Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:7143

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
SGR 19/104 en SGR 19/2457
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenverplichting; woonplaats; meldingsdatum als ingangsdatum

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 19/104 en SGR 19/2457

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2020 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer),

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, verweerder

(gemachtigde: M. Drazenovic).

Procesverloop

De zaak met zaaknummer: SGR 19/104

Bij besluit van 19 juli 2018 (primair besluit I) heeft verweerder het recht op bijstand van eiser ingevolge de Participatiewet (de Pw) met ingang van 21 december 2017 ingetrokken.

Bij besluit van 23 juli 2018 (primair besluit II) heeft verweerder de aan eiser verstrekte bijstand over de periode van 21 december 2017 tot en met 30 juni 2018 tot een bedrag van € 6.349,75 van hem teruggevorderd.

Bij een tweede besluit van 23 juli 2018 (primair besluit III) is de aanvraag van eiser voor een individuele inkomenstoeslag ingevolge de Pw afgewezen.

Bij besluit van 7 augustus 2018 (primair besluit IV) is aan eiser ingevolge de Pw een boete opgelegd van € 1.190,-.

Bij besluit van 21 december 2018 (bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten I tot en met IV ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 1 februari 2019 (bestreden besluit II) heeft verweerder het deel van de vordering op eiser dat ziet op het jaar 2018 verhoogd met de daarover betaalde belasting en premies. Met instemming van verweerder heeft eiser rechtstreeks beroep ingesteld bij deze rechtbank tegen bestreden besluit II.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak met zaaknummer SGR 19/2457

Bij besluit van 4 oktober 2018 (primair besluit V) is aan eiser vanaf 22 juli 2018 ingevolge de Pw een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 21 maart 2019 (het bestreden besluit III) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

In beide zaken:

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft (uiteindelijk) telefonisch plaatsgevonden op 9 juni 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De zaak met zaaknummer: SGR 19/104

1.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser ontvangt vanaf 15 maart 2015 een bijstandsuitkering ingevolge de Pw naar de norm voor een alleenstaande. Eiser heeft ten behoeve van zijn bijstandsuitkering bij verweerder opgegeven te wonen op het adres [straat] [huisnummer] te [plaats] (het uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een interne melding is de Afdeling Sociale Zaken van verweerder een bijzonder onderzoek gestart naar de rechtmatigheid en doelmatigheid van de aan eiser verleende bijstandsuitkering. De resultaten van het bijzonder onderzoek zijn opgenomen in de rapportage van 19 juli 2018 (de rapportage). In de rapportage staat vermeld dat voldoende is komen vast te staan dat eiser in ieder geval vanaf 21 december 2017 de kern van het bestaan niet meer heeft in de gemeente Rijswijk op het uitkeringsadres. Deze conclusie is gebaseerd op de extreme daling in het energie- en gasverbruik in vergelijking met voorgaande jaren en het daartoe vastgestelde landelijke gemiddelde. Daarnaast vinden er uitsluitend pinbetalingen en geldopnames plaats buiten de gemeente Rijswijk op verschillende tijden. Ook is de auto van eiser tijdens het observatieonderzoek in de periode van 27 juni 2018 tot en met 11 juli 2018 niet aangetroffen in Rijswijk, maar wel aan het aan het adres van de (ex-)partner van eiser en zijn zoon. Eiser heeft hierover tijdens het gesprek op 18 juli 2018 geen duidelijkheid gegeven. Ook de verdere verklaring van eiser tijdens het gesprek op 18 juli 2018 is relevant. Zo heeft hij verklaard in de maand juni van 2018 slechts 4 tot 5 keer in Rijswijk te hebben geslapen en dat hij nagenoeg dagelijks in Den Haag verblijft. Het huisbezoek dat aansluitend aan het gesprek van 18 juli 2018 is afgelegd, bevestigt de conclusie dat eiser niet (meer) woonachtig is op het uitkeringsadres. Er waren vrijwel geen etenswaren in de woning aanwezig en eiser wist niet waar zijn medicijnen waren.

1.3.

Verweerder heeft na afloop van het bijzonder onderzoek een tweetal rapporten opgemaakt op 19 juli 2018 op basis waarvan verweerder de primaire besluiten I en II heeft genomen. Het recht van eiser op bijstand is met ingang van 21 december 2017 ingetrokken en het bedrag dat aan eiser (netto) teveel is betaald over de periode van 21 december 2017 tot en met 30 juni 2018 is van hem teruggevorderd.

1.4.

