Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7272

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
NL20.10015
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Duitsland, coronavirus, vierde verzoek uitstel zienswijze afgewezen, onzorgvuldig maar belangen niet geschaad, gegrond, rechtsgevolgen in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.10015

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. C.G.J.M. Lucassen), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.F. van der Lubbe).

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Khairi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.

  2. Eiser voert het volgende aan. Na drie keer het verzoek tot uitstel van de zienswijze te hebben verleend, wees verweerder op 4 mei 2020 het verzoek af tegelijk met het verstrekken van het bestreden besluit. Eiser voert aan dat verweerder aan hem ten onrechte geen vierde keer uitstel heeft verleend voor het indienen van de zienswijze. Hij is daardoor

in zijn belangen geschaad, omdat hem de mogelijkheid is ontnomen om het voornemen met zijn gemachtigde te bespreken voordat er een beslissing is genomen op zijn asielaanvraag. Volgens eiser miskent verweerder daarmee dat de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze een essentieel onderdeel is van de aanvraagfase in de asielprocedure. Eiser is in zijn belangen geschaad omdat hij pas in beroep kon reageren op het voornemen en hem daarmee een instantie is ontnomen. Ter onderbouwing van de noodzaak tot de verzoeken om uitstel van de zienswijze legt eiser uit dat zijn zaak vlak voor de uitvaardiging van ingrijpende coronamaatregelen aan zijn gemachtigde is toegewezen en het daardoor niet meer mogelijk was voor zijn gemachtigde om hem zelf op kantoor uit te nodigen. In Dublinzaken vinden deze afspraken op het kantoor van de gemachtigde plaats. Ook is het tegen de gedragsregels van de advocatuur om cliënten bij te staan zonder een persoonlijk gesprek. Aangezien deze gesprekken niet plaatsvinden op het asielzoekerscentrum (AZC) kon er geen videoconferentiegesprek gepland worden op het aanmeldcentrum via de Raad voor de Rechtsbijstand. Een videobelafspraak via een tolk lukte niet door de ingewikkeldheid van de verschillende stappen. Bovendien wilde eiser niet alle vertrouwelijkheden via de telefoon bespreken. Eiser wijst verder nog op een brief van de Vereniging Asieladvocaten en –Juristen Nederland waarin een dringend verzoek is gedaan aan de IND om ervoor te zorgen dat asielzoekers van de fysieke en digitale voorzieningen in het AZC gebruik kunnen maken. Eiser acht het onredelijk dat de IND enerzijds zaken behandelt zonder adequaat contact met de rechtsbijstandsverlener te faciliteren en anderzijds verzoeken om uitstel vanwege de onmogelijkheid van dat contact afwijst. Tot slot voert eiser aan dat de overdrachtstermijn nog lang niet in zicht is, waardoor verweerder nog voldoende tijd had om het uitstel nogmaals te verlenen.

3. De rechtbank overweegt als volgt. De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 30 maart 2020 verweerder verzocht om veertien dagen uitstel te verlenen voor het indienen van de zienswijze. Bij brief van 1 april 2020 heeft verweerder dit uitstel verleend. Bij brief van 22 april 2020 heeft de gemachtigde van eiser opnieuw om uitstel verzocht voor het indienen van de zienswijze in verband met het voortduren van de maatregelen omtrent het coronavirus. Verweerder heeft dit uitstel vervolgens bij brief van 22 april 2020 verleend tot en met 28 april 2020. Bij brief van 28 april 2020 heeft de gemachtigde van eiser voor de derde keer een verzoek om uitstel ingediend voor het indienen van de zienswijze omdat er op 30 april 2020 een videotolkgesprek met eiser gepland stond. Bij brief van 28 april 2020 heeft verweerder ook dit uitstel verleend tot en met 1 mei 2020. Ten slotte heeft de gemachtigde van eiser op 1 mei 2020 een laatste verzoek tot uitstel gedaan, omdat de

stappen voor het voeren van een videotolkgesprek voor eiser te ingewikkeld waren en hij het voornemen niet telefonisch wilde bespreken. Bij brief van 4 mei 2020 heeft verweerder aan de gemachtigde van eiser meegedeeld dat het verzoek om nader uitstel voor het indienen van een zienswijze wordt afgewezen omdat dit verzoek niet voldoet aan het bepaalde in paragraaf C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). De gemachtigde van eiser wordt verder verzocht om andere mogelijkheden te onderzoeken om in contact te komen met eiser. Bij deze brief heeft verweerder ook het bestreden besluit verzonden.

