Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:699

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-02-2020
Datum publicatie
21-02-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1431
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete, besturen van een vrachtwagen op twee dagen zonder gebruik te maken van een bestuurderskaart. Vo (EG) nr. 561/2006 is, gelet op gewicht vrachtwagen, van toepassing. Is bestuurder. Zelfstandige in zin art 2:7 Atw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/1431

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. de Boorder),

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigde: mr. A. van Geel).

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete ter hoogte van € 4.400,- opgelegd wegens overtreding van artikel 2.4:13, tweede lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (Atbv).

Bij besluit van 17 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2020.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.H. Akdeniz (kantoorgenoot van zijn gemachtigde). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. S. Alkaabi.

Overwegingen

1.1.

Castello B.V. is een onderneming die zich heeft toegelegd op handel in eigen onroerend

goed, verhuur van onroerend goed, alsmede de aan- en verkoop van onroerend goed en voorts op handel in partijgoederen. Castello Ltd. is geregistreerd als enig aandeelhouder en bestuurder. Eiser is gevolmachtigde van het bedrijf met de persoonlijke titel van gevolmachtigd directeur.

1.2.

Op 8 mei 2018 heeft een toezichthouder van de Politie Landelijke Eenheid

bij een controle op de naleving van de Arbeidstijdenwet (Atw) en de daarop berustende wet- en regelgeving geconstateerd dat niet was zorggedragen dat de digitale tachograaf en bestuurderskaart correct werkten en correct werden gebruikt. Geconstateerd is dat op

25 april 2018 gedurende een periode van 24 minuten een afstand van 8 kilometer en op

30 april 2018 gedurende een periode van 17 minuten een afstand van 7 kilometer met de betreffende vrachtwagen is gereden zonder gebruik te maken van een bestuurderskaart in de tachograaf. Bij het op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 13 juni 2018 is een proces-verbaal van verhoor vertegenwoordiger gevoegd, waarin een verklaring van eiser is opgenomen.

Uit het boeterapport blijkt dat het kenteken van de betreffende vrachtwagen op

23 april 2018 is afgegeven voor Castello B.V.. Eiser heeft verklaard dat hij op 25 april 2018 en op 30 april 2018 als bestuurder met de vrachtwagen heeft gereden, dat hij daarbij geen bestuurderskaart heeft gebruikt, dat hij na verblijf in het buitenland weer een aantal maanden in Nederland is ingeschreven en dat hij pas een bestuurderskaart kan aanvragen als hij weer langer dan 188 dagen in Nederland woont. Eiser heeft voorts verklaard dat de B.V. niet zoveel doet, dat hij wel eens partijen met goederen koopt en met winst probeert te verkopen. Hij heeft de vrachtwagen gekocht met de bedoeling daar goederen mee te vervoeren en om de vrachtwagen eventueel weer te verkopen. Hij heeft benadrukt dat hij zonder bestuurderskaart mag rijden, zolang hij die vrachtwagen maar privé gebruikt. Met betrekking tot het besturen van de vrachtwagen op 30 april 2018 is voorts in het boeterapport vermeld dat in de laadruimte van de vrachtwagen gevaarlijke stoffen (18 metalen vaten met in totaal 1800 liter UN 1193 Methylethylketon, 3 kunststof vaten met in totaal 600 liter 2672 Ammoniak en 2 metalen vaten met in totaal 240 liter UN 1593 Methyleenchloride) zijn aangetroffen en dat de minimale hoeveelheid brandblusmiddelen niet aanwezig was. Eiser heeft verklaard dat hij deze stoffen zelf heeft geladen, dat vervoersdocumenten inderdaad ontbraken, dat hij deze stoffen wilde doorverkopen en voorts dat hij de blusmiddelen op een bepaald moment uit de vrachtwagen had gehaald.

1.3.

Verweerder heeft aan eiser een bestuurlijke boete van € 4.400,- opgelegd wegens overtreding van artikel 2.4.13, tweede lid, van het Atbv in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 165/2014.

2. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet in overtreding is geweest. Hij had een bestuurderskaart aangevraagd, maar had deze nog niet ontvangen. Inmiddels is hij in het bezit van deze kaart. Hij heeft een klein stukje gereden, is maar enkele minuten onderweg geweest en heeft gedaan wat redelijkerwijs mogelijk was om niet te rijden zonder vergunning. Hij heeft privé wat af te voeren materialen vervoerd, omdat hij bang was dat dat anders op een niet officiële manier zou worden vernietigd. Het is een eenmalige actie geweest, hij vervoert anders alleen paarden. De boete is niet opgelegd omdat hij te lang heeft gereden, maar omdat hij controle daarvan ernstig heeft bemoeilijkt. Controle is niet onmogelijk en heeft ook plaatsgevonden. Gebleken is dat er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat hij de arbeids- en rusttijden heeft overtreden. Ten slotte heeft eiser betwist dat hij zelfstandige is. Hij heeft geen arbeid verricht, maar een vriendendienst verleend. De Atw is daarom niet op hem van toepassing.

3. De relevante bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Eiser heeft tijdens de zitting een geheel nieuwe grond naar voren gebracht, namelijk dat nergens uit blijkt dat de betreffende vrachtwagen zwaarder weegt dan 7,5 ton.

Verweerder heeft er ter zitting op gewezen dat, zoals ook in het boeterapport is vermeld, de toezichthouder bij zijn onderzoek het kentekenregister heeft geraadpleegd en heeft vastgesteld dat de toegestane maximummassa van de betreffende vrachtwagen 11.990 kilogram is. De rechtbank overweegt dat eiser deze bevinding van de toezichthouder niet heeft weerlegd met stukken ter zake van het geregistreerde gewicht van deze vrachtwagen.

Derhalve is, gelet op artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening (EG) 561/2006, voornoemde verordening in dit geval van toepassing. De vrijstelling als bedoeld in artikel 3, onder h, van Verordening (EG) 561/2006 is, gelet op de bevinding van de toezichthouder, niet van toepassing.

4.2.

Vast staat dat eiser de vrachtwagen op 25 april 2018 en op 30 april 2018 heeft bestuurd, zonder gebruik te maken van een bestuurderskaart in de tachograaf. Aan de in artikel 4 van de Verordening (EG) 561/2006 onder a (wegvervoer) en c (bestuurder) neergelegde definities is daarmee voldaan.

4.3.

Niet in geschil is dat eiser geen werkgever of werknemer in de zin van de Atw is. Artikel 2:7, eerste lid, van de Atw ziet op personen die geen werkgever of werknemer zijn in de zin van deze wet en daarmee wordt uitdrukkelijk gedoeld op zelfstandig werkenden. Beoogd wordt door het kunnen stellen van regels ter zake van de voor hen geldende arbeids- en rusttijden ernstig gevaar voor de veiligheid, waaronder de verkeersveiligheid, en de gezondheid van derden te vermijden. Uit de verklaring van eiser bij het boeterapport blijkt dat hij heeft verklaard dat de B.V. niet zoveel doet. Hij legt zich persoonlijk toe op het kopen en verkopen van partijen goederen, zoals de op 30 april 2018 aangetroffen gevaarlijke stoffen, met het oogmerk om winst te behalen. Hiermee kan hij worden aangemerkt als een zelfstandig werkende, zodat artikel 2:7, eerste lid, van de Atw van toepassing is.

4.4.

Nu Verordening (EG) nr. 561/2006 van toepassing is, volgt uit art. 2.4.13, tweede lid van het Atbv tevens het verbod om te handelen in strijd met art. 32, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 165/2014, dat vervoersondernemingen en bestuurders onder meer verplicht tot het correct gebruik van de bestuurderskaart. Eiser heeft, gelet op overweging 4.2., gehandeld in strijd met artikel 32, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 165/2014.

Dat eiser de vrachtwagen op de genoemde dagen voor een korte periode heeft bestuurd, maakt, gelet op artikel 4, onder c, van de Verordening (EG) nr. 561/2006, niet dat geen sprake is van een overtreding. Verweerder was derhalve bevoegd om een bestuurlijke boete op te leggen.

4.5.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1391) volgt dat de beleidsregels inzake de berekening van de boete wegens overtreding van artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv gelezen in verbinding met artikel 32, derde lid, van de Vo (EU) nr. 165/2014 niet onredelijk zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen het belang van deze bepaling voor de controle op de naleving van regels inzake rij- en rusttijden in het wegvervoer en daarmee voor de veiligheid en gezondheid van de bestuurder, de verkeersveiligheid en eerlijke concurrentie. De aan eiser opgelegde boete is in overeenstemming met het gevoerde beleid. Eiser heeft geen gronden aangevoerd ter matiging van de boete.

5. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van

A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening (EG) nr. 561/2006 is deze verordening - onder meer - van toepassing op wegvervoer van goederen waarbij de toegestane maximummassa van de voortuigen, dat van de aanhangwagens of opleggers inbegrepen, meer dan 3,5 ton bedraagt.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder h, van deze verordening is deze verordening niet van toepassing op wegvervoer door voertuigen of een combinatie van voertuigen die worden gebruikt voor niet-commercieel goederenvervoer en waarvan de toegestane maximummassa niet meer dan 7,5 ton bedraagt.

Artikel 4 van deze verordening - voor zover hier van belang - luidt als volgt:

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

a. “wegvervoer”: iedere verplaatsing die geheel of gedeeltelijk over voor openbaar gebruik toegankelijke wegen plaatsvindt, in lege of beladen toestand, door een voertuig, bestemd voor het vervoer van personen of goederen;

“bestuurder”: iedere persoon die het voertuig bestuurt, zelfs gedurende een korte periode, of die zich in het voertuig bevindt is om het, als onderdeel van zijn verplichtingen, zonodig te kunnen besturen;

Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer.

Artikel 1, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 165/2014 luidt als volgt:

Deze verordening bepaalt de verplichtingen en voorschriften met betrekking tot de constructie, de installatie, het gebruik, het testen en de controle van tachografen die in het wegvervoer worden gebruikt om de naleving van Verordening (EG) nr. 561/2006, Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 92/6/EEG van de Raad te verifiëren.

Artikel 2 van deze verordening - voor zover hier van belang - luidt als volgt:

  1. In deze verordening gelden de definities van artikel 4 van de Verordening (EG) nr. 561/2006.

  2. Naast de in lid 1 bedoelde definities wordt, voor de toepassing van deze verordening verstaan onder:

a. “tachograaf of controleapparaat”: het in wegvoertuigen in te bouwen apparaat om gegevens betreffende het rijden en de snelheid van deze voertuigen automatisch of semiautomatisch weer te geven, te registreren, af te drukken, op te slaan of door te geven overeenkomstig artikel 4, lid 3, evenals details over bepaalde werktijden van de bestuurder;

“tachograafkaart”: smartcard voor gebruik in de tachograaf waardoor de tachograaf de taak van de kaarthouder kan vaststellen en gegevens kan verzenden en opslaan;

“bestuurderskaart”: een door de autoriteiten van een lidstaat aan elke bestuurder afzonderlijk afgegeven tachograafkaart die de bestuurder identificeert en de activiteiten van de bestuurder registreert.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van deze verordening worden de tachografen geïnstalleerd en gebruikt in voertuigen, bestemd voor het vervoer van personen of goederen over de weg, die in een lidstaat zijn ingeschreven en waarop Verordening (EG) nr. 561/2006 van toepassing is.

Artikel 32, eerste lid, van deze verordening luidt als volgt:

Vervoersondernemingen en bestuurders zorgen ervoor dat digitale tachografen en bestuurderskaarten correct werken en correct worden gebruikt. Vervoersondernemingen en bestuurders die gebruikmaken van analoge tachografen, zorgen ervoor dat deze correct werken en dat de registratiebladen correct worden gebruikt.

Artikel 34, eerste lid, van deze verordening - voor zover hier van belang - luidt als volgt:

Voor iedere dag dat hij rijdt, vanaf het tijdstip waarop hij het voertuig overneemt, gebruikt de bestuurder registratiebladen of bestuurderskaarten. (…)

Artikel 2:7, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet (Atw) zelfstandigen luidt als volgt:

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat voor de bij die maatregel en de daarop berustende bepalingen omschreven arbeid of arbeid onder daarbij omschreven omstandigheden, deze wet en de daarop berustende bepalingen geheel of gedeeltelijk mede moeten worden nageleefd door een persoon die, zonder werkgever of werknemer te zijn in de zin van deze wet, deze arbeid verricht, indien zulks noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van andere personen.

