Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:712

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-01-2020
Datum publicatie
30-01-2020
Zaaknummer
8164569 EJ19-85913
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

ontslag op staande voet vernietigd; geen sprake van onverwijldheid. Billijke vergoeding toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Gouda

zaaknr.: 8164569 EJ VERZ 19-85913

Beschikking van de kantonrechter d.d. 20 januari 2020 in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. G.M. Roze,

en

de besloten vennootschap PD Montage B.V.,

gevestigd te Moerkapelle,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. H. de Graaf-de Waard.

1 Het verloop van de procedures

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de navolgende stukken, waaruit tevens het verloop van de procedure blijkt:

- het verzoekschrift, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 12 november 2019;

- het verweerschrift, tevens houdende zelfstandige tegenverzoeken;

- het faxbericht met bijlagen d.d. 9 december 2019 van mr. Roze;

- de aantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling van deze zaak op 12 december 2019 van mr. Roze;

- de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak op 12 december 2019.

2 De overwegingen

2.1

Verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , verzoekt in deze procedure, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en verwerende partij, hierna te noemen: PD Montage, te veroordelen om binnen twee dagen na de betekening van de te geven beschikking aan [verzoeker] :

a. te betalen een billijke vergoeding ad € 6.975,85 bruto;

b. te betalen het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren ten bedrage van € 3.859,52 bruto;

c. te voldoen het verschuldigde salaris over de maand oktober 2019 ten bedrage van € 1.076,52 bruto vermeerderd met alle emolumenten, waaronder de vakantietoeslag;

d. een schriftelijke en deugdelijke bruto/netto specificatie te verstrekken, waarin de betalingen sub a, b en c zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom ad € 100,= per dag, met een maximum van € 5.000,= voor elke dag dat PD Montage hieraan niet voldoet;

e. te betalen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% over het hem toekomende loon;

f. te betalen de wettelijke rente over de sub a, b en c genoemde bedragen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening;

g. te betalen de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel BIK;

h. te betalen een bedrag ad € 85,38 bruto;

i. te betalen een bedrag ad € 138,75 netto;

j. te betalen een bedrag ad € 1.193,32 bruto;

met veroordeling van PD Montage in de kosten van de procedure.