4. Uit artikel 3.109c, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 volgt dat de vreemdeling zijn zienswijze op het voornemen om de aanvraag niet in behandeling te nemen uiterlijk binnen twee weken schriftelijk naar voren brengt. In paragraaf C1/2.6 in samenhang met paragraaf C1/2.12 van de Vc is het beleid van verweerder opgenomen voor het verlenen van uitstel voor het indienen van de zienswijze. Het beleid van verweerder voorziet in vijf limitatief opgesomde omstandigheden waaronder tot vijf werkdagen uitstel wordt verleend.

5. De rechtbank stelt vast dat in de brieven van 1 april 2020, 22 april 2020 en 28 april 2020 van verweerder niet wordt vermeld op grond van welk beleid verweerder uitstel heeft verleend. Uit de aanleiding voor het indienen van het verzoek volgt dit in elk geval niet, omdat het beleid van verweerder niet voorziet in de mogelijkheid uitstel te verlenen op grond van andere omstandigheden dan in paragraaf C1/2.12 van de Vc staan vermeld. Het uitstel is dus niet verleend op basis van bekend beleid van verweerder. Verder stelt de rechtbank vast dat uit de brieven ook niet volgt dat geen nader uitstel zal worden verleend of alleen zal worden verleend wanneer is voldaan aan de voorwaarden in het beleid in paragraaf C1/2.12 van de Vc. Omdat het uitstel dus was verleend naar aanleiding van de maatregelen rondom de coronacrisis, die maatregelen grotendeels nog van kracht waren toen eiser op 1 mei 2020 om nader uitstel voor het indienen van een zienswijze vroeg en het verleende uitstel niet was gebaseerd op bekend beleid, was voor eiser redelijkerwijs niet voorzienbaar dat zijn verzoek tot nader uitstel niet zou worden ingewilligd.

6. Door eiser gelijktijdig met de bekendmaking van het bestreden besluit bij brief van 4 mei 2020 mee te delen dat het verzoek om een nader uitstel voor het indienen van een zienswijze wordt afgewezen, heeft verweerder de gemachtigde van eiser de mogelijkheid ontnomen gevolg te geven aan het in die afwijzingsbrief opgenomen verzoek van verweerder om ‘andere mogelijkheden te onderzoeken’ om in contact te komen met eiser. Ook heeft verweerder de gemachtigde van eiser hiermee de mogelijkheid ontnomen om alsnog een zienswijze in te dienen. Verweerder heeft eiser op deze manier feitelijk een instantie ontnomen. De rechtbank overweegt dat de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen een essentieel onderdeel is van de besluitvormingsprocedure. Dit volgt ook uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).1 De handelwijze van verweerder is dan ook als onzorgvuldig aan te merken. Voor het passeren van dit zorgvuldigheidsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is in dit geval geen plaats. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

7. De rechtbank ziet aanleiding om te onderzoeken of eiser door de handelwijze van verweerder in zijn belangen is geschaad en of er eventueel aanleiding is om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

8. Daarbij is het volgende van belang. In het onderhavige geval is niet gebleken op welke wijze eiser in zijn belangen is geschaad. Zowel in de gronden van beroep als in de aanvullende gronden zijn geen inhoudelijke gronden aangevoerd. Ter zitting is wel gebleken dat er inmiddels contact is geweest tussen eiser en zijn gemachtigde en dat zij de zaak inhoudelijk hebben besproken. Desgevraagd is namens eiser ter zitting op summiere en niet onderbouwde wijze een grond aangevoerd. Hetgeen ter zitting is aangevoerd is een korte en zeer algemene herhaling van wat in de eerdere procedure is genoemd, waaronder in het aanmeldgehoor Dublin. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank hierop in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd gereageerd. Eiser heeft in zijn geheel niet gespecificeerd waarom de motivering van verweerder niet juist is. De rechtbank is op grond

1. ABRvS, 10 oktober 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AH9079 en ABRvS, 31 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB1457.

van het voorgaande van oordeel dat eiser door de handelwijze van verweerder niet in zijn belangen is geschaad.

9. Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de handelwijze van verweerder in zijn belangen is geschaad.

10. Het beroep is gegrond. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

08 juli 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.