322

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
NL20.7276
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, doorprocederen, geen procesbelang, beroep niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL20.7276

V-nummer: [V-nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 maart 2020 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

  1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Syrische nationaliteit. Op 15 maart 2019 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag ingewilligd en aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) met ingang van 15 maart 2019 en geldig tot 15 maart 2024.

  2. Eiser heeft beroep ingesteld omdat hij vindt dat verweerder hem ten onrechte geen verblijfsvergunning asiel heeft verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat eisers asielrelaas geloofwaardig is, maar dat zijn problemen niet zijn te herleiden tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Eiser komt daar nu tegen op, om te voorkomen dat hij later, bij een eventuele intrekking van zijn verblijfsvergunning, in een minder gunstige positie komt te verkeren omdat hij dan te laat zal zijn met het aanvechten van de verwerping van de ‘a-gronden’ in het bestreden besluit.

  3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling1 moet ervan worden uitgegaan dat indien aan een vreemdeling een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw is verleend, er geen belang bestaat voor de vreemdeling bij het instellen van een beroep tegen het daaraan ten grondslag liggende besluit, zolang de verleende vergunning geldig is. Dit belang kan wel ontstaan indien de vergunning op enig moment zou worden ingetrokken of niet verlengd. Op dat moment zal ook een oordeel gevraagd kunnen worden aan de rechter over het feit dat verweerder geen vergunning op de a-grond heeft willen verlenen en over de motivering van die beslissing.

4. Gelet op deze jurisprudentie komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Eisers verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 20182 kan niet tot een ander oordeel leiden. Die uitspraak had namelijk betrekking op een afgeleide verblijfsvergunning asiel, als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vw. In die zaak zou de vreemdeling door verlening van een vergunning op grond van het eerste lid in een gunstiger positie komen, omdat dat verblijfsrecht niet afhankelijk was van dat van zijn moeder. Eiser heeft echter geen afgeleide maar een zelfstandige verblijfsvergunning en heeft ook overigens niet toegelicht waarom hij met een verblijfsvergunning op de a-grond in een gunstiger positie zal komen dan bij een verblijfsvergunning op de b-grond. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

1 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 13 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1625, en 14 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH0140.

2 ECLI:NL:RVS:2018:3171