2.2

[verzoeker] legt het volgende aan zijn verzoeken ten grondslag. Hij is op 1 juni 2019 voor de duur van zeven maanden (tot en met 31 december 2019) bij PD Montage in dienst getreden in de functie van kozijnmonteur tegen een bruto salaris ad € 2.153,04 per maand en een vakantietoeslag van 8%. Op 10 oktober 2019 heeft de directeur van PD Montage, [directeur verwerende partij 2] , [verzoeker] er voor de aanvang van het werk op aangesproken dat hij onder werk vaak gebruik maakt van zijn mobiele telefoon. [directeur verwerende partij 2] heeft hem gesommeerd om zijn mobiele telefoon achter te laten in zijn auto of weg te leggen in zijn postvak op kantoor. Indien hij dat niet zou doen, dan had dat tot gevolg dat hij op staande voet werd ontslagen. [verzoeker] heeft hem terug gezegd dat hij zijn telefoon tijdens het werk bij zich wilde blijven dragen vanwege belangrijke privé redenen en dat hij dan wel zou vertrekken. [verzoeker] had de boodschap van [directeur verwerende partij 2] zo begrepen dat hij door te vertrekken was ontslagen. Korte tijd later heeft [directeur verwerende partij 2] [verzoeker] proberen te bellen terwijl hij in zijn auto zat. Daarna heeft [directeur verwerende partij 2] hem een Whatsapp bericht gestuurd waarin stond dat hij binnen 30 minuten terug op het werk moest zijn, bij gebreke waarvan sprake was van werkweigering. [verzoeker] heeft daar niet op gereageerd. Hij ging er vanuit dat hem die ochtend ontslag was verleend. Omdat [verzoeker] geen schriftelijke bevestiging had gekregen van het ontslag, heeft hij op 16 oktober 2019 aan [directeur verwerende partij 2] een Whatsapp bericht gestuurd met de vraag of hij nog een ontslagbrief kon verwachten. Dezelfde dag ontving hij een op 10 oktober 2019 gedateerde brief van PD Montage, waarin was vermeld dat [verzoeker] met onmiddellijke ingang op staande voet was ontslagen wegens werkweigering. Het niet naleven van de instructie van [directeur verwerende partij 2] om de mobiele telefoon achter te laten, is redelijkerwijs geen reden voor de beëindiging van het dienstverband. Daarbij is van belang dat [verzoeker] niet eerder was aangesproken op het gebruik van zijn mobiele telefoon onder werktijd. Bovendien heeft [verzoeker] gedurende zijn dienstverband bij PD Montage slechts eenmaal onder werktijd van zijn mobiele telefoon gebruik heeft gemaakt. PD Montage heeft ten onrechte dadelijk de meest verstrekkende maatregel getroffen, te weten het ontslag op staande voet, terwijl er ten hoogste aanleiding was voor het geven van een waarschuwing. Aangezien PD Montage [verzoeker] op staande voet heeft ontslagen, verwijt PD Montage hem ten onrechte werkweigering. Indien [directeur verwerende partij 2] terug heeft willen komen op het ontslag, dan had hij [verzoeker] moeten laten blijken dat sprake was van een misverstand. Voor zover [verzoeker] niet is ontslagen omdat hij zijn telefoon bij zich wilde houden, doch eerst nadien wegens werkweigering, heeft overigens te gelden dat dit ontslag niet onverwijld is gegeven. Het werk zou dan immers op 10 oktober 2019 zijn geweigerd, terwijl het ontslag hem is verleend bij de op 16 oktober 2019 door [directeur verwerende partij 2] ontvangen brief. [verzoeker] berust in de gedane opzegging. Hij maakt aanspraak op de billijke vergoeding ex artikel 7:681 sub a BW. Deze vergoeding is, gelet op het financiële nadeel dat hij als gevolg van het ontslag heeft geleden, te stellen op een bedrag ad € 6.975,= bruto (drie maandsalarissen, vermeerderd met 8% vakantietoeslag). [verzoeker] maakt verder aanspraak op de vergoeding ex artikel 7:677 lid 3 BW, welke vergoeding in dit geval, berekend over de periode vanaf 16 oktober 2019 tot 1 december 2019, € 3.859,97 bruto inclusief 8% vakantietoeslag bedraagt. Aangezien PD Montage het loon over de periode vanaf 1 oktober 2019 tot 16 oktober 2019 onbetaald heeft gelaten, heeft [verzoeker] verder nog van haar tegoed een bedrag ad € 1.076,52 bruto. Als bijdrage in het tijdspaarfonds heeft PD Montage met betrekking tot de periode vanaf 1 tot 16 oktober 2019 aan [verzoeker] te betalen een bedrag ad € 138,75 netto. Uit het door [verzoeker] zelf opgestelde overzicht blijkt dat PD Montage verder met hem heeft af te rekenen zijn in de maand oktober 2019 gemaakte overuren, te weten 5,5 uur x € 12,42 x 125% = 85,38 bruto. Tenslotte heeft PD Montage nog met [verzoeker] af te rekenen zijn saldo vakantiedagen, te weten 12 dagen x 8 uur x € 12,42 = € 1.192,32 bruto. Het door [verzoeker] van PD Montage ontvangen voorschot ad € 800,= kan daarmee verrekend worden. Naar aanleiding van de tegenverzoeken van PD Montage heeft [verzoeker] aangevoerd dat deze zijn af te wijzen. Met betrekking tot de door PD Montage gevorderde reiskosten voert hij aan dat partijen niet hebben afgesproken dat hij in geval van ziekte geen aanspraak heeft op reiskosten en dat de aanspraak op de terugbetaling van de tijdens ziekte betaalde reiskosten niet redelijk is.

2.3

PD Montage verzoekt de afwijzing van de verzoeken van [verzoeker] . Zij verzoekt op haar beurt, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van [verzoeker] om aan haar te betalen:

a. een bedrag ad € 3.683,99;

b. een bedrag ad € 800,=, te verminderen met het aan [verzoeker] toekomende loon over de periode vanaf 1 tot 10 oktober 2019;

c. een bedrag ad € 410,34;

met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van de procedure.