Artikel 4:3 van de Atw - voor zover hier van belang - luidt als volgt:

  1. Een werkgever en een persoon als bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, voert een deugdelijke registratie terzake van de arbeids- en rusttijden welke het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen mogelijk maakt.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld welke aangeven op welke wijze aan de in het eerste lid neergelegde verplichting wordt voldaan. Deze regels kunnen voor verschillende sectoren verschillend worden gesteld.

Ingevolge artikel 10:1, eerste lid, van de Atw wordt het niet naleven van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw als overtreding aangemerkt.

Artikel 10:5, eerste lid, van de Atw luidt als volgt:

Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar legt de bestuurlijke boete op aan de natuurlijke of rechtspersoon op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.

Artikel 10:7 van de Atw - voor zover hier van belang - luidt als volgt:

1. De bestuurlijke boete die voor een overtreding kan worden opgelegd bedraagt ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

(…)

6. Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de overtredingen worden vastgesteld. Voor overtredingen begaan door personen, bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, stellen Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister tezamen beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor die overtredingen worden vastgesteld. Artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing indien een artikel gesteld bij of krachtens de wet op grond waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, niet is nageleefd.

Artikel 2.1:1 van het Atbv - voor zover hier van belang - luidt als volgt:

(…)

2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder «bestuurder» en «week» verstaan hetgeen onder deze begrippen wordt verstaan in artikel 4, onderdelen c en i, van verordening (EG) nr. 561/2006.

3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder «tachograafkaart», «bestuurderskaart», «controlekaart», «bedrijfskaart» en «werkplaatskaart» verstaan hetgeen onder deze begrippen wordt verstaan in artikel 2, onderdelen d, f en i tot en met k van verordening (EU) nr. 165/2014.

Artikel 2.3:1 van het Atbv - voor zover hier van belang - luidt als volgt:

Met uitsluiting van het Arbeidstijdenbesluit zijn dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen van toepassing op iedere verplaatsing, die geheel of gedeeltelijk over voor openbaar gebruik toegankelijke wegen plaats vindt in lege of beladen toestand, alsmede de direct daarmee samenhangende werkzaamheden, van:

a. een vrachtauto waarvan het kentekenbewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldt, alsmede een losse trekker;

Artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv luidt als volgt:

Voor zover verordening (EG) nr. 561/2006 van toepassing is, is het verboden te handelen in strijd met de artikelen 1, eerste lid, tweede alinea, 3, eerste lid, 27, 29, tweede lid, 32, eerste tot en met vierde lid, 33, eerste en tweede lid, 34, behoudens het derde lid, onder b, tweede alinea, 35, 36, eerste en tweede lid, 37, eerste lid, eerste volzin en tweede lid van verordening (EU) nr. 165/2014.

Artikel 8:1, eerste lid, van het Atbv - voor zover hier van belang - luidt als volgt:

Het niet naleven van de artikelen (…), 2.4:13, tweede tot en met vijfde lid, (…), levert een overtreding op.

Artikel 1 van de Beleidsregel boeteoplegging Atw en Atbv (wegvervoer) 2016 (de Beleidsregel, Stcrt. 2016, 15379) - voor zover hier van belang - luidt als volgt:

  1. Deze beleidsregel is van toepassing op alle overtredingen die als zodanig bij of krachtens de Arbeidstijdenwet zijn aangemerkt en die betrekking hebben op arbeid verricht door personen als bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, onder a, van de Arbeidstijdenwet en arbeid in bedrijven of inrichtingen die rechtstreeks betrekking heeft op arbeid verricht in of op motorrijtuigen als bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, onder a, van de Arbeidstijdenwet.

  2. Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 10:5 van de Arbeidstijdenwet wordt voor alle overtredingen als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die gelden voor de onderscheiden onderwerpen in de Tarieflijst normbedragen bestuurlijke boete wegvervoer die als bijlage 1 bij deze beleidsregel is gevoegd.

In Bijlage I van de Beleidsregel (boetecatalogus), onderdeel 5. Installatie en gebruik tachograaf, is opgenomen dat het boetebedrag voor het overtreden van artikel 2.4.13, tweede lid, van het Atbv gelezen in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 165/2014 (de werkgever/zelfstandige heeft niet toegezien op de juiste werking en het juiste gebruik van de tachograaf en de bestuurderskaart, B2.4:5 (6) ) € 4.400,- bedraagt.

Bedoelde overtreding is direct beboetbaar.