Omdat eiser geen recht (meer) heeft op een bijstandsuitkering ingevolge de Pw heeft verweerder bij primair besluit III de op 4 juli 2018 ingediende aanvraag om een individuele inkomenstoeslag afgewezen.

1.5.

Naar aanleiding van de resultaten van het bijzonder onderzoek heeft verweerder bij brief van 24 juli 2018 het voornemen kenbaar gemaakt eiser een boete op te leggen wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. Eiser heeft naar aanleiding hiervan zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Eiser heeft de grondslag van de boete, namelijk dat hij niet woonachtig zou zijn op het uitkeringsadres, betwist. Ook wijst hij erop dat rekening moet worden gehouden met zijn financiële en persoonlijke situatie.

1.6.

Bij primair besluit IV heeft verweerder eiser ingevolge de Pw een boete opgelegd van € 1.190,- op de grond dat eiser zijn inlichtingenverplichting ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Pw heeft geschonden door geen juiste informatie te verstrekken omtrent zijn woon- en verblijfssituatie. Bij het opleggen van de boete is uitgegaan van normale verwijtbaarheid en bij de berekening van de boete is rekening gehouden met de draagkracht van eiser.

2.1.

Bij bestreden besluit I zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat eiser zijn hoofdverblijf en de kern van zijn bestaan niet meer in de gemeente Rijswijk heeft. Verweerder wijst daarbij onder meer op de omstandigheid dat er blijkens de bankafschriften van eiser nooit betalingen plaatsvonden in Rijswijk. Ook is de auto van eiser gedurende de waarnemingsperiode niet in Rijswijk aangetroffen en is het elektriciteits- en gasverbruik in Rijswijk zeer laag. Daarnaast is ook uit het huisbezoek gebleken dat de woning aan het uitkeringsadres niet wordt bewoond door eiser, omdat levensmiddelen ontbraken en eiser zijn medicijnen niet heeft kunnen tonen in de woning. Het gebruik van de petroleumkachel is door eiser niet eerder dan in bezwaar naar voren gebracht en doet ook niet af aan het lage gasverbruik. Daarbij komt dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn verblijfplaats en het gebruik van zijn auto. Door geen melding te maken dat hij niet langer in Rijswijk verblijft, heeft eiser de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw geschonden.

2.2.

In bestreden besluit I staat ook vermeld dat, aangezien eiser geen hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven uitkeringsadres, hij niet in aanmerking komt voor een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Pw. Het verzoek daartoe is derhalve afgewezen.

2.3.

Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting heeft verweerder blijkens bestreden besluit I op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Pw aan eiser een boete opgelegd. Verweerder ziet geen dringende reden om af te zien van het opleggen van de bestuurlijke boete of om de boete te matigen.

2.4.

Bij bestreden besluit II heeft verweerder het deel van de vordering op eiser dat ziet op het jaar 2018 verhoogd met de daarover betaalde belasting en premies. Met instemming van verweerder heeft eiser rechtstreeks beroep ingesteld bij deze rechtbank tegen bestreden besluit II.

3.1

Eiser is het niet eens met bestreden besluiten I en II. Ten aanzien van de intrekking en terugvordering betwist eiser in de kern dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Eiser betoogt dat hij op het uitkeringsadres woonachtig is. Hij staat er ingeschreven, slaapt er en hij bewaart er zijn belangrijke eigendommen, kleding en andere dagelijkse benodigdheden. Bovendien kan aan de verklaring zoals die door eiser op 18 juli 2018 is afgelegd geen gewicht worden toegekend, omdat de vraagstelling onduidelijk was. Eiser heeft de vraag ‘hoe vaak slaapt u er’ opgevat als ‘hoe vaak slaapt u in Den Haag’. Ten aanzien van het lage elektriciteits- en gasverbruik merkt eiser op dat dit niet doorslaggevend mag zijn voor de vraag of eiser zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft. Bovendien verblijft eiser vaak bij zijn moeder, hij eet daar en doet er zijn was. Eiser maakt verder gebruik van de petroleumkachel en zit in de winter met een deken op de bank. Verweerder heeft nagelaten om tijdens het huisbezoek foto’s te maken van onder andere de petroleumkachel, de deken op de bank en ook van de badkamer en de aanwezige administratie. Ten aanzien van de transacties merkt eiser op dat hij een geschil heeft met een familie in Rijswijk en hij daarom in Rijswijk geen boodschappen doet. Ook pint hij er niet. Over zijn auto betoogt eiser dat deze aan het adres van zijn ex-partner staat, omdat eiser geen vergunning heeft. Hij rijdt zelf op een scooter. Daarnaast is eiser van mening dat onduidelijk is waarom de bijstandsuitkering met ingang van 21 december 2017 is ingetrokken en teruggevorderd. Tot slot betoogt eiser dat verweerder over voldoende informatie beschikt om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Via het rechtstreeks bij de rechtbank ingestelde beroep verzet eiser zich eveneens tegen de verhoging van de terugvordering met de betaalde belasting en premies over het jaar 2018.