2.4

PD Montage legt aan haar verzoeken het volgende ten grondslag. Zij erkent de door [verzoeker] gestelde arbeidsovereenkomst. Zij heeft [verzoeker] op 10 oktober 2019 op staande voet ontslagen wegens werkweigering. Voor die datum heeft PD Montage [verzoeker] er bij herhaling op aangesproken dat hij tijdens werktijd geen gebruik mocht maken van zijn mobiele telefoon. Tijdens de toolboxmeeting van 7 juni 2019 is hierover gesproken. [verzoeker] bleef desondanks tijdens werktijd regelmatig gebruik maken van zijn mobiele telefoon. De collega’s van [verzoeker] hebben daarover geklaagd, terwijl ook [directeur verwerende partij 2] dit regelmatig heeft waargenomen. Op 10 oktober 2019 is [verzoeker] er opnieuw op aangesproken dat hij zijn mobiele telefoon tijdens werktijd niet mocht gebruiken. Hem is gevraagd om zijn telefoon in zijn auto te laten liggen of deze in zijn brievenbakje te leggen. Zonder hierop te antwoorden is [verzoeker] vervolgens in zijn auto gestapt en weggereden. Aangezien [verzoeker] die dag voor werk stond ingepland, bracht hij PD Montage hierdoor in de problemen. Het is niet juist dat [directeur verwerende partij 2] op 10 oktober 2019 tegen [verzoeker] heeft gezegd dat hij op staande voet is ontslagen wanneer hij geen gehoor zou geven aan het verzoek om zijn mobiele telefoon in zijn auto achter te laten of in het brievenbakje te leggen. Dat dit niet is gezegd blijkt ook uit het feit dat [directeur verwerende partij 2] op 10 oktober 2019, kort nadat [verzoeker] was weggereden, een Whatsapp bericht aan hem heeft gestuurd waarin hem is meegedeeld dat hij moest komen werken. Aangezien [verzoeker] hieraan geen gevolg heeft gegeven, heeft PD Montage [verzoeker] op staande voet ontslagen wegens werkweigering. De ontslagbrief waaruit dit blijkt is opgesteld op 10 oktober 2019. De persoon die deze brief moest ondertekenen, heeft dat door omstandigheden pas op 14 oktober 2019 kunnen doen, althans heeft dat toen eerst kunnen doen omdat hij eerst een jurist wilde raadplegen. Al met al hebben er niet meer dan drie werkdagen gezeten tussen het incident op 10 oktober 2019 en de ontvangst van de ontslagbrief door [verzoeker] op 16 oktober 2019. Te concluderen is daarom dat het ontslag onverwijld is gegeven. PD Montage heeft [verzoeker] terecht wegens werkweigering ontslagen. Daarbij is van belang de relatief korte duur van het dienstverband en de wijze waarop [verzoeker] daaraan invulling heeft gegeven. Van belang is verder de aard van het werk, de relatief jonge leeftijd van [verzoeker] en zijn gunstige positie op de arbeidsmarkt. Aangezien [verzoeker] op 10 oktober 2019 is ontslagen, kan aan hem met betrekking tot die maand alleen worden toegekend het loon over de periode vanaf 1 tot 10 oktober 2019, zijnde een bedrag ad € 751,16 bruto inclusief vakantiegeld. De wettelijke verhoging daarover is niet toe te wijzen, althans is te matigen tot 10%. Voor zover PD Montage de billijke vergoeding verschuldigd zou zijn, is deze te stellen op niet meer dan het loon over de periode vanaf 10 oktober 2019 tot en met 31 december 2019, te weten een bedrag ad € 6.008,75 bruto. De vergoeding wegens onregelmatige opzegging is af te wijzen, althans die vergoeding bedraagt niet meer dan een bedrag ad € 3.683,99 bruto inclusief vakantiegeld). Voor zover die vergoeding is toe te kennen, is het toe te kennen bedrag in mindering te brengen op de billijke vergoeding. Aangezien PD Montage [verzoeker] terecht op staande voet heeft ontslagen, kan zij op haar beurt aanspraak maken op de vergoeding wegens onregelmatig ontslag. Die vergoeding bedraagt in dit geval € 3.683,99. PD Montage heeft [verzoeker] tot een bedrag ad € 800,= voorschotten verstrekt, welk bedrag niet is terugbetaald. PD Montage verrekent het bedrag ad € 800,= met het loon over de maand oktober 2019. PD Montage heeft aan [verzoeker] tijdens ziekte en verlof per abuis reiskosten betaald. Uit dien hoofde heeft zij van [verzoeker] terug te vorderen een bedrag ad € 410,34. Tegen de in rechtsoverweging 2.1.h – j genoemde verzoeken kan PD Montage zich niet naar behoren verweren, omdat die verzoeken pas tijdens de mondelinge behandeling zijn gedaan. Die verzoeken dienen daarom buiten beschouwing te blijven.

