Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7179

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-06-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
C-09-591949-KG ZA 20-356
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Afwijzing van de vordering om gedaagde te bevelen zijn medewerking te verlenen aan de inschrijving van de Nederlandse echtscheiding in Turkije. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man niet kan worden gedwongen om daaraan mee te werken. Voor de vrouw staat de mogelijkheid open om in Turkije de erkenningsprocedure te voeren, waarvoor zij de medewerking van de man niet nodig heeft. Dat die erkenningsprocedure mogelijk kostbaarder is en meer tijd in beslag zal nemen dan de door de vrouw gewenste procedure, doet daaraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/591949 / KG ZA 20-356

Vonnis in kort geding van 8 juni 2020

in de zaak van

[eiseres] te [plaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M. Erik te Den Haag,

tegen:

[gedaagde] te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. E.H. Visser te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de conclusie van repliek (per abuis aangeduid als conclusie van dupliek) met producties;

- de conclusie van dupliek.

1.2.

De drie laatstgenoemde stukken zijn overgelegd naar aanleiding van het bericht van de rechtbank dat in verband met de corona-crisis procedures zoveel mogelijk schriftelijk worden gevoerd. De voorzieningenrechter heeft na ontvangst van deze stukken geoordeeld dat kan worden afgezien van het horen van partijen en dat in beginsel vandaag het vonnis zal worden uitgesproken.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum 1] in Turkije. De man had toen de Nederlandse en de vrouw de Turkse nationaliteit. Het huwelijk is ontbonden op [datum 2] door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 8 augustus 2016 in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

2.2.

In Turkije staan partijen nog als gehuwd geregistreerd.

2.3.

De vrouw heeft onlangs de Nederlandse nationaliteit verkregen, onder de voorwaarde dat zij afstand doet van de Turkse nationaliteit. Een door de vrouw gedaan verzoek om afstand te doen van haar Turkse nationaliteit is door de Turkse nationaliteiten geweigerd, omdat de vrouw in Nederland anders geregistreerd staat dan in Turkije.

2.4.

De vrouw heeft de man verzocht om zijn medewerking te verlenen aan de erkenning en inschrijving van de echtscheiding van partijen in Turkije. Daartoe is de man tot op heden niet bereid gebleken.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert, zakelijk weergegeven, de man te veroordelen om zijn onmiddellijke en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de erkenning en inschrijving van de echtscheiding van partijen in Turkije en om alle noodzakelijke handelingen daartoe te verrichten, waartoe in ieder geval een afspraak moet worden gemaakt met het Turkse consulaat binnen een dag na dit vonnis maar vóór 29 mei 2020, op straffe van verbeurte van een dwangsom, althans om een andere voorziening te treffen, met veroordeling van de man in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De vrouw heeft er een spoedeisend belang bij dat in Turkije geregistreerd wordt dat zij niet langer gehuwd is met de man. De Turkse autoriteiten hebben namelijk het verzoek van de vrouw om afstand te doen van haar Turkse nationaliteit (wat nodig is om haar Nederlandse nationaliteit te kunnen behouden) geweigerd, omdat haar registratie in Nederland afwijkt van haar registratie in Turkije. Ondanks verzoeken daartoe weigert de man zijn medewerking aan de erkenning en inschrijving van de echtscheiding te verlenen. Hij voert daartoe steeds andere gronden aan, maar geen van deze gronden kan redengevend zijn voor de weigering, aldus de vrouw.

3.3.

De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Het verweer van de man dat de vrouw geen spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorziening wordt gepasseerd. Gebleken is immers dat de vrouw op korte termijn moet bewijzen dat zij actie heeft ondernomen om afstand te doen van haar Turkse nationaliteit en dat anders de intrekking van haar Nederlandse nationaliteit dreigt. Ook al zou het zo zijn dat de vrouw dan kan terugvallen op een Nederlandse verblijfsvergunning en de Nederlandse nationaliteit op een later moment opnieuw kan aanvragen, zoals de man stelt, dan nog is het evident in het belang van de vrouw om die procedure niet opnieuw te hoeven doorlopen.

4.2.

Bij de beoordeling is het volgende van belang. Een Nederlandse echtscheidingsbeschikking, waarbij tenminste één van partijen de Turkse nationaliteit heeft, kan worden opgenomen in de daartoe bestemde registers in Turkije, nadat de Nederlandse uitspraak in Turkije is erkend. Dit kan op twee manieren worden bewerkstelligd. Eén van beide partijen, dan wel beide partijen gezamenlijk, kan/kunnen een procedure starten bij een Turkse rechtbank tot erkenning van de echtscheidingsbeschikking (de erkenningsprocedure). Die procedure dient geïnitieerd te worden door een advocaat te Turkije. De andere mogelijkheid is dat beide partijen zich tot het Turkse consulaat in Nederland wenden. Partijen dienen zich daartoe in persoon, dan wel vertegenwoordigd door hun gevolmachtigde, naar het consulaat te begeven en de benodigde bescheiden in te leveren en te ondertekenen, waarna het consulaat zorgt voor de verdere afwikkeling van de inschrijving van de echtscheiding in Turkije. Voorwaarde daarbij is dat beide partijen instemmen met deze wijze van inschrijving van de echtscheiding in het Turkse bevolkingsregister.

4.3.

Alhoewel het begrijpelijkerwijs de voorkeur van de vrouw heeft om de laatstbedoelde procedure te volgen, omdat die sneller en goedkoper is dan de erkenningsprocedure, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de man niet kan worden gedwongen om daaraan mee te werken. De man wenst kennelijk geen erkenning van de Nederlandse echtscheidingsbeschikking, maar hij wenst dat de echtscheiding ook in Turkije wordt uitgesproken in een procedure, waarbij tegelijkertijd de verdeling van het (volgens hem nog aanwezige) huwelijksvermogen in Turkije wordt geregeld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het recht van de man om desgewenst een hierop gericht verweer te voeren in de erkenningsprocedure hem niet mag worden ontnomen. Of deze wens van de man ook in de weg kan staan aan de erkenning van de Nederlandse echtscheidingsbeschikking kan door de voorzieningenrechter in dit kort geding niet worden vastgesteld. Dat dient in die Turkse procedure te worden beoordeeld. Dat geldt ook voor de vraag of er te verdelen huwelijksvermogen is in Turkije, hetgeen door de vrouw wordt betwist. Nu voor de vrouw de mogelijkheid open staat om in Turkije de erkenningsprocedure te voeren, waarvoor zij de medewerking van de man niet nodig heeft, is voor het treffen van de in dit geding gevorderde voorziening geen plaats. Dat die erkenningsprocedure mogelijk kostbaarder is en meer tijd in beslag zal nemen dan de door de vrouw gewenste procedure, doet daaraan niet af. Dat is inherent aan het Turkse systeem en kan de man in de gegeven situatie niet worden tegengeworpen.

4.4.

Overigens gaat de voorzieningenrechter er voorshands vanuit dat, als de vrouw bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst aantoont dat haar verzoek om afstand te doen van haar Turkse nationaliteit is geweigerd vanwege registratieproblemen en dat zij daarna de erkenningsprocedure is gestart om die registratieproblemen op te lossen, daarmee uitstel kan worden verkregen voor het indienen van de afstandsverklaring en dat dit niet zal leiden tot de intrekking van haar Nederlandse nationaliteit op korte termijn.

4.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het gevorderde niet toewijsbaar is.

4.6.

In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2020.

ts