3.2.

Nu verweerder naar de mening van eiser ten onrechte tot intrekking en de terugvordering is overgegaan, is de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag ten onrechte afgewezen.

3.3.

Ten aanzien van de opgelegde boete betwist eiser dat verweerder heeft aangetoond dat eiser niet op het uitkeringsadres woonachtig was.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

- Intrekking, terugvordering en brutering

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 21 december 2017 tot en met 19 juli 2018.

4.2

De rechtbank stelt voorop dat een belanghebbende verplicht is juiste en volledige informatie over zijn woon- en verblijfsituatie te verschaffen, aangezien die gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van de schending niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, belanghebbende recht heeft op bijstand. Zie bij wijze van voorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2447.

4.3.

Het besluit tot opschorting en intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op verweerder rust.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak is voor het antwoord op de vraag waar iemand woont bepalend de plaats waar hij werkelijk woont met zijn gezin en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt. De vraag waar iemand woonplaats heeft dient dan ook beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 9 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:105.

5.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder er in geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat eiser sinds 21 december 2017 feitelijk niet langer op het uitkeringsadres woonachtig is. Hierbij is de eigen verklaring van eiser van 18 juli 2018 relevant. Zo heeft eiser verklaard dat hij niet graag in Rijswijk verblijft. Hij voelt zich er onveilig en is vaak weg uit Rijswijk. Dat de vraag ‘hoe vaak slaapt u er’ onduidelijk zou zijn geweest en door eiser zou zijn opgevat als ‘hoe vaak slaapt u in Den Haag’, acht de rechtbank niet aannemelijk. Die vraag gaat immers vooraf door de opmerking “U gaf aan dat u niet graag in Rijswijk blijft”. Dat betekent dat eiser gehouden kan worden aan het antwoord dat hij gaf op deze vraag, te weten dat hij in de week voor het gesprek er slechts één keer heeft geslapen en hij er over de hele maand bezien vier tot vijf keer heeft geslapen. Verder heeft hij in het gesprek verklaard dat hij overdag vaak in Den Haag is. Hij drinkt dan ergens een ‘bakkie’ of loopt rond. Ook heeft eiser tijdens het gesprek gezegd dat hij eenmaal in de twee dagen zeker in zijn huis in Rijswijk verblijft. Dan kijkt hij even televisie. Hij geeft aan dat hij soms gelijk weer weggaat en dat hij soms blijft. Ook slaapt hij heel af en toe bij zijn ex, bij zijn kameraden of bij zijn moeder. De rechtbank maakt hieruit op dat hij vrijwel niet in Rijswijk verblijft.

De bevindingen tijdens het huisbezoek bevestigen dit beeld. Er was vrijwel geen eten in huis aanwezig en eiser kon de medicijnen die hij dagelijks gebruikt niet vinden. Het betoog dat eiser geregeld bij zijn moeder eet is onvoldoende om het ontbreken van eten in de woning te verklaren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser tijdens het gesprek laat weten dat er op dat moment drinken in de koelkast staat en dat er een paar dingen in de vriezer liggen. Ook zou er pindakaas en boter staan. Dat komt niet overeen met de bevindingen van het huisbezoek.

Daarnaast is het ontbreken van geldtransacties uit Rijswijk een indicatie dat eiser niet op het uitkeringsadres verbleef. De verklaring van eiser dat hij een ‘akkefietje’ heeft met een familie in Rijswijk en hij daarom meestal boodschappen doet of pint in Rijswijk niet nader onderbouwd.

Verder is het lage elektriciteits- en gasverbruik relevant. Eiser erkent het lage gebruik, maar wijst erop dat hij een petroleumkachel en een deken gebruikt om zich warm te houden. Ook is hij geregeld bij zijn moeder en doet hij bij haar de was. Eiser heeft echter tijdens het gesprek op 18 juli 2018 niets verteld over een petroleumkachel, hoewel hem toen wel naar het lage verbruik is gevraagd. De rechtbank acht de aanwezigheid van die kachel in de periode in geding dan ook niet aannemelijk. Het gebruik van een deken en zijn verblijf bij zijn moeder acht de rechtbank onvoldoende om het, overigens zeer lage, verbruik te verklaren.