2.5

De kantonrechter overweegt het volgende.

2.6

Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd en de in het geding gebrachte producties staat het volgende vast. [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1989, is op 1 juni 2019 voor de duur van zes maanden (tot en met 31 december 2019) bij PD Montage in dienst getreden in de functie van kozijnmonteur tegen een bruto salaris ad € 2.153,04 per maand en een vakantietoeslag van 8%. Op 10 oktober 2019 heeft de directeur van PD Montage, [directeur verwerende partij 2] , [verzoeker] er voor de aanvang van het werk op aangesproken dat hij onder werk vaak gebruik maakt van zijn mobiele telefoon. Hem is gezegd dat hij zijn mobiele telefoon tijdens werktijd in zijn auto of op kantoor moest laten liggen. [verzoeker] is, ofschoon hij ingepland was voor werk, daarna naar zijn auto gelopen en is daarmee weggereden. Kort nadien heeft [directeur verwerende partij 2] , de directeur van PD Montage, hem per Whatsapp het volgende bericht gestuurd:

Ha [verzoeker] , je hebt 30 minuten de tijd om terug naar je werk te komen. Als je dat niet doet, dan zien wij het als werkweigering. Ik wil je wijzen op de Toolboxmeating van 7-6-2019. (…)

In de toolboxmeeting d.d. 7 juni 2019 was besproken:

Geen telefoongebruik tijdens werktijd.

[verzoeker] is vervolgens niet komen werken. Op 16 oktober 2019 heeft hij van PD Montage een brief ontvangen waarin onder meer het volgende is vermeld:

Met deze brief bevestig ik dat u met onmiddellijke ingang op staande voet ontslagen bent. De reden hiervoor is als volgt: “Weigering opdracht” (werkweigering) na aanspreken over gebruik mobiele telefoon.

Na meerdere malen te hebben aangegeven dat het gebruik van de mobiele telefoon tijdens het werk niet toegestaan is (…), wordt geconstateerd dat hier niet naar geluisterd wordt. Deze morgen ben je hier op aangesproken met de vraag je telefoon in de auto te laten of in je brieven bakje. Zonder enige discussie of ben je per direct in je auto gestapt en weggereden, terwijl we je wel hebben ingepland op een werk. Hierna heeft [directeur verwerende partij 2] , de werkgever, jou gesommeerd per whats app bericht je binnen een half uur te melden om de opdracht uit te voeren waaraan je geen gehoor hebt gegeven.

(…)

2.7

[verzoeker] stelt dat [directeur verwerende partij 2] hem op 10 oktober 2019 voor de aanvang van het werk heeft gezegd dat hij zijn mobiele telefoon tijdens werktijd in zijn auto of op kantoor moest achterlaten, bij gebreke waarvan hij op staande voet zou zijn ontslagen, welk ontslag vervolgens is geeffectueerd doordat [verzoeker] dit heeft geweigerd en is weggegaan. PD Montage erkent dat [directeur verwerende partij 2] hem op 10 oktober 2019 op het gebruik van zijn telefoon onder werktijd heeft aangesproken, maar betwist dat hij met hem over ontslag heeft gesproken. De stelling van [verzoeker] , dat PD Montage hem op 10 oktober 2019 op staande voet heeft ontslagen in verband met het gebruik van zijn mobiele telefoon tijdens werktijd, staat daarom niet vast. Dat [directeur verwerende partij 2] op 10 oktober 2019 ondubbelzinnig aan [verzoeker] te kennen heeft gegeven dat hij is ontslagen indien hij zijn telefoon tijdens werktijd niet in zijn auto of op kantoor achterliet, is, gelet op het zojuist geciteerde Whatsapp bericht van [directeur verwerende partij 2] , bovendien niet aannemelijk. Indien [directeur verwerende partij 2] [verzoeker] op 10 oktober 2019 wegens het gebruik van zijn telefoon heeft ontslagen, zou hij hem dat Whatsapp bericht niet hebben gestuurd, althans feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie moeten leiden zijn niet gebleken.

2.8

Uit de zojuist geciteerde ontslagbrief van PD Montage d.d. 10 oktober 2019 blijkt dat PD Montage [verzoeker] op staande voet heeft ontslagen omdat hij na het zojuist bedoelde Whatsapp bericht niet alsnog is komen werken. Tussen partijen staat vast dat [verzoeker] die brief op 16 oktober 2019 heeft ontvangen. Het ontslag is hem – gelet op het bepaalde in artikel 3:37 lid 3 BW – daarom per die datum verleend.

2.9

Op grond van artikel 7:677 BW dient een ontslag op staande voet onverwijld te worden gegeven onder onverwijlde mededeling van de daaraan ten grondslag liggende reden. In het onderhavige geval is het ontslag niet onverwijld gegeven. Daarbij is van belang dat het incident dat tot het ontslag heeft geleid, zich heeft voorgedaan in de ochtend van 10 oktober 2019 en dat niet is gebleken dat naar de aan het ontslag ten grondslag gelegde reden onderzoek was te doen – of is gedaan. Uit de stelling van PD Montage, dat de ontslagbrief op 10 oktober 2019 is opgesteld, blijkt bovendien dat zij die brief nog dezelfde dag aan [verzoeker] heeft kunnen verzenden. Voor zover, zoals PD Montage aanvoert, de verzending van die brief op die dag niet mogelijk was, omdat [directeur verwerende partij 2] pas op 14 oktober 2019 de gelegenheid had om de brief te ondertekenen, althans pas in een laat stadium in de gelegenheid is geweest om met een jurist over de ontslagbrief te overleggen, komt dat voor haar risico. Bovendien was het tussen partijen kennelijk niet ongebruikelijk om per Whatsapp met elkaar te communiceren, zodat [directeur verwerende partij 2] hem ook via dat kanaal van zijn ontslag in kennis had kunnen stellen. Indien het ontslag wel onverwijld zou zijn gegeven, heeft overigens te gelden dat PD Montage daartoe niet heeft mogen overgaan zonder [verzoeker] te horen. Daarbij is van belang dat de communicatie tussen partijen, in de ochtend van 10 oktober 2019, kennelijk ernstig is mis gegaan, zodat niet is uit te sluiten dat met een constructief gesprek daarover op een rustig moment de verhoudingen weer recht te leggen waren geweest.

2.10

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het ontslag niet rechtsgeldig is gegeven. Aangezien PD Montage de arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW, kan [verzoeker] aanspraak maken op de billijke vergoeding (artikel 7:681 lid 1 sub a BW). Die vergoeding is in de gegeven omstandigheden vast te stellen op een bedrag ad € 6.000,=. Dit bedrag is gelijk aan het loon vanaf 16 oktober 2019 tot het einde van het dienstverband per 31 december 2019, vermeerderd met de vakantietoeslag van 8% en, in aanmerking nemende dat [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard inmiddels nieuw werk te hebben gevonden, een geringe opslag vanwege de in het bedrag ad € 6.000,= verdisconteerde vergoeding ex artikel 7:677 lid 3 BW.