5.2.

Anders dan in de uitspraak van de CRvB van 6 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2127, waar eiser naar heeft verwezen, is het lage elektriciteits- en gasverbruik in deze situatie niet van doorslaggevend belang, maar is het een van de omstandigheden die bijdraagt aan de conclusie dat eiser niet meer in Rijswijk woont. Ook het betoog dat eiser niet de intentie had om zijn woonplaats prijs te geven slaagt niet. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderzoek gedaan, waaruit volgt dat met het ontbreken van het verblijf aan het uitkeringsadres, ook de intentie is gegeven.

5.3.

Voor zover eiser aanvoert dat tijdens het gesprek op 18 juli 2018 onduidelijke vragen werden gesteld en daarom aan de verklaring geen waarde kan worden gehecht, faalt dit betoog. Volgens vaste rechtspraak mag een betrokkene, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde, en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende, verklaring worden gehouden. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 14 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2694. De rechtbank is in dat licht niet gebleken van onduidelijkheden in de vraagstelling van verweerder. Verweerder heeft vragen gesteld van feitelijke aard en heeft aan het eind van het gesprek samenvattend opgemerkt dat het verweerder niet waarschijnlijk lijkt dat eiser zijn hoofdverblijf in de gemeente Rijswijk heeft. Eiser heeft daarop kunnen reageren. Eiser heeft, na voorlezing van de verklaring en de geboden gelegenheid tot doorlezing, volhard in zijn verklaring en getekend voor juiste weergave. Het beroep van eiser op de uitspraak van de CRvB van 22 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2015:4881, maakt ook niet dat eiser niet aan zijn verklaring kan worden gehouden. In die uitspraak was door verweerder tijdens een gesprek onvoldoende doorgevraagd naar aanleiding van een afgegeven verklaring door eiser. Hiervan is in de onderhavige situatie naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

5.4.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder de bijstandsuitkering ten onrechte vanaf 21 december 2017 heeft ingetrokken en teruggevorderd. Weliswaar is het bijzonder onderzoek pas gestart op 21 juni 2018, maar is administratief onderzoek verricht naar de periode daarvoor. Zo zijn bankafschriften van voor die datum bekeken en ziet ook de informatie over het gas- en elektraverbruik door eiser op de periode van voor 21 juni 2018. Het verbruik was in heel 2017 laag te noemen, na 21 december 2017 vindt een verdere daling plaats. Alles bij elkaar genomen is aannemelijk dat eiser in ieder geval vanaf 21 december 2017 niet langer het hoofdverblijf had op het adres in Rijswijk.

5.5.

Eiser heeft geen melding gemaakt van de veranderde woonsituatie, terwijl het eiser naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat het hier gaat om informatie die van belang kan zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Nu hij deze inlichtingen niet heeft verstrekt, heeft eiser gehandeld in strijd met de op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw op hem rustende inlichtingenverplichting.

5.6.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor de intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstand behoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Eiser is hierin niet geslaagd. Eiser heeft in beroep geen nadere stukken overgelegd waaruit zou blijken dat hij recht heeft op een bijstandsuitkering van de gemeente Rijswijk.

5.7.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat eiser geen toereikende inlichtingen en gegevens heeft verstrekt om het recht op bijstand te kunnen vaststellen, zodat verweerder ingevolge artikel 54, derde lid, van de Pw gehouden was het recht op bijstand van eiser over de periode in geding in te trekken. Ten aanzien van de hoogte van de hieruit voortvloeiende (bruto) terugvordering heeft eiser geen specifieke beroepsgronden aangevoerd, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van het teruggevorderde bedrag.

6. Het voorgaande betekent ook dat verweerder ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw gehouden was de ten onrechte uitgekeerde bijstand van eiser terug te vorderen. Niet is gebleken van een dringende reden op grond waarvan verweerder in dit geval van terugvordering had moeten afzien.

- Individuele inkomenstoeslag

7. De door eiser aangevoerde grond slaagt niet. Zoals hiervoor is overwogen heeft verweerder op goede gronden het recht van op bijstand ingevolge de Pw ingetrokken met ingang van 21 december 2017. Verweerder heeft gelet daarop de op 4 juli 2018 ingediende aanvraag voor de individuele inkomenstoeslag naar het oordeel van de rechtbank terecht afgewezen. Nu eiser zich pas op 22 juli 2018 opnieuw heeft gemeld voor een bijstandsuitkering hoefde niet van verweerder verwacht te worden dat hij nader onderzoek had moeten doen naar mogelijke verdere bijstandsverlening aan eiser.

- Bestuurlijke boete

8. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, heeft verweer terecht het recht van eiser op bijstand ingevolge de Pw vanaf 21 december 2017 ingetrokken en teruggevorderd, omdat eiser de kern van zijn bestaan niet meer op het uitkeringsadres heeft. Vaststaat dat eiser geen melding heeft gemaakt van zijn gewijzigde woonsituatie en heeft hiermee de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De rechtbank is van oordeel dat eiser deze schending van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Op grond van artikel 18a van de Pw, is verweerder in dat geval gehouden een boete op te leggen. Dit betreft geen bevoegdheid, maar een verplichting.

9.1.

Bij de beoordeling van de evenredigheid van de boete is voorts de mate van verwijtbaarheid van belang. Een beboetbare gedraging leidt bij normale verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar beneden is aangewezen, indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de overtreder. Het bestuursorgaan dient op basis van de beschikbare informatie, zo nodig aangevuld met door de betrokkene nader te verstrekken inlichtingen of gegevens, te beoordelen of sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

9.2.

Voor zover al door eiser is betwist, is hij er niet in geslaagd aan te tonen dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Hij heeft geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt.

9.3.

Het college is daarom terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van de CRvB van 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1807) is in dat geval 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming van de boete op het aspect van verwijtbaarheid.

10. Nu eiser geen concrete gronden heeft gericht tegen de hoogte van de boete, gaat de rechtbank uit van de juistheid van het bedrag.

De zaak met zaaknummer SGR 19/2457

11.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft zich op 22 juli 2018 gemeld bij WERK van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv) en heeft op 10 augustus 2018 de aanvraag om een bijstandsuitkering ingevolge de Pw ingediend.

11.2.

Verweerder is vervolgens een onderzoek gestart en de resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport Bijzonder Onderzoek van 1 oktober 2018 en de rapportage van 3 oktober 2018. Uit het onderzoek blijkt dat eiser met ingang van de aanvraagdatum wel geacht kan worden woonachtig te zijn op het uitkeringsadres. Gelet op de meldingsdatum heeft verweerder bij primair besluit V aan eiser met ingang van 22 juli 2018 een uitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

11.3.

Bij bestreden besluit III is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de bijstandsuitkering ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Pw wordt toegekend per de datum van de melding. Van bijzondere omstandigheden om van dit uitgangspunt af te wijken is niet gebleken.

12. Eiser is het niet eens met bestreden besluit III. Hij betoogt in de kern dat de bijstandsuitkering met ingang van 1 juli 2018 aan hem moet worden toegekend. Eiser heeft het besluit tot intrekking van zijn uitkering pas op 21 juli 2018 heeft ontvangen. Door het handelen van verweerder is eiser niet in staat geweest zich eerder dan op 22 juli 2018 te melden en dient op basis van deze bijzondere situatie te worden afgeweken van de hoofdregel dat de meldingsdatum als ingangsdatum wordt aangemerkt.

De rechtbank overweegt als volgt.

13.1.

Het uitgangspunt, zoals in artikel 44, eerste lid, van de Pw genoemd, is dat het recht op bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

13.2.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de bijstandsuitkering aan eiser niet eerder dan de datum van melding behoeft te worden toegekend. De te beoordelen periode wat betreft de intrekking in de zaak met zaaknummer SGR 19/104 loopt tot 19 juli 2018. Ten aanzien van die periode heeft de rechtbank al overwogen dat eiser het hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had. Om die reden kon de uitkering niet per 1 juli 2018 worden toegekend. Dat eiser pas op een later moment dan 19 juli 2018 op de hoogte is geraakt van de intrekking en zich dus niet eerder dan op 22 juli 2018 kon melden voor een nieuwe aanvraag, komt voor zijn rekening en risico. Verweerder hoefde daarin dus geen aanleiding te zien om per een eerdere datum bijstand toe te kennen.

Slotsom

14.1.

Het beroep in de zaak met zaaknummer SGR 19/104 is ongegrond. Hetzelfde geldt voor het beroep in de zaak met zaaknummer SGR 19/2457.

14.2.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat in beide zaken geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen in de zaken met zaaknummers SGR 19/104 en
SGR 19/2457 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 21 juli 2020 door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Arreman-Mos, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.