2.11

Nu niet in discussie is dat PD Montage het [verzoeker] toekomende loon over de periode vanaf 1 oktober 2016 tot 16 oktober 2016 niet heeft voldaan, is ten laste van HP Montage verder aan [verzoeker] toe te wijzen het verzochte bedrag ad € 1.076,52 bruto, te vermeerderen met de vakantietoeslag van 8% en de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW daarover van 50%. Feiten en omstandigheden die tot de conclusie moeten leiden dat de wettelijke verhoging is te matigen, zijn onvoldoende gesteld of anderszins gebleken. De verzochte rente en de bruto/netto specificatie zijn toe te wijzen zoals hierna wordt vermeld. Gelet op de aard en omvang van de buitengerechtelijke werkzaamheden waarvan in deze procedure zijn gebleken, zullen de verzochte buitengerechtelijke kosten worden toegewezen conform de staffel BIK. De verzoeken zoals vermeld in rechtsoverweging 2.1.h – j zijn eerst gedaan tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak op 12 december 2019. Feiten en omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat [verzoeker] deze verzoeken in redelijkheid niet eerder heeft kunnen doen, zijn niet gebleken. Het is aannemelijk dat PD Montage zich hierdoor, zoals zij heeft gesteld, niet goed tegen deze vermeerdering kan verweren. De sub 2.1.h – j genoemde verzoeken worden daarom buiten beschouwing gelaten (artikel 283 Rv). Partijen zullen bij het opstellen van de eindafrekening van het dienstverband in onderling overleg kunnen beslissen wat er van deze vorderingen zij. Indien daarover geen overeenstemming wordt bereikt, zal [verzoeker] daarover een aparte procedure aanhangig kunnen maken.

2.11

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het in rechtsoverweging 2.3.a genoemde verzoek van PD Montage is af te wijzen. Tussen partijen is niet in discussie dat PD Montage aan [verzoeker] tot een bedrag ad € 800,= netto voorschotten heeft betaald. PD Montage zal dit bedrag kunnen verrekenen met hetgeen zij aan [verzoeker] heeft te betalen. Het in rechtsoverweging 2.3.c genoemde verzoek in verband met de tijdens ziekte doorbetaalde reiskosten, komt in redelijkheid niet voor toewijzing in aanmerking. Indien een werkgever als PD Montage die kosten tijdens ziekte doorbetaalt, moet zij er rekening mee houden dat een werknemer als [verzoeker] de hem betaalde bedragen in de huishouding zal gebruiken, zodat het niet aangaat om die bedragen achteraf, maanden later, nog terug te vorderen.

2.12

PD Montage is de partij die bij deze beschikking voor het grootste deel in het ongelijk wordt gesteld. Zij wordt daarom veroordeeld in de kosten van de procedure.

3 De beslissing

De kantonrechter:

Op de verzoeken van [verzoeker] :

Verklaart voor recht dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en veroordeelt PD Montage om binnen twee dagen na de betekening van deze beschikking aan [verzoeker] :

a. te betalen een billijke vergoeding ad € 6.000,= bruto;

b. te voldoen het verschuldigde salaris over de maand oktober 2019 ten bedrage van € 1.076,52 bruto vermeerderd met de vakantietoeslag van 8% en wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50%;

c. een schriftelijke en deugdelijke bruto/netto specificatie te verstrekken, waarin de betalingen sub a en b zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom ad € 100,= per dag, met een maximum van € 2.500,= voor elke dag na PD Montage niet voldoet aan de beschikking;

d. te betalen de wettelijke rente over de sub a en b genoemde bedragen vanaf de dag van het verzuim tot de dag der algehele voldoening;

e. te betalen de buitengerechtelijke kosten bedrage van € 914,44;

veroordeelt PD Montage in de kosten van de procedure, welke kosten aan de zijde van [verzoeker] tot op heden worden vastgesteld op een bedrag ad € 831,00, waarin begrepen een bedrag ad € 600,= voor salaris gemachtigde;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen anders of meer is verzocht;

Op de verzoeken van PD Montage:

wijst de verzoeken af;

veroordeelt PD Montage in de kosten van de procedure, welke kosten aan de zijde van [verzoeker] tot op heden worden vastgesteld op een bedrag ad € 300,00 voor salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Nijenhuis, